Boekrecensies

Op deze pagina staan recencies van recent verschenen boeken en (kaart)spellen en ook recensies van wat langer geleden geschreven boeken, die niet te lang geleden zijn herdrukt of vertaald en zeker de moeite waard zijn. Verder vind je ook onderdaan de pagina een lijst van aanbevolen boeken voor mensen die zich in Wicca en heidendom willen verdiepen.
Je kunt op onderstaande links klikken of door de pagina naar beneden scrollen. Klik op de foto's bij de boeken voor een grotere afbeelding. Je kunt steeds terug naar onderstaand overzicht door te klikken op de link "Naar overzicht" die je onder de meeste boekrecensies vindt.
De recensies staan in de volgorde waarin we ze besproken hebben, steeds de laatste recensies bovenaan. Ook hebben we de boeken in onderstaand overzicht ingedeeld in een aantal categoriën. Binnen elke categorie staan de boeken alfabetisch op naam van de auteur. Dat vergemakkelijkt het zoeken naar een bepaald boek of een bepaald soort boeken.

Hekserij, Wicca, Magie, (Modern) Heidendom

Geschiedenis en religie vanaf de oudheid

Religie Algemeen, Levensbeschouwelijk en Psychologie

Planten, Kruiden, Wierook en Natuur

Stenen

Kookboeken en breiboeken

(Kaart)spellen en CD's

Kinder- en jeugdboeken

Aanbevolen Boeken over Wicca

Boekbesprekingen

Harry Potter en het Vervloekte Kind

Deel 1 en 2

J.K.Rowling, J.Tiffany & J.Thorpe
368 blz. € 19,90
De Harmonie, 2016
ISBN 978 90 76174 94 5

In 2007 voltooide Joanne Rowling de serie boeken over Harry Potter met het zevende deel, Harry Potter en de relieken van de dood. Aan het eind van dat boek gaf ze de verdere levensloop van Harry en de andere personages uit de boeken en leek het zichzelf daarmee onmogelijk te maken ooit nog een achtste deel te schrijven. Tenslotte had ze altijd gezegd dat het zeven delen zouden worden. In 2011 zag de laatste film over het laatste boek het licht en daarmee leek het Pottertijdperk afgesloten.

Niet dus. Op 30 juli 2016 ging in Londen een toneelstuk in première, getiteld Harry Potter and the cursed child. Het script was geschreven door Joanne Rowling, samen met Jack Thorpe, die al veel scripts voor theater, film, televisie en radio had gemaakt. Wat het aandeel van Rowling was en wat de inbreng van Thorpe inhield, is niet onthuld. John Tiffany was de regisseur van het toneelstuk. Op 18 november is de vertaling van het script door De Harmonie uitgegeven. Of er een Nederlandse theatervoorstelling zal komen, is nog niet bekend. Wel heeft Warner Bros de rechten voor een eventuele filmversie gekocht. Het Pottertijdperk is weer open.

Alle reden om sceptisch te zijn over het nieuwe boek. Komt Joanne Rowling terug op haar verzekering dat het bij zeven boeken zou blijven omdat ze nog meer geld en nog meer roem binnen wil halen? Wat heeft ze hier nog aan toe te voegen? Kun je de sfeer van de zeven Potterboeken wel oppakken in een toneelscript? Wordt het niet erg saai, zo’n toneelstuk, als koude douche na de sensationele romans en verfilmingen?

Laat ik er duidelijk over zijn: ik heb het boek ademloos uitgelezen. Een script is iets anders dan een roman, maar dat went snel. Er zijn vier bedrijven met in totaal 75 scènes. Elke scène is boeiend en vlot geschreven en steeds als je denkt te weten waar het naartoe gaat, zorgt de volgende scène voor een onverwachte ontwikkeling in het verhaal. Dat was in de romans ook zo.

Ik ga niet het hele boek verklappen, maar ik kan wel zeggen dat het spelen met tijd een belangrijk thema is. Bepaalde scènes spelen zich af in 1981, andere lijken gesitueerd in 2020, of iets daar tussenin. De hoofdrolspelers gaan soms terug naar het verleden en veranderen daar dingen die zulke afschuwelijke consequenties hebben dat ze verwoed proberen dit weer ongedaan te maken. Met natuurlijk nieuwe gevolgen. Zo is Ron Wezel getrouwd met Hermelien Griffel en hebben ze een dochter, Roos, als het stuk begint. Maar in een andere realiteit zijn ze helemaal niet getrouwd en hebben ook geen dochter. Er is een brok realiteit waarin Harry Potter dood is, maar in het ‘gewone’ leven is hij getrouwd met Ginny en hebben ze drie kinderen.

Laat het over je heenkomen. Laat je verrassen met elke volgende scène. Ik heb bewondering voor de moed waarmee Joanne Rowling het toch redelijk uitgekristalliseerde Potteruniversum op zijn kop zet om in een andere dimensie verder te gaan. Ik heb ook bewondering voor regisseur John Tiffany, die kennelijk de flitsende scènes op het toneel vorm heeft gegeven. Maar daar was ik niet bij. Een aanrader dit boek. (Ko)

Wild geraas (dvd)

Een zoektocht naar de oorsprong van het Sinterklaasfeest

Arnold-Jan Scheer
prijs € 9,99
Arnold-Jan Scheer, 2016

In 2014 publiceerde Arnold-Jan Scheer het boek Zwarte Sinterklazen. Zie onderstaande uitgebreide recensie van het boek. De discussie tussen voor- en tegenstanders van Zwarte Piet is anno 2016 alleen maar heviger en grimmiger geworden.

In november 2016 publiceerde Scheer de dvd Wild Geraas, gebaseerd op zijn ervaringen met Sinterklaasfeesten in heel Europa, de afgelopen 30 jaar. Veel van deze feesten zijn besproken in Zwarte Sinterklazen en in het boek Wild Geraas, dat hij in 2009 publiceerde.

Ik vond het een openbaring om deze feesten nu op dvd te kunnen zien. De tradities rond Sint Nicolaas en Zwarte Piet zijn veel gevarieerder dan de meeste mensen denken. Sommige tradities zijn vrij tam, andere wild en exotisch. Over de Perchten in Oostenrijk had ik al het een en ander gelezen. Indrukwekkend om ze nu in actie te zien. Op het Duitse Waddeneiland Borkum worden vrouwen op hun achterste geslagen met een koehoorn. Niemand neemt daar aanstoot aan, want het brengt vruchtbaarheid over en als je er als vrouw niet van gediend bent, dan blijf je tijdens het feest maar binnen. Dichter bij huis, op Terschelling, is Sunderums een even uitheemse Sinterklaasviering.

Lees mijn recensie van Zwarte Sinterklazen voor een beschrijving van wat je op deze dvd allemaal te zien krijgt. Ik heb er ademloos naar gekeken en ben Arnold-Jan Scheer zeer dankbaar voor deze documentaire. (Ko)

Zwarte Sinterklazen

Over Pieten en ander heidens volk

Arnold-Jan Scheer
192 blz. € 18,-
Papieren Tijger, 2014
ISBN 978 90 6728 304 5

Onderstaande recensie stond al in 2014 op onze site, maar is nog steeds actueel.

In het najaar van 2013 ontstond een discussie over de vraag of Zwarte Pieten, de vaste begeleiders van Sint Nicolaas, als discriminerend voor gekleurde bevolkingsgroepen moesten worden beschouwd. De tegenstanders van Zwarte Piet beweerden dat hij in de 19e eeuw was bedacht, geënt op negerslaven die uit Afrika naar Amerika waren overgebracht. In de Verenigde Staten bestonden al jarenlang groeperingen die zich verzetten tegen wat zij zagen als het belachelijk maken en discrimineren van gekleurde landgenoten, bijvoorbeeld in de Minstrel Shows, waarin blanken hun gezichten zwart maakten en zich, met name in het zuiden van de USA, voordeden als nakomelingen van de negerslaven. In Nederland werd de discussie over Zwarte Piet steeds grimmiger toen Amerikanen zich ermee bemoeiden en de Nederlanders via internet, gezaghebbende dagbladen als The Washington Post en uitzendingen van CNN, van rassendiscriminatie beschuldigden.

Arnold-Jan Scheer, bekend als journalist, theater- en televisiemaker, houdt zich al dertig jaar intensief bezig met het fenomeen Sinterklaas en Zwarte Piet. Hij reisde heel Europa af om zoveel mogelijk varianten van de Sinterklaasviering mee te maken. Hij kwam tot de conclusie dat de feesten overal in Europa al vóór de komst van het christendom gevierd werden en pas later werden gekerstend door Sint Nicolaas, de bisschop van Myra in het huidige Turkije, aan de entourage toe te voegen. Hij maakte over de vieringen de documentaire Wild Geraas, die door de internationale pers werd afgedaan als het goedpraten van rassendiscriminatie. Op 30 oktober 2013 werd Scheer uitgenodigd voor het Grote Zwarte Piet Debat in de Arminiuskerk in Rotterdam. Quincy Gario, de felste woordvoerder van de Anti-Pieten groeperingen, maakte hier ruzie met hem en weigerde ooit nog met hem in een zaal of uitzending te zitten. Uitnodigingen aan Scheer voor televisieprogramma’s als Pauw & Witteman werden een paar dagen later afgezegd omdat men ook Gario aan het woord wilde laten en Gario weigerde met Scheer te praten.

Het getuigt van moed en doorzettingsvermogen dat Scheer nu, terwijl de Pietenoorlog nog in alle hevigheid voortduurt, zijn ervaringen van de afgelopen dertig jaar heeft gebundeld in het boek Zwarte Sinterklazen. Niet alleen dat, het is een briljant boek. Scheer laat ons getuige zijn van zeer uiteenlopende vieringen van het Sinterklaasfeest, vaak onder andere namen gevierd en op een andere datum dan 5 december, maar met de kenmerken die essentieel lijken te zijn voor wat bij ons het Sinterklaasfeest is.

Met talloze voorbeelden laat Scheer zien dat Zwarte Piet op geen enkele manier te beschouwen is als een satire op voormalige negerslaven. Zo zegt hij: “Lang voordat mensen uit onze omgeving donkere Afrikanen hadden gezien, maakten ze hun gezichten al zwart met roet vanwege rituelen die niets met ras of racisme te maken hebben.” (p 36) Alles wijst erop dat deze zwarte wezens de geesten van de doden of bovennatuurlijke wezens vertegenwoordigden die in de winter de gewone wereld bezochten. Ze konden gevaarlijk zijn als je ze wilde wegjagen, maar brachten vruchtbaarheid en goede gaven als ze op de juiste wijze werden geëerd. Elke streek of dorp gaf een eigen invulling aan hoe de geesten er uitzagen, maar nooit waren dat zwarte Afrikanen, ook niet in Nederland. Onze Pieten zijn uitgedost als Moorse edelen uit het Spanje van de zestiende eeuw, niet als slaven. Het zwart maken van de gezichten paste in een traditie die vanuit de oudheid in heel Europa werd gevolgd om de geesten uit te beelden. Vaak hebben de zwarte wezens horens of zijn vermomd als dieren. Tacitus beschrijft rond het jaar 100 hoe de Germanen aan de bovenloop van de Oder hun schilden en lichamen zwart verven om hun Romeinse tegenstanders te imponeren. Dat de Pieten zwart zijn is niet essentieel. Ze komen altijd van heel ver weg en zien er anders uit dan gewone mensen. In Afrika en tijdens winti-rituelen in Suriname, laat Scheer zien, maken de betrokkenen hun gezichten wit om er anders uit te zien.

De Zwarte Pieten zijn nergens, ook niet in ons land, de onderdanige en machteloze dienaars van Sint Nicolaas. De Pieten zijn meestal oppermachtig. Ze doen en zeggen wat niemand anders mag doen of zeggen. In veel kleine dorpen in heel Europa dagen de Pieten omstanders uit. Ze jagen jonge vrouwen op en slaan ze met hun roe omdat dat de vruchtbaarheid zou bevorderen, maar ook omdat ze de baas zijn. De oervorm van het Sinterklaasfeest is voor Scheer: “Aan de kaak stellen, elkaar vermomd de waarheid zeggen, zeg maar satire.”

Scheer kent de wetenschappelijke discussies, bijvoorbeeld over de vraag of Sinterklaas van Wodan is afgeleid of niet, en doet hier ook verslag van, maar het meest fascinerend zijn de beschrijvingen van feesten die hij zelf de afgelopen dertig jaar heeft meegemaakt. Soms in verre landen, maar ook wel op Ameland, waar hij het Sunterklaasfeest, niet te vergelijken met de standaardviering van Sinterklaas, verschillende keren heeft meegemaakt. Het boek is geïllustreerd met tientallen relevante foto's die het betoog ondersteunen.

Ik heb het boek ademloos uitgelezen en kan het iedereen van harte aanbevelen. (Ko)

Er was eens een wens

Amy Sparkes en Sara Ogilvie
32 pag € 14,95
Lemniscaat, 2016
ISBN 9 78904770202

Ergens ver weg in het Dromenbos begint het verhaal over het magisch wensenkind dat voor iedere wens een vervulling vindt.

's Avonds als de wensen binnenwaaien, gaat het wensenkind aan de slag met zijn getover. Hij reist door de nacht en klopt op ruiten met de boodschap: je wens komt uit.

Voor ieder kind laat hij de wensen uitkomen, maar zelf is hij verdrietig en eenzaam en de wensen die hij voor zichzelf heeft, mislukken steevast, tot een meisje 'dank je wel' tegen hem zegt. Niemand had dat ooit eerder tegen hem gezegd.

'Dank je wel', dat is het ingredient dat hij vergeten was in de brouwsels die hij maakte. Hij doet dit ingrediënt erbij in de drie wensen die hij heeft: een draak, een vriendje en te kunnen zweven. Hij roert ze door elkaar en zijn dromen worden werkelijkheid. Hij heeft een draak getoverd die voor altijd zijn vriendje wil zijn en hij kan zweven.

Draken, wensen en hoe die uitkomen: een perfecte combinatie voor een prachtig prentenboek. (Joke)

Astrologische Agenda 2017

Ontwerp en layout Peter Saarloos
192 blz. € 12,50 (gebonden)
ISBN 978 94 6331 801 3 (ringband)
En 192 blz. € 12,50(ingebonden)
ISBN 978 94 6331 800 6
Hajefa, 2016

De afgelopen jaren heb ik met veel plezier de Astrologische Agenda van Uitgeverij Hajefa gebruikt, zoals trouwe lezers van deze rubriek wel weten. Even snel nakijken wanneer zon en maan opkomen en ondergaan, in welk teken de planeten staan en of er een zons- of maansverduistering is. Met deze agenda heb je het altijd bij de hand. Ook staan er zeer interessante artikelen in over een bepaald astrologisch thema.

Dit jaar is het thema Plutoïden.

Eric Francis Coppolino schreef (p 13-27) het artikel Voorbij de sluier: de kleine planeten in de astrologie, uit het Engels vertaald door René Swinkels. Met de kleine planeten, zoals Eris en Borasisi, werkt Coppolino sinds 1994. Interessant voor mensen die zich wat verder in de astrologie willen verdiepen.

Saskia van Vliet schreef (p 135-149) De zoektocht naar geluk: de Plutoïden. Plutoïden zijn planeetjes die zich voorbij de baan van Neptunus bevinden rondom het ruimtelijk bestaansgebied van Pluto. Saskia licht toe: ‘We kunnen er niet meer omheen dat Pluto niet langer op zichzelf staat en deel uitmaakt van een groep. Een genootschap van planeetjes met een gezamenlijk doel: het openbaar maken van kennis die tot voorheen voor velen nog onbewust was. de tijd is er rijp voor.’ (p138) Voor wie hier meer over wil weten publiceerde Saskia het boek De Plutoïden.

De bijdrage van Benjamin Adamah (p 150-163) heet Plutino’s: de radicalen onder de astrologische nieuwkomers. Hij licht toe: ‘Wat precies is een Plutino? Een Plutino is een Kuiper-belt-planeet of planetoïde in 2:3-resonantie met Neptunus (Voor twee omwentelingen om de Zon door een Plutino maakt Neptunus er drie).’ Plutino’s, waarvan er inmiddels 132 ontdekt zijn, moeten niet verward worden met Plutoïden: ‘Een Plutoïde is een ijs-dwergplaneet en enkel Pluto, Eris, Haumea en Makemake zijn als Plutoïden erkend.’ (p 150). Duizelt het je? Koop dat deze agenda en lees er alles over. (Ko)

De agenda is, net als andere jaren, in twee varianten verkrijgbaar: ingebonden en voorzien van een harde kaft, of met een ringband en een buigzame kaft. Waar je de voorkeur aan geeft, is een persoonlijke keuze. De indeling van 7 dagen op 2 bladzijden is voor de meeste mensen voldoende en overzichtelijk. Met het leeslint is de juiste datum altijd snel terug te vinden. Voor wie niet alle astrologische symbolen uit het hoofd kent, worden deze voorin de agenda op een rijtje gezet. Volgend jaar ga ik hem zeker gebruiken. (Ko)

Maanagenda 2017

Ontwerp en layout Peter Saarloos
Teksten Marjanne Hess-van Klaveren
160 blz € 12,50 (ringband)
Hajefa, 2016
ISBN 978 94 633 803 7

Voor wie niet hoeft te weten in welk teken alle planeten elke dag staan, heeft Hajefa ook een wat eenvoudiger agenda: de Maanagenda 2017. Een diepgaande kennis van astrologie is geen vereiste om deze agenda te gebruiken. Een duidelijke uitleg geeft aan hoe je deze agenda optimaal kunt gebruiken.

In de agenda kun je vinden welke dagen gustig zijn voor relaties, geldzaken, tuinieren, schoonmaken of mediteren. Ook kun je lezen wat voor soort voeding je die dag het beste kunt nemen.

In eenvoudige bewoordingen wordt in de inleiding uitgelegd wat de invloed is van de verschillende maanfasen op je bioritme en hoe de maan samenhangt met voeding, gezondheid en het ontplooien van bepaalde activiteiten.

Aan het eind van iedere week staat wat de werking is van de maan in de voor die week geldende zonnetekens. (Ko)

Maankalender 2017

Ontwerp en layout Peter Saarloos
Teksten Marjanne Hess-van Klaveren
736 blz. € 15,95
ISBN 978 94 6331 802 0
Hajefa, 2016

De Maankalender 2017 geeft voor elke dag tips over voeding, relaties, tuinieren en gezondheid. Zo worden voor de voeding vier symbolen gebruikt als aanwijzing welke groenten er gegeten kunnen worden en voor welke gewassen het op een bepaalde dag goed is om in de tuin te bewerken.

Er is een aanduiding van de dagkwaliteit, die aangeeft hoe de buitentemperatuur kan aanvoelen, welke voedingskwaliteit beïnvloed wordt en welk plantdeel die dag extra energie ontvangt. Er worden 24 zonfestivals aangegeven die het zonnejaar in tweewekelijkse termijnen verdelen. De naam van elk zonnefestival, zoals ‘lenteregens’, verwijst naar gebeurtenissen in de natuur.

Door elke dag een blaadje van de scheurkalender te verwijderen, blijf je bij. Elke dag geeft een inleidend stuk waarin je kunt lezen wat je het beste die kunt doen of nalaten. Je bent natuurlijk vrij de adviezen op te volgen of je eigen pad voor die dag te kiezen, maar waarschijnlijk vind je wel bruikbare suggesties. Zoals ook andere jaren is de kalender verzorgd door Marjanne Hess-van Klaveren en Peter Saarloos. Aanrader. (Ko)

The Myth of sacred Prostitution in Antiquity

Stephanie Lynn Budin
366 pag € 41,70
Cambridge University Press, 2008
ISBN 987 0 521 17804-4

Vanaf de 19e eeuw hebben wetenschappers gewijde prostitutie in de Oudheid in het Nabije Oosten voor kennisgeving aangenomen. Aan de tempels van liefdesgodinnen als Inanna, Astarte en Aphrodite waren vrouwen verbonden die ter ere van de godin de liefde bedreven met bezoekers van de tempels. De tempelprostituees werden met de Griekse naam hierodule aangeduid en werden overal in het Nabije Oosten gesignaleerd. In Babylon waren alle vrouwen zelfs verplicht minstens eenmaal in hun leven zichzelf in een tempel te prostitueren en de opbrengsten aan de tempel te schenken. Uitgemaakte zaak, toch? Of niet?

Stephanie Lynn Budin, professor Oude Geschiedenis aan de Universiteit van Pennsylvania, laat in The myth of sacred prostitution in Antiquity zien dat gewijde prostitutie, ook wel tempelprostitutie genoemd, nooit heeft bestaan. Het hele concept van de tempelprostitutie is een wetenschappelijke uitglijder van de eerste orde. Hoe kon dat gebeuren?

De oudste verwijzing naar tempelprostitutie wordt gegeven door Herodotos in boek 1, paragraaf 199, van zijn Historiën, geschreven tussen 430 en 413 v.Chr. In het Nederlands vertaald als Het verslag van mijn onderzoek (1995). Herodotos spreekt er schande van dat vrouwen in Babylon verplicht zijn zich minstens eenmaal in hun leven bij de tempel van Aphrodite aan te bieden aan wie hen maar wil hebben. Door wetenschappers is dit gezien als onomstotelijk bewijs voor het bestaan van tempelprostitutie. Herodotos wordt over het algemeen als betrouwbaar gezien, dus er leek geen reden aan zijn beweringen over Babylon te twijfelen. Latere Griekse en Romeinse auteurs leken het bestaan van tempelprostitutie te bevestigen en de Bijbel liet er ook geen twijfel over bestaan dat de heidense volkeren waar de Israëlieten zich tegen verzetten tempelprostitutie bedreven.

Professor Budin analyseert in haar boek hoe wetenschappers vanaf de 19e eeuw fout op fout hebben gestapeld en zich daarbij gesteund voelden door andere takken van de wetenschap. Ze beaamt dat Herodotos over het algemeen betrouwbaar is, maar maakt aannemelijk dat hij het verhaal over Babylon verzonnen heeft om zijn boek met sensationele ‘feiten’ aantrekkelijker te maken en te laten zien dat de Griekse cultuur ver verheven was boven de barbaren uit het Nabije Oosten. Geen enkele archeologische vondst uit het Babylonische rijk bevestigt de beweringen van Herodotos. Geen enkele auteur uit de oudheid bevestigt zijn verslag. Pas Strabo verwijst hiernaar in zijn Geographica, maar dat is geschreven rond het begin van onze jaartelling, dus meer dan vier eeuwen na Herodotos, en Strabo haalt zijn informatie uit het boek van Herodotos. Toch hebben wetenschappers dit als een bewijs voor tempelprostitutie in Babylon gezien.

Latere auteurs namen, zich baserend op Herodotos en Strabo, tempelprostitutie als een voldongen feit aan. Voor zover deze auteurs zich vaag of onduidelijk uitdrukten, hebben moderne wetenschappers de vage of onbegrijpelijke termen gemakshalve maar vertaald als tempelprostitutie. De Bijbel bevestigde immers dat dit fenomeen bestond en beeldjes van naakte vrouwen of godinnen die hun borsten aanboden pasten in dit plaatje.

Dat de Bijbel tempelprostitutie beschrijft, wordt door professor Budin ontkracht. Hebreeuwse namen van priesters, priesteressen en andere functionarissen in de cultus van een god of godin werden later niet meer begrepen. In de derde eeuw v.Chr. werd het Hebreeuws verdrongen door het Aramees. Joden in Alexandrië spraken Hebreeuws noch Aramees en hadden behoefte aan een vertaling van het Oude Testament in het Grieks. Bij deze vertaling, de Septuagint zijn, uit onwetendheid of met opzet, grote fouten gemaakt. Verwijzingen naar priesteressen werden vertaald als hierodule (tempelprostituee) of porné (hoer). Zo werden woorden als ishtaritu (priesteres van Ishtar) en qedeshah (gewijde vrouw of priesteres) in de Griekse Bijbel tot tempelprostituees. De benaming qedeshim (priesters) werd vertaald als ‘mannelijke prostituees’ of ‘hoerenlopers’.

Tussen 390 en 405 vertaalde Hieronymus de Septuagint in het Latijn, de Vulgaat genoemd. De fouten uit de Griekse versie nam hij over en voegde er vele nieuwe aan toe en zo werden de priesteressen en priesters tot meretrix (hoer) en scortator (schandknaap). Zowel de Engelse Bijbelvertaling als de Nederlandse Statenvertaling gingen uit van de Vulgaat en namen alle fouten over. Tempelprostitutie werd hiermee ten onrechte als herhaaldelijk genoemd in de Bijbel gezien. Gedetailleerde analyses van Budin tonen aan dat de betreffende priesters en priesteressen niets met prostitutie of seksualiteit te maken hadden.

Inscripties in spijkerschrift die in de 19e en 20e eeuw werden gevonden in Oegarit en Fenicië bevatten de oorspronkelijke benamingen van priesters en priesteressen die in de Bijbel in het Hebreeuws waren vertaald. Zo was het Hebreeuwse qedeshah ontstaan uit het Babylonische qadishtu. Maar de wetenschappers bewandelden de omgekeerde weg. Uitgaande van de foutieve Bijbelvertalingen werd qadishtu vertaald als tempelprostituee. En zo was de cirkel weer rond. De ‘bewijzen’ uit alle disciplines bevestigden en versterkten elkaar.

Iedereen zag wel iets in de hypothese van de tempelprostitutie. Hij sloot aan bij ideeën over de superioriteit van het beschaafde westen tegenover het barbaarse Nabije Oosten. Christenen zagen de verheven positie van het christendom tegenover het heidendom hierin weerspiegeld. Moderne heidenen zagen gewijde prostitutie als bewijs voor een samenleving waarin seksualiteit geen doodzonde was, maar een sacrament van de godin.

Ik heb het boek ademloos uitgelezen. Verbijsterend om te zien hoe een schijnbaar solide theorie als een kaartenhuis ineenstort. Ik ben op dit moment bezig onze Encyclopedie van westerse goden en godinnen te illustreren en te herschrijven en ik zal de verwijzingen naar tempelprostitutie in het Nabije Oosten er maar snel uithalen. Daar trap ik niet meer in.

Het gebeurt bijna nooit dat een boek je wereld op haar kop zet. The myth of sacred prostitution in antiquity is zo’n boek. Kan ik iedereen aabevelen. (Ko)

Doreen Valiente Witch

Philip Heselton
357 pag € 24,29
Doreen Valnte Foundation, 2016
ISBN-13 987 0992843069

Doreen Valiente is een spilfiguur in de vormgeving van Wicca. Van 1953-1957 was ze de hogepriesteres van Gerald Gardner en ze heeft veel bijgedragen aan de totstandkoming van het Boek der Schaduwen zoals dat door de meeste Wicca’s wordt gebruikt. Gardner had haar verteld te zijn ingewijd in 1939 in een coven in het New Forest die de tradities van de Oude Religie door de eeuwen heen had doorgegeven. Doreen herkende in de teksten citaten uit de boeken van Aleister Crowley en uit het boek Aradia van Charles Leland, die dus niet zo oud bleken te zijn. Gardner zei haar dat veel rituelen verminkt of slechts gedeeltelijk waren doorgegeven, dus had hij ze zelf maar wat aangevuld. Doreen geloofde hem, maar zei dat Crowley als magiër een slechte naam had en dat Wicca nooit geaccepteerd zou worden als deze religie met Crowley werd geassocieerd.

Gardner daagde Doreen uit dan maar betere teksten te schrijven en dat heeft ze gedaan. Een deel van het Boek der Schauwen is van haar hand, zoals pas jaren later bekend werd. Na groeiende meningsverschillen met Gardner heeft Doreen met hem gebroken en ze bleef op de achtergrond tot ze zelf boeken over Wicca ging publiceren, zoals An ABC of Witchcraft past and present (1973) en Witchcraft for tomorrow (1978).

Na de dood van Doreen in 1999 gingen haar bezittingen die met Wicca en magie te maken hadden over naar John Belham Payne, die jarenlang haar beste vriend was geweest en ook door haar was ingewijd. Payne wilde niet dat de nalatenschap verkocht en verdeeld zou worden en heeft de Doreen Valiente Foundation in het leven geroepen om de bezittingen te beheren en via publicaties en tentoonstellingen aan een groter publiek bekend te maken.

Payne probeerde een biografie over Doreen te schrijven, maar bleef erin steken. Daarom vroeg hij Philip Heselton deze taak van hem over te nemen. Heselton had Doreen slechts eenmaal ontmoet, maar had wel een tweedelige studie over Gardner gepubliceerd en wist met de nalatenschap, waar Payne hem vrij toegang toe gaf, zich grondig in het leven en de geschriften van Doreen in te lezen.

Het resultaat is verbluffend. Heselton slaagt erin de vage figuur van Doreen Valiente tot leven te brengen en aan de lezer te presenteren. Veel feiten waren niet, of alleen in kleine kring bekend. Zo werd algemeen gedacht dat Doreen geboren was als Vlachopoulos, maar dat is de achternaam van de man met wie ze in 1941 trouwde en die nauwelijks een half jaar later op zee verdronk. Doreen was geboren als Doreen Edith Dominy in 1922. Ze werd bekend onder de achternaam van haar tweede echtgenoot, de Spanjaard Casimiro Valiente, met wie ze in 1944 trouwde. Casimiro had geen enkele belangstelling voor Wicca of magie en waarschijnlijk was het geen gelukkig huwelijk, maar Doreen bleef bij hem tot hij in 1972 overleed.

Het boek is vooral interessant voor Wicca’s, die hier veel bekenden zullen tegenkomen. Heselton schrijft helder en overzichtelijk en door hem is de vage persoon Doreen Valiente voor het eerst een vrouw van vlees en bloed geworden, met al haar briljante en soms wat eigenaardige kanten. De interessate foto's vullen de tekst aardig aan. Als je ook maar een beetje geïnteresseerd bent in Wicca, kan ik je dit boek van harte aanbevelen. (Ko)

Toverij en Toveressen

Achtergronden van heksenvervolging in Nederland

Ruud Borman
96 pag € 17,50
Fantastisch Verleden, 2015
ISBN 978 90 824329 0 9

In Toverij en toveressen geeft Ruud Borman blijkens de ondertitel ‘Achtergronden van heksenvervolging in Nederland’. In het huidige Nederland vonden processen tegen heksen vooral plaats in de periode 1550-1700, waarbij ongeveer 250 personen, bijna allemaal vrouwen, als heks op de brandstapel belandden. Aan de onschuld van de meeste slachtoffers twijfelt Borman niet: ‘De inquisitie had de misdaad van hekserij uitgevonden en gebruikte vervolgens martelingen om het eigen gelijk te bewijzen.’ (p 38) Aanbidding van de duivel tijdens heksensabbats was volgens Borman door de inquisitie bedacht en door de vrouwen na folteringen toegegeven.

Dat was algemeen bekend, maar Borman probeert te achterhalen wat er dan wel aan de hand was. Waren alle slachtoffers onschuldig? Of bedreven ze toch wel magie? Of waren ze aanhangers van een oude vruchtbaarheidsreligie? Een interessante zoektocht, waar Borman als archeoloog en historicus nieuwe inzichten had kunnen verschaffen, maar het resultaat valt wat tegen.

Borman geeft een kort overzicht van de oude heidense religies, waarin vruchtbaarheid en de gang door het jaar belangrijke thema’s waren. Maar in de heksenprocessen speelde dit geen rol: ‘Er lijkt geen sprake te zijn van een late afrekening met personen die een heidense traditie van volksgeneeskunst in stand hield.’ (p 39). Daar kan ik mee instemmen. Wel gelooft Borman dat een aantal personen terecht werd beschuldigd van zwarte magie: ‘Uit sommige processen blijkt dat een aantal beschuldigden zich wel degelijk met kwade toverij had beziggehouden en hun kennis had misbruikt om anderen leed aan te doen, ziek te maken of zelfs te doden.’ (p 45) Dat is discutabel. In mijn recensie van Duivelskwartier van Johan Otten (zie hieronder op deze pagina) heb ik aangestipt hoe moeilijk het is de waarheid te achterhalen in wat de vrouwen onder dergelijke gruwelijke omstandigheden toegeven. Borman neemt hun bekentenis kennelijk als vaststaand feit aan.

Borman veronderstelt dat sommige vrouwen hallucinerende middelen gebruikten, zoals moederkoorn en vliegenzwam. In hun visioenen zagen ze ‘een andere wereld’ en door de inquisiteurs werd dat uitgelegd als een bezoek aan een heksensabbat. Het is niet uitgesloten dat dit ooit is voorgekomen, maar enig bewijsmateriaal wordt door Borman niet aangevoerd.

Borman lijkt voor de heksenprocessen voortdurend te aarzelen tussen onschuldige slachtoffers en vrouwen die toch wel ontoelaatbare dingen deden. Over het algemeen zonder dat de inquisiteurs dat merkten: ‘De meeste beoefenaars van magie en toverij hadden de vervolgingen overleeft.’ (p 77). Wat hij dan onder magie en toverij verstaat, wordt uit het boek niet duidelijk. Hij vermeldt het feit dat onderzoekers aan het begin van de 20e eeuw veel aandacht besteedden aan ‘oude volksgebruiken en overleveringen.’ Die volksgebruiken licht hij verder niet toe, hoewel hier de sleutel tot het ontstaan van Wicca (moderne hekserij) halverwege de 20e eeuw te vinden is. In mijn recensie van het boek van Otten heb ik The magical universe van Stephen Wilson genoemd. Borman heeft dat boek niet op zijn literatuurlijst staan en dat is toch wel een gemis. Het bedrijven van magie was niet voorbehouden aan ‘heksen’ of ‘magiërs’, maar werd door iedereen gedaan. Binnen de Wicca zijn die oude volksgebruiken nieuw leven ingeblazen. Hallucinerende middelen en zwarte magie hebben daar geen rol in gespeeld en dat hebben ze m.i. ook niet tijdens de heksenvervolgingen.

Toverij en Toveressen is een interessant boek als je niets weet over heksenvervolgingen in Nederland, maar slaagt er niet in de achtergronden van deze vervolgingen of de band met moderne hekserij duidelijk te maken. Jammer. (Ko)

Kom je dansen, boze heks?

Hanna Kraan (tekst) Annemarie van Haeringen (illustraties) 32 pag € 13,95
Lemniscaat, 2015
ISBN 978 90 477 07288

25 jaar geleden verscheen de eerste verhalenbundel van Hanna Kraan over de boze heks en haar vriendjes in het woud. Ter gelegenheid van dit jubileum koos Annemarie van Haeringen een van de mooiste verhalen om daar het eerste prentenboek over de boze heks van te maken.

De haas, de egel en de uil willen een feest geven waar alle dieren en de boze heks aan mee moeten doen. Iedereen wil meedoen en neemt iets lekkers mee. De uil gaat een feestlied maken en de konijnenkinderen maken muziek.

Maar de boze heks wil niet komen omdat ze druk bezig is met een toverdrank. Op de avond van het feest is ze bijna klaar, maar dan begint de muziek en de heks verliest haar concentratie. Na drie dagen werk is haar toverdrank mislukt.

De heks is ziedend. Ze pakt haar bezem en vliegt naar de open plek in het bos. Fluisterend zegt ze: Die konijnenkinderen tover ik het bos uit, die tafel met lekkers laat ik ontploffen en de dieren verander ik in vliegenzwammen. Dat zal ze leren!

Maar als de dieren hun feestlied voor haar zingen begint de heks mee te dansen. Zoveel vriendelijkheid kan ze ondanks haar gemopper niet weerstaan. Het wordt een feest voor iedereen en de boze heks vergeet haar boosheid.

Een prachtig prentenboek om voor te lezen en samen te bekijken. Aan te raden voor iedereen, niet alleen voor wie van heksenboeken houdt. (Joke)

Pippa en Pelle in de sneeuw

Daniela Drescher
12 pag € 7,50
Christofoor, 2015
ISBN 978 90 6038 681 1

Een nieuw prentenboek van Daniela Drescher. Een kartonboekje om samen te kijken en voor te lezen.

Pippa en Pelle zijn twee kabouterkinderen die op een koude winteravond wakker worden en zien dat het heeft gesneeuwd. Ze gaan buiten spelen en ontmoeten de uil die het door zijn verenpracht niet koud heeft.

Een langskomende ree krijgt kastanjes van ze. Het konijn deelt mee in de wortels voor de neus van de sneeuwpop. Als Pippa en Pelle het koud krijgen, gaan ze op de ski’s terug naar hun warme huisje.

Zoals alle Daniela Drescher prentenboeken (zie mijn recensies elders op deze pagina) een feest om samen met de kleinsten keer op keer te bekijken. (Joke)

Pelles nieuwe kleren

Elsa Beskow
16 pag € 13,95
Christofoor, 2015
ISBN 978 90 6238 139 5

Wie Elsa Beskow is, heb ik uitgebreid beschreven bij mijn recensie van De Kabouterkinderen.

Het boek Pelles nieuwe kleren is door haar geschreven en getekend in 1912. Het vertelt over Pelle die uit zijn kleren is gegroeid. Hij heeft een lammetje wiens vacht alsmaar langer wordt als het dier tot een schaap uitgroeit. Pelle scheert het schaap en vraagt aan zijn grootmoeder om de wol te kaarden. Als Pelle het onkruid voor haar wiedt, wil ze dat wel doen. Zijn andere oma wil de wol wel spinnen als Pelle de koeien wil hoeden.

De schilder heeft de verf die Pelle nodig heeft niet zelf, maar wil hier wel voor betalen als Pelle als tegenprestatie terpentijn wil halen. Van het geld dat hij overhoudt koopt Pelle blauwe verf en verft daarmee zijn wol. Zijn moeder weeft hier een lap van, terwijl Pelle zijn kleine zusje eten geeft. De kleermaker naait de nieuwe kleren en Pelle harkt ondertussen het hooi, brengt hout voor het vuur naar binnen en voert de varkens. ’s-Avonds is zijn pak klaar en Pelle bedankt hiervoor zijn schaap.

Een prachtig geïllustreerd verhaal over samenwerking, meer dan een eeuw geleden in Zweden. De tekeningen komen door het grote formaat (24 x 30 cm) goed tot hun recht. (Joke)

Öland breien

Marja de Haan
108 pag € 24,95
Christofoor, 2015
ISBN 978 90 6238 139 5

Dit boek verhaalt over Öland, een eiland vlak voor de Zweedse kust, en zijn schapen en bevolking.

Marja de Haan werd gegrepen door de bijzondere eiland. Ze begon met een klein breiwinkeltje in Driebergen in de provincie Utrecht, Trollenwol geheten. Inmiddels is de winkel een succes geworden en allang niet zo klein meer.

Jaren geleden wisten de inwoners van Öland niet wat ze met de wol aan moesten. Breien was immers totaal uit de tijd. De wol werd verbrand door de schapenboeren. Nu wordt de wol weer gebruikt door breisters over de gehele wereld. Dankzij het Ullcentrum werd de wol verzameld en gesponnen of vervilt. Een prachtig natuurproduct in vele subtiele kleuren in warme tinten is hiervan het resultaat.

In dit boek staan foto’s en patronen om met deze wol te breien: shawls, truien, vesten, wanten, een babydeken of I-pad hoes. Alles gebreid op de rondbreinaald volgens de traditionele methode. Prachtige foto’s en duidelijke patronen voor de liefhebbers van traditionele motieven in breiwerk. Warm aanbevolen. (Joke)

Brei ze!

Breien voor groot en klein

Marja de Haan
88 pag € 24,95
Christofoor, 2015
ISBN 978 90 6238 750 4

Dit boek is heel geschikt voor de beginnende breister. Marja de Haan vertelt over haar wens om te leren breien. Haar moeder vond dit geen goed plan. Te gevaarlijk die pennen met die scherpe punten. Een tante leerde het haar met theelepeltjes.

Marja schrijft ook over schapen en hun bijzondere vacht. Alleen een schaap levert wol.

Met duidelijke foto’s en uitleg laat ze zien hoe je kunt breien. Hierna legt ze uit hoe je een pop kunt breien en in elkaar kunt zetten en hoe je met één patroon een heleboel verschillende poppen en hun kleertjes kunt breien.

Hierna komen truien aan de beurt. Heel simpele truien, alleen in ribbels gebreid. Echt voor beginners dus. Dit patroon is te gebruiken van klein tot groot, voor meisjes, jongens, mannen en vrouwen. Dat dit er leuk uit kan zien, bewijzen de foto’s van de truien en hun dragers. (Joke)

Duivelskwartier

Johan Otten 438 blz € 24,50 (ringband)
Vantilt, 2015
ISBN 978 94 6004 2447

Dat de heksenvervolgingen van de zestiende en zeventiende eeuw een zwarte bladzij in de Europese geschiedenis zijn, daarover is iedereen het wel eens. Naar de schatting van moderne historici werden 40.000 tot 60.000 personen, meest vrouwen, terechtgesteld. In zijn boek Duivelskwartier richt Johan Otten zich op een heksenjacht in de Peel in 1595, waarbij 23 vrouwen op de brandstapel belandden wegens beschuldigingen van zwarte magie en omgang, ook in seksueel opzicht, met de duivel. Op zich een klein fragment van de totale heksenvervolgingen, maar Otten weet aan de hand van bewaard gebleven documenten deze gruwelijke periode uit de geschiedenis op een ongekende manier tot leven te brengen.

De conclusie van Otten dat er geen steekhoudend bewijs is voor het bestaan van ‘een criminele organisatie van toverkollen’ in de Peel in 1595 zal niemand verbazen, maar toch werden 23 vrouwen op grond van deze overtuiging verbrand. Wat me altijd heeft geïntrigeerd is: hoe heeft dit kunnen gebeuren? Een aantal factoren liggen voor de hand. Vrouwen die zich uitzonderlijk gedroegen of zich anders kleedden dan hun dorpsgenoten werden achterdochtig gadegeslagen en alles wat er misging in het dorp – een oogst die mislukte, een dier dat verongelukte, een kind dat ziek werd en overleed – werd aan de zwarte magie van zo’n vrouw toegeschreven. Na op gruwelijke wijze te zijn gemarteld, werd vrijwel elke vrouw wel bereid gevonden alles te bekennen wat de autoriteiten maar wilden horen. Wie later de bekentenis introk, werd opnieuw gemarteld tot elke weerstand wel was gebroken. De vrouwen waren bereid anderen te noemen die eveneens een pact met de duivel hadden gesloten. Op hun beurt bekenden deze vrouwen onder marteling niet alleen hun eigen schuldigheid, maar ook de namen van nieuwe verdachten.

Dit sneeuwbaleffect van beschuldigingen en veroordelingen was natuurlijk al langer bekend, maar Otten weet duidelijk te maken waarom de sneeuwbal soms voortrolde, van het ene dorp naar het andere, en waarom die uiteindelijk tot stilstand kwam. Het begon allemaal in Cranendonck, waar Margriet Brycken op 14 juni 1595 een aanklacht indient wegens smaad omdat ze het opgeslagen graan van haar buurman zou hebben betoverd, zodat het bedorven is. Voor haar aanklacht komt ze terecht bij Hendrik Hovelmans, de drossaard van Cranendonck. Hij is hoofd van justitie en aanklager in criminele zaken. De getuigen die Margriet oproept om haar onschuld te bewijzen laten haar echter vallen. Margriet is een zonderling voor wie ze hun reputatie niet op het spel willen zetten. De aanklacht wordt afgewezen. Hovelmans vermoedt dat Margriet niet zo onschuldig is. Hij neemt haar gevangen en vraagt aan de schepenen van Cranendock toestemming haar aan een ‘scherpe examinatie’ te onderwerpen om de waarheid aan het licht te brengen. Die toestemming krijgt hij. De scherpe examinatie is een martelmethode, waarbij vooral het optakelen aan de achter de rug samengebonden polsen, zonodig verzwaard met gewichten aan de voeten, populair is. Heylken, de twaalfjarige dochter van Margriet, wordt ook ondervraagd. Met de levendige fantasie van een puber bekend Heylken dat haar moeder haar spreuken heeft geleerd om te toveren. Ze zegt dat haar moeder zichzelf en haar insmeerde met zalf voordat ze samen naar duivelse bijeenkomsten vlogen. Er is geen houden meer aan. Margriet bekent onder marteling wat haar dochter ook vertelde en nog veel meer. De duivel had meermalen geslachtsgemeenschap met haar en droeg haar op gewassen, dieren en mensen te betoveren. Hovelmans neemt de vrouwen gevangen die door Margriet en Heylken zijn beschuldigd van medeplichtigheid. Anna van Os blijft ondanks de martelingen ontkennen en wordt vrijgelaten, maar zal fysiek nooit meer helemaal genezen. Hendricxken Delelyen pleegt zelfmoord in haar cel. Op 6 juli 1595 worden Margriet, Heylken en een derde vrouw op de brandstapel gezet.

Dan verplaatst de affaire zich naar omliggende dorpen, waar vrouwen als medeplichtigen genoemd zijn. In Leende, Heeze en Geldrop worden in september en oktober 1595 vijf vrouwen levend verbrand. In Mierlo is Erasmus van Grevendonck de heer van de stad. Op 18 september 1595 weet hij vijf vrouwen op de brandstapel te krijgen. In Lierop, dat ook onder zijn verantwoording valt, worden op 25 september 1595 zeven vrouwen verbrand.

De vrouwen hebben geen middelen om zich te beschermen tegen de beschuldigingen. Griet Mijnsheeren in Lierop is negentig jaar en dement, maar wordt ook zonder een bekentenis verbrand. Toch kunnen de plaatselijke autoriteiten niet onbeperkt hun gang gaan. Bernard van Merode is pas vier maanden heer van Asten als hij probeert heksen in zijn domein veroordeeld te krijgen, maar hij ontmoet veel weerstand bij de plaatselijke bevolking en bij Van ’t Sestich, procureur-generaal van de Raad van Brabant, die probeert de bevoegdheid voor dergelijke processen te leggen bij een hogere autoriteit als de Raad van Brabant. De omstreden waterproef, waarbij de beschuldigde met handen en voeten gebonden in het water werd gegooid, werd door de Raad verboden. Als de persoon bleef dreven, werd de schuld bewezen geacht. Als de persoon zonk, werd deze snel omhooggehaald. Alle beschuldigde vrouwen bleven drijven. Van Merode zag zich gedwongen zijn gevangenen te laten gaan, maar probeerde nog wel ze veel geld te laten betalen voor hun vrijlating.

Uiteindelijk zijn de heksenprocessen in de Peel gestopt, maar geen van de plaatselijke autoriteiten is gestraft voor de terechtstellingen en ze bleven allemaal gewoon in functie.

Wat mij intrigeert in de door Otten genoemde verslagen is de impact die de processen op de vrouwen had. Sommigen bezworen nog op de brandstapel hun onschuld, maar anderen leken, murw gemaakt, overtuigd van de waarheid van hun wandaden. Veel bekentenissen zijn onder foltering en ingefluisterd door de beul of drossaard tot stand gekomen, maar vaak lijken de vrouwen vrijwillig nadere informatie te hebben vertrekt in een poging hun wandaden een beetje goed te maken. Dat de plaatselijke autoriteiten overtuigd waren van het bestaan van helse samenzweringen is duidelijk. Ook Erasmus van Grevendonck, hoe wreed hij ook optrad, was ervan overtuigd het goede te doen. Toen hij lichamelijke problemen kreeg, weet hij dit aan betovering door een van de gevangenen en liet zich door haar onttoveren. Er zijn meer voorbeelden in de Peel van onttoveren met instemming van de autoriteiten.

Wat helaas ontbreekt in het boek is de rol van volksmagie. In The magical universe: everyday ritual and magic in pre-modern Europe (2003) maakt Stephen Wilson duidelijk welke rol volksmagie door de eeuwen heen op alle gebieden van de samenleving heeft gehad. Otten stipt even aan dat rituelen en bezweringen door katholieke priesters vaak maar weinig verschillen van de door leken gebruikte spreuken, maar laat het daarbij. Ook de rol en functie van magie, los van demonische samenzweringen, komt niet aan de orde. Een beetje neerbuigend spreekt hij over ‘magiërs die vroeger in herbergen het verzamelde volk verbijsterden’ en nu ‘voor een miljoenenpubliek in populaire tv-programma’s boodschappen van doden overbrengen aan geëmotioneerde nabestaanden.’ (p 379) Dat zijn volgens mij geen magiërs, maar paragnosten, spiritisten of zwendelaars. Van moderne magiërs heeft Otten kennelijk geen weet. Ook van ‘wicca, gepresenteerd als op oude inzichten en rituelen gebaseerde natuurreligie’ (p 379) heeft hij duidelijk geen hoge pet op en dat had hij beter buiten beschouwing kunnen laten.

Al met al een zeer waardevol boek met een unieke blik in de wereld van de heksenvervolgingen anno 1595. Een aanrader. (Ko)

Wiccan Rede Zomerboek

Diverse auteurs
93 blz. € 10,-
Silver Circle, 2015

Wiccan Rede is een tijdschrift dat van 1980 tot 2010 driemaandelijks is verschenen, deels in het Nederlands, deels in het Engels. Daarna is de papieren versie vervangen door Wiccan RedeOnline, te bekijken via www.wiccanrede.org.

Voor het eerst sinds 2010 is Wiccan Rede nu weer in een papieren versie verschenen, weliswaar eenmalig (?), maar wel in de vorm van een extra dik Zomerboek. De doelstelling van Wiccan Rede was en is ‘om nuttige informatie, overdachte gezichtspunten, gedegen onderzoek en vakkennis, beheerste stellingnames, heldere antwoorden, nieuws, hot items, aankondigingen, en zinvolle discussies te brengen over alles wat met Wicca te maken heeft.’

Het boek opent met een uitgebreid interview met Morgana door Jana. Morgana is samen met Merlin de oprichter van Wiccan Rede geweest en heeft door de jaren heen hier veel artikelen aan bijgedragen. De laatste jaren is ze vooral actief in het propageren van de Pagan Federation International in heel Europa. Het interview in het Zomerboek richt zich vooral op de verschillende facetten van Wicca en de ontwikkeling van deze religie in de afgelopen 70 jaar. Interessant als eerste kennismaking met deze religie en ook door de wol geverfde heksen zullen het met belangstelling lezen. Jana is een geroutineerd interviewster die vanaf het begin veel artikelen aan Wiccan Rede heeft bijgedragen. Vooral haar verslag van wat de media de afgelopen drie maanden over hekserij hadden geschreven, vond ik altijd zeer informatief.

Overeenkomstig de Wiccan Rede-doelstelling belicht het Zomerboek Wicca vanuit verschillende invalshoeken. Er is aandacht voor de film 35 jaar Wicca in Nederland die in de loop van 2015 op dvd zal worden uitgebracht. Verschillende Wicca’s zijn geïnterviewd voor deze 1,5 uur durende documentaire. Een mooi initiatief.

Verschillende auteurs belichten aspecten die met Wicca te maken hebben. Zo schrijft Jana een stukje over het element vuur en laat Serge van Heel zijn gedachten gaan over Midzomer in relatie tot magie en psychotherapie. Recepten voor eten en drinken bij de feesten ontbreken niet. Rhianne geeft geleide visualisaties voor de zomer, een voor buiten op een zomerse dag, een voor binnen als het weer wat minder is. In Wicca voor dummies geven Rhianne en Jana toelichtingen over Wicca voor mensen die hier vrijwel niets van weten. Yoeke Nagel geeft in Magisch schrijven aanwijzingen hoe je je intuïtie kunt stimuleren om iets op te schrijven over een mooie of magische plek. Anne geeft in Er was eens… een stadsheks een sprookje over een stadsheks die in een andere tijd terechtkomt en daar hekserij vanuit een andere invalshoek leert kennen. Als ze weer terug is in haar eigen tijd, blijkt ze het contact met die andere dimensie toch niet helemaal verloren te zijn.

Midzomer is alweer voorbij. In Voorbereiding op Lughnasadh geeft Jana aanwijzingen hoe je je kunt voorbereiden op Lammas.

Niet rechtstreeks verband houdend met Wicca, maar wel interessant is het artikel van Morgana over de begijntjes in de Begijnhof in Amsterdam. Altijd een mooie plek om even te verblijven als je in Amsterdam bent.

Het zomerboek is te bestellen via www.silvercirle.org. Doe het snel, want voor je het weet is Lammas ook weer voorbij. Al komt er volgend jaar weer een nieuwe zomer. (Ko)

De Duivel

Philip Almond
280 blz. € 22,90
Meinema, 2015
ISBN 978 90 21143798

Het nieuwste boek van Philip Almond, De duivel, kan ik in één woord samenvatten: briljant. Almond is emeritus hoogleraar Religie van de Universiteit van Queensland, Australië, en een deskundige op het gebied van demonen in de joods-christelijke traditie. Hij bezit het talent om gecompliceerde vraagstukken en controverses in een paar zinnen glashelder samen te vatten.

De belangrijkste bronnen voor de betekenis van de duivel en demonen zijn niet de verwijzingen in het Oude en Nieuwe Testament, maar de uitleg hiervan in publicaties die vanaf de 5e eeuw v. Chr. toonaangevend zijn geweest.

Een voorbeeld is de tekst in Genesis 6: ‘De zonen van de goden zagen hoe mooi de dochters van de mensen waren, en ze kozen uit hen de vrouwen die ze maar wilden… In die tijd en ook daarna nog, zolang de zonen van de goden gemeenschap hadden met de dochters van de mensen en kinderen bij hen kregen, leefden de giganten op aarde. Dat zijn de befaamde helden uit het verre verleden.’ Dit is de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 2004. In de Statenvertaling van 1619 wordt niet gesproken over ‘de zonen van de goden’, maar over ‘Gods zonen’. De vertaling van het Nederlandsch Bijbelgenootschap uit 1961 spreekt nog van ‘de zonen Gods’. Een vertaling is al een interpretatie. Wie zijn de zonen van de goden? En wie zijn de goden? Is het God of zijn het andere wezens? En wie zijn de giganten? De Bijbel spreekt zich er niet over uit.

Het Eerste Boek van Henoch, geschreven ergens tussen de 4e en de 1e eeuw v. Chr., ziet de Zonen van God als engelen die door God zijn geschapen, maar tegen hem in opstand komen in de tijd van Noach. Het boek Jubileeën, geschreven rond 150 v. Chr., zegt dat de engelen door God op de eerste dag zijn geschapen. Daar laat de Bijbel zich niet over uit. Die eerste dag wordt alleen het Licht geschapen. De christelijke schrijver Justinus Martyr stelde in de 2e eeuw dat de heidense goden demonen waren geweest en demonen zag hij als de gevallen engelen.

Almond bespreekt nog veel andere geschriften uit de vroege middeleeuwen. De engelen komen in opstand tegen God, aangevoerd door Satan, die ook andere namen heeft, zoals Lucifer of Beëlzebul. De Septuagint, de Griekse Bijbelvertaling, vertaalde Satan als Diabolos, waarvan via het Latijnse Diabolus ons woord duivel is afgeleid. In de oudste geschriften, de Bijbel daarbij inbegrepen, is de duivel enerzijds een dienaar van God, die zijn opdrachten uitvoert, anderzijds zijn tegenstander, die door hoogmoed gelijk wil worden aan God, wat tot zijn val leidt, samen met de engelen die zich door hem hadden laten meeslepen. Die paradox in het wezen van de duivel is nooit opgelost. De val van de engelen wordt soms in de tijd van Noach gesitueerd, soms op de eerste scheppingsdag.

In de middeleeuwen en de renaissance kregen de duivel en de demonen een grotere betekenis dan ze ooit gehad hadden. Paus Johannes XXII (1316-1334) droeg de inquisiteurs op om op te treden tegen demonische magie. Het oproepen van demonen om iets van ze gedaan te krijgen en het sluiten van een verbond met de duivel werden gezien als een groot gevaar dat besteden diende te worden. Het in de 15e eeuw door een geestelijke geschreven Münchener Handboek noemt 189 demonen die in magie zouden worden opgeroepen.

In de renaissance probeerden geestelijken en geleerden vaak een onderscheid te maken tussen demonische magie (oproepen van demonen) en natuurmagie (gebruik maken van natuurkrachten). Het onderscheid werd vertroebeld omdat veel geestelijken stelden dat magie altijd gebruik maakte van demonen en dat ook natuurkrachten onder het domein van de duivel vielen. Sommigen gingen ervan uit dat magiërs demonen beheersten, terwijl heksen door demonen werden misbruikt, figuurlijk en letterlijk. Almond noemt de periode 1550 tot 1700 ‘de gouden eeuw van de demonische bezetenheid’. Dit leidde tot de heksenvervolgingen, waarbij talloze onschuldige slachtoffers, meest vrouwen, op de brandstapel of aan de galg hun leven eindigden.

Een favoriete zondebok, naast heksen, was de antichrist. Meestal werd de antichrist gelijkgesteld aan het Beest dat in de Openbaring van Johannes wordt genoemd. Koningen als Herodes en Nero werden als antichrist geboekstaafd, maar elke willekeurige tegenstander voldeed. Voor de protestanten was de paus de antichrist. Protestanten en katholieken waren het erover eens dat Joden en moslims als antichrist bestreden dienden te worden.

In de 18e eeuw leidde het rationalisme tot de opvatting dat demonen en magie als bijgeloof moesten worden beschouwd. Wat niet binnen de wetenschap verklaard kon worden, bestond niet.

Het boek van Almond is het beste dat ik over dit onderwerp gelezen heb. Het zet veel zaken die me deels bekend waren in een duidelijk perspectief en laat zien hoe de opvattingen over de duivel en demonen onze wereld tot de huidige dag hebben beïnvloed. Jammer vind ik wel dat Almond magie vooral binnen het kader van de demonologie plaats. Toen het geloof in de alomtegenwoordige demonen verdween, was voor hem de essentie van het geloof in magie verdwenen. Almond onderschat het algemene geloof in en gebruik van magie in volksgebruiken en overschat de invloed die geestelijke leiders hierop gehad hebben. In The Magical Universe – everyday ritual and magic in pre-modern Europe (2000) doet historicus Stephen Wilson hier uitgebreid verslag van. Het is niet de essentie van een boek over de duivel, maar Almond had in een paar zinnen de volksmagie in het juiste perspectief kunnen plaatsen. Dat heeft hij niet gedaan. Het boek van Wilson ontbreekt in de zeer uitgebreide literatuurlijst.

Ook jammer is het ontbreken van een alfabetisch register. Het boek van Almond is echt een naslagwerk waarin je even snel een bepaald onderwerp of een bepaalde persoon wilt opzoeken. Misschien een idee voor een volgende druk. Al met al een meer dan lezenswaardig boek dat ik iedereen van harte kan aanbevelen. (Ko)

De Zwarte Madonna van Oer- tot Eindtijd

Annine van der Meer
261 blz. € 34,95 (kleur)
Zwart-wituitgave € 22,95
Academie Pansophia, 2015
ISBN 978 90 82031317

De Zwarte Madonna is een fenomeen dat me altijd heeft geïntrigeerd. Waarom is Maria soms afgebeeld met een donkere of zelfs zwarte huidskleur? De Bijbel geeft hier geen enkele aanwijzing voor en haar zoon Jezus is blank, niet gekleurd. Het nieuwe boek van godsdiensthistoricus en symbooldeskundige Annine van der Meer, De Zwarte Madonna van Oer- tot Eindtijd,, was dan ook iets waar ik naar uitkeek. Ik kende Annine van haar boeken Van Venus tot Madonna (2006), Venus is geen vamp (2009) en Van Sophia tot Maria (heruitgave 2015) en ik was benieuwd of ze een verband zou leggen tussen de Zwarte Madonna’s en heidendom.

In het boek maakt Annine een onderscheid tussen ‘Maria van de theologen’ en ‘Maria van het volk’: ‘Deze “Volks-Maria” is veel ouder en zij toont vaak een donker gelaat. De “volkse” Maria vindt men volgens de Zwitserse landschapsmytholoog Kurt Derungs bij bronnen, meren, rivieren, stenen, bomen, bergen en grotten van het land en in de verhalen daarover.’ (p 32).

Kleuren hebben een symbolische betekenis. Bij de Zwarte Madonna’s in de 12e eeuw domineren vaak zwart en rood: ‘De kleur zwart staat voor regeneratie en opstanding. De kleur rood voor volle vruchtbaarheid.’ (p 42). Zwart is ook de kleur van de aarde, waarmee de godinnen in de oudheid vaak verbonden werden. Als voorbeelden verwijst Annine naar Isis, Artemis, Kybele en Aphrodite, die soms met een zwarte huidskleur werden afgebeeld. Van Artemis geeft ze een foto van het beeld in het museum van Napels (p 40). Dat beeld staat ook in Van Venus tot Madonna (p 141) en er zijn er meer bewaard gebleven. Zo fotografeerde Joke in 2006 een Zwarte Artemis van Efese in de Capitolijnse Musea in Rome. Het gezicht, de handen en de voeten zijn pikzwart. De rest van het beeld is van wit marmer. Zie de foto rechts.

In het boek legt Annine de nadruk op de romaanse Zwarte Madonna’s uit de elfde, twaalfde en dertiende eeuw in Frankrijk. Veel details over de vindplaatsen en volksgebruiken geven aan dat het volkse Madonna’s zijn, die de kerk noodgedwongen maar heeft geaccepteerd, hoewel de theologen vanaf de vroege middeleeuwen liever een blanke, hemelse Madonna benadrukten.

Er zijn naar schatting zo’n 450 Zwarte Madonna’s bewaard gebleven. Hiervan bevinden er 302 zich in Frankrijk. De nadruk in dit boek op Frankrijk is dan ook gerechtvaardigd, maar waarschijnlijk ook wel ingegeven door het feit dat de fotografen Jaap Craamer en Diny Craamer-Veer heel Frankrijk afreisden op zoek naar Zwarte Madonna's en de andere landen links lieten liggen. Zo wordt van Montserrat alleen een foto van de berg getoond en van de beroemde Zwarte Madonna gezegd: ‘Men moet hier in de zomer om de Zwarte Madonna van Montserrat enkele seconden te zien drie uur in een rij staan.’ (p 157) Dat klopt, maar een beetje madonnaloog weet toch wel een van de vele kopieën in Spanje op te sporen. In de kathedraal van Barcelona staan er zelfs twee, die Joke fotografeerde toen we daar in 2010 waren. De rechter staat bekend als Santa Maria del Mar.

Het boek is een goudmijn voor romaanse Zwarte Madonna’s in Frankrijk uit de periode 1000-1250. Alleen dat is al een reden om het boek aan te schaffen. Voor de Zwarte Madonna’s buiten Frankrijk is nog wel wat werk te doen. Ook blijft wat onduidelijk waarom de zwarte godinnen vanaf de tweede eeuw niet meer worden afgebeeld, terwijl de Zwarte Madonna’s pas 800 jaar later opduiken, in een periode dat heel Europa door en door christelijk is geworden. Waarom ontbreken ze in de tussenliggende eeuwen? Het is een feit dat heidense elementen vanaf de vroege middeleeuwen in het christendom zijn opgenomen. Verering van bronnen, grotten en heilige plaatsen in het bos is blijven bestaan, vaak tot op de huidige dag. Maar de zwarte godinnen van de oudheid waren niet bekend in de middeleeuwen. Die zijn pas in de renaissance herontdekt en dus niet als voorbeeld gebruikt in de tiende eeuw. Annine probeert aan te tonen dat de verering van Maria Magdalena essentieel is geweest voor het ontstaan van de Zwarte Madonna’s in de elfde eeuw, maar ze heeft me in dat opzicht niet kunnen overtuigen. De betekenis van Maria Magdalena werd pas duidelijk uit de Nag Hammadi-geschriften en andere documenten, maar die zijn in de eerste eeuwen van onze jaartelling verdwenen en pas in de twintigste eeuw teruggevonden. Die kennis zou dus duizend jaar door het gewone volk zijn doorgegeven. Dat is op zijn zachtst gezegd niet waarschijnlijk.

Al met al een zeer waardevol boek over het fenomeen van de Zwarte Madonna in de romaanse periode met vele prachtige foto’s. Er blijven genoeg vragen over dit onderwerp bestaan, maar dat houdt het mysterie juist zo boeiend. (Ko)

The Mahabharata

John D. Smith
904 blz. € 26,99
Penguin, 2009
ISBN 9780140 446814

Onze recensies betreffen meestal Nederlandstalige boeken die kort geleden zijn verschenen of herdrukt. Voor twee klassieken uit de Indiase literatuur wil ik een uitzondering maken.

De Mahabharata is ontstaan tussen 400 v.Chr. en 400 na Chr. In die periode hebben talloze auteurs teksten toegevoegd of bewerkt. Het epos heeft een gigantische omvang van 100.000 verzen van elk twee regels. Dat is zeven keer de Ilias en de Odyssee samen. Omdat veel mythen uit het hindoeïsme aan dit epos zijn ontleend, wilde ik het wel graag lezen, maar liever niet de volledige tekst. Ik koos dus voor de verkorte uitgave in de vertaling van John Smith voor de Penguin Classics (2009), toch nog 900 pagina’s met kleine letters.

Smith baseerde zich op de zogeheten Bombayversie van 67.314 verzen in 18 delen die als authentiek worden beschouwd. Hij heeft ervoor gekozen een deel letterlijk in proza te vertalen en de rest in samenvattingen te geven. De helft van het boek is een vertaling van 11% van de tekst. De rest geeft per hoofdstuk een samenvatting.

Het epos beschrijft de strijd tussen de Pandava’s, afstammelingen van verschillende goden, en de Kaurava’s, afstammelingen van demonen. Al lezende kwam ik erachter dat de vertalingen van Smith eindeloze beschrijvingen van bloederige veldslagen betreffen, terwijl de mythen kort zijn samengevat. Als criterium voor de keuze tussen vertaling of samenvatting geeft Smith dat hij vertalingen geeft van hoofdstukken die “seem likely to make for enjoyable reading, whether because they represent narrative high points, or because they are particularly vividly told”. Kennelijk heeft hij een andere opvatting van prettig leesbaar dan ik. Slachtpartijen en verminkingen van vele miljoenen slachtoffers worden in de kleinste details beschreven in deze wat erg zwart-wit voorgestelde strijd tussen goed en kwaad. De fascinerende mythe in het eerste deel, hoe de vogelgod Garuda uit een ei geboren wordt en op zijn eentje de hemel bestormt om de goddelijke nectar te bemachtigen, tot de god Vishnu hem weet over te halen zijn rijdier te worden, belandt in de samenvattingen. De uitleg van Krishna in boek 14 over de vijf elementen en de drie kwaliteiten die de kosmos vormgeven, wordt in een paar korte zinnen afgedaan. Vrijwel alle mythen ondergaan dit lot.

Ramayana

C. Rajagopalachari
490 blz. € 15,45
Bharatiya Vidya Bhavan, 2014
ISBN 978 81 7276 482 1

Met bange voorgevoelens begon ik aan de Ramayana, die immers eveneens een strijd tussen goed en kwaad beschrijft. Het pakte anders uit.

Volgens de overlevering is de Ramayana geschreven door de ziener Valmiki die de oude verhalen en mythen in 24.000 verzen van elk twee regels vorm gaf. Wanneer Valmiki geleefd zou hebben is niet bekend. Schattingen lopen uiteen van 500 v. Chr. tot 200 na Chr. De originele tekst van Valmiki is niet bewaard gebleven. Van de circa 2000 bewaard gebleven manuscripten dateert de oudste uit de tiende eeuw. De geleerden zijn het erover eens dat de bestaande teksten veel latere wijzigingen en toevoegingen bevatten.

Uit India bracht Joke een uitgave van de Ramayana mee waarin Chakravarti Rajagopalachari het epos in zijn eigen bewoordingen navertelt. Rajagopalachari, meestal aangeduid als Rajaji, was een medewerker van Mahatma Gandhi en vervulde belangrijke regeringstaken, waaronder Minister van Binnenlandse Zaken van India. In 1951 werd het boek uit de Tamiltaal in het Engels vertaald en na 54 herdrukken zijn er in 2014 1,3 miljoen exemplaren van verkocht. In Zuid-India is de Ramayana veel populairder dan de Mahabharata. In 1972 is Rajaji overleden op 94-jarige leeftijd.

De Ramayana beschrijft de lotgevallen van koning Dasaratha die in een ver verleden over India zou hebben geheerst. Wetenschappers betwijfelen de historische achtergrond, maar voor Hindoes in het zuidelijk deel van India is het de geschiedenis van hun volk. Dasaratha had bij zijn drie vrouwen vier zonen: Rama, Bharata, Laksmana en Satrughna. De koning is oud en besluit zijn kroon over te dragen aan zijn oudste zoon Rama. Kaikeyi, de moeder van Bharata, had in het verleden het leven van de koning gered en hij had haar twee wensen toegestaan, die ze nu uit. Ze wil dat hij Bharata tot koning maakt en Rama voor veertien jaar naar het woud verbant.

De koning staat voor een dilemma: Moet hij zijn belofte breken en zo zijn eer verliezen? Of moet hij haar wensen inwilligen en zo het recht op de troon van de oudste zoon opzij schuiven? Ook dan verliest hij zijn eer. Het onvoorwaardelijk toestaan van wensen die vervolgens tot rampspoed leiden is een bekend thema in Indiase mythen. Waar de Mahabharata voortdurend blijft steken in de goede daden van goede wezens, waarmee de lezer zich kan identificeren, en de slechte daden van slechte wezens, waartegen de lezer zich kan afzetten, toont de Ramayana op indringende wijze de dilemma’s waarvoor het leven ons voortdurend plaatst.

Dasaratha ziet zich genoodzaakt de wensen van Kaikeyi in te willigen. Hij verbant Rama en staat zijn koninkrijk af aan Bharata. Iedereen raadt Rama, die populair is onder het volk, de kroon met geweld te grijpen en Bharata te verbannen, maar Rama is een goed mens en respecteert de eis van zijn vader. Zijn vrouw Sita en zijn broer Laksmana gaan vrijwillig met hem mee naar het woud. Bharata, die elders vertoefde toen zijn vader besloot hem zijn koninkrijk te geven, wordt naar de hoofdstad gehaald. Maar Bharata is een goed mens en weigert zijn broer diens recht op de troon te ontnemen. Hij gaat naar het woud en vraagt Rama terug te komen en de kroon te aanvaarden. Maar Dasaratha is inmiddels van ellende gestorven en Rama weigert tegen de wens van zijn overleden vader in te gaan. Als compromis wordt besloten dat Bharata uit naam van Rama zal regeren tot die terug zal komen.

Rama is geen gewoon mens. Hij is een incarnatie van de god Vishnu, hoewel hij daar zelf pas later achter komt. Van Vishnu heeft hij bijzondere gaven geërfd, maar als mens heeft hij zijn beperkingen en kan niet alles naar zijn hand zetten. Wel kan hij als mens naar het goede streven en dat doet hij ook, maar vaak heeft hij anderen nodig om hem hierbij te helpen.

In het woud leven vele rishi’s, zieners die door hun ascetische levenswijze over bepaalde krachten beschikken, waar soms zelfs de goden voor moeten wijken. De rishi’s worden vaak aangevallen door rakshasa’s, demonen die de rishi’s opeten als ze de kans krijgen. Een van de rishi’s weet van Rama de belofte los te krijgen dat hij de rakshasa’s zal doden of verdrijven. Sita betreurt zijn besluit en zegt dat hij in het woud als een asceet zou leven en niet als een strijder. Rama moet haar gelijk geven, maar belofte maakt schuld en samen met Laksmana weet hij grote groepen rakshasa’s te doden, zodat de rest op de vlucht slaat. Dit wekt de woede van Ravana, de koning van de Rakshasa’s. Door Rama en Laksmana weg te lokken, weet Ravana Sita te ontvoeren en mee te nemen naar zijn burcht Lanka, op het huidige eiland Sri Lanka.

In zekere zin vertegenwoordigt Ravana het kwaad, maar hij is niet van nature slecht. Hij is een achterkleinzoon van Brahma en daarmee ook zelf een god. Terwijl Rama de dilemma’s van het leven het hoofd biedt, door steeds zichzelf te blijven en het goede na te streven, gebruikt Ravana zijn vrije wil om andere keuzes te maken, keuzes die uiteindelijk tot zijn ondergang leiden als Rama en Laksmana met hun bondgenoten, waaronder het apenleger onder leiding van Hanuman, Lanka aanvallen en verwoesten.

Een verrassend modern epos dat dezelfde dilemma’s laat zien waarvoor ook de moderne mens zich gesteld ziet. Gedwongen een keuze te maken, kies je soms het verkeerde en hoe ga je daarmee om? Gaat het van kwaad tot erger, zoals Ravana overkomt, of herbezin je je voortdurend op wat je te doen staat? Herhaaldelijk trekken de hoofdpersonen in het epos verkeerde conclusies en handelen dienovereenkomstig. Kaikeya is geen slechte vrouw maar ze is bang, opgehitst door een van haar bedienden, tot een slavin te worden gemaakt en haar zoon Bharata tot een slaaf als Rama koning wordt. Daarom neemt ze het verkeerde besluit haar twee wensen in te zetten om Bharata tot koning te maken. Ravana lokt Rama weg als onderdeel van zijn plan om Sita te ontvoeren. Hij bootst de stem van Rama na die om hulp roept. Sita noemt Laksmana een lafaard die bang is om Rama te helpen en tegen Ravana te vechten. Ze beledigt hem in alle toonaarden tot hij tenslotte naar Rama toe gaat, wat Ravana de gelegenheid geeft Sita te ontvoeren. Tot het eind toe heeft Ravana de mogelijkheid tot inkeer te komen, Sita vrij en te laten en Rama om vergiffenis te vragen, maar zijn trots verhindert hem toe te geven. Zo werkt hij mee aan zijn eigen ondergang.

De menselijkheid van Rama, die pas gaandeweg de goddelijke kracht ontdekt die in hem sluimert, maakt de Ramayama tot een weergaloos hoogtepunt in de literatuur. Als Ravana is verslagen, wil Rama Sita verbannen omdat ze door haar langdurige verblijf in het paleis van Ravana is bezoedeld. Sita maakt een brandstapel, steekt die aan en stapt erin, maar de vuurgod Agni leidt haar ongedeerd weer uit het vuur. Rama zegt dan tegen Sita dat hij geen moment twijfelde aan haar reinheid en haar alleen op de proef wilde stellen om op voorhand roddels van het volk over haar uit te bannen. Is het waar? Was hij overtuigd van haar onschuld? Of rechtvaardigt hij achteraf zijn onterechte bedenkingen tegen haar? Is Rama toch maar een mens, met al zijn tekortkomingen? Of is hij een god? Of vertegenwoordigt hij de goddelijke kracht die in ieder mens sluimert? De Ramayama laat het oordeel over aan de lezer.

De Ramayana, naverteld door Rajaji, kan ik iedereen aanbevelen. Of de Mahabharata je aanspreekt, moet je zelf maar beoordelen.

Een Engelse vertaling van de complete tekst van de Ramayana is te vinden op: www.sacred-texts.com/hin/rama.

De oorspronkelijke Ramayana is geschreven in zeven delen. Uitgeverij Ars Floreat is bezig een Nederlandse versie hiervan gratis online beschikbaar te stellen. Het eerste deel is te downloaden via www.arsfloreat.nl.

De volledige tekst van de Mahabharata in het Engels is te koop via Amazon.com. Dit zijn vier delen die samen ongeveer € 100 kosten.

De volledige Engelse vertaling is gratis te downloaden via: www.sacred-texts.com/hin/maha.

Ankh-Hermes heeft in 1988 een bloemlezing uit de Mahabharata gepubliceerd. Via Bol.com zijn nog wel andere bloemlezingen te vinden, maar een complete Nederlandse vertaling is me niet bekend. (Ko)

Familie, huis en tuin

Carl Larsson
96 blz. € 18,50
Christofoor, 2015
ISBN 978 90 60387566

Carl Larsson is een van Zwedens meest geliefde kunstenaars. Hij schilderde wat hij om zich heen zag aan het eind van de negentiende eeuw. Deze schilderijen van zijn huis, zijn boerderij in het dorp Sundborn en zijn familie laten ons een ontroerende en fascinerende inkijk in zijn leven zien.

Het is een leven waarin zijn acht kinderen en zijn vrouw vaak model stonden voor zijn schilderijen. Een leven ook waarin de seizoenen en het werk op de boerderij een grote rol speelden.

Het huis, door Carlsson verbouwd en deels van zelfgemaakte meubels voorzien, is nu een museum, waar jaarlijks 60.000 bezoekers zijn werk en woonplaats komen bewonderen.

Een prachtig boek om vaak in te kijken naar een wereld die niet meer bestaat. Een absolute aanrader. (Joke)

Benjamins boom

Bernadette Watts
32 blz. € 13,95
Christofoor, 2015
ISBN 978 90 60387474

Dit is het verhaal over Benjamin. Een verhaal waarin de seizoenen een grote rol spelen.

Benjamin is een echt buitenkind. Opa’s grasmaaier en het zingen van de vogels zijn als muziek voor hem.

Zijn zusjes, opa en oma, mama en papa hebben het altijd druk. Benjamins moeder is al gauw jarig en hij vraagt zich af wat hij haar kan geven.

Zijn zusjes maken al wat voor hun moeder: een tekening en een taart. Benjamin wordt er verdrietig van omdat hij niet weet wat hij voor mama kan maken.

Dan heeft opa een idee. Hij zet een stukje van een boom in een bloempot. Benjamin vindt het maar niets en verstopt de pot achter de snijbonen.

In het najaar vindt moeder de pot met de boom en is er blij mee. Die winter bloeit de kleine boom. Vele winters gaan voorbij en de kinderen verlaten het huis. Benjamin reist de wereld over, maar keert op een dag terug naar de tuin en ziet hoe zijn boom is gegroeid en hoe hij bloeit. Opa had gelijk: het is de mooiste boom van de wereld.

Weer een prachtig prentenboek van Christofoor om voor te lezen en om samen naar de tekeningen te kijken. Aan te raden! (Joke)

Vrijen met God

Over 'heilige bruiloften', erotiek & religie

Jacob Slavenburg
268 blz. € 19,95
Walburg Pers, 2015
ISBN 978 90 57304859

Cultuurhistoricus Jacob Slavenburg ken ik o.a. als vertaler van de Nag Hammadi Geschriften en als auteur van De Hermetische Schakel. Zie mijn enthousiaste recensies van beide boeken elders op deze pagina. Met hooggespannen verwachtingen begon ik dan ook aan zijn nieuwe boek, Vrijen met God, dat in maart 2015 is uitgekomen. Dat viel wat tegen.

Ik verwachtte een overzicht van de ervaringen van vrouwen, heiligen of ketters, die hun eenwording met God of Christus in erotisch getinte mystieke visioenen wereldkundig hadden gemaakt. Aangevuld met de joodse opvattingen over de relatie van Jahweh met de godin Ashera, die wel zijn geliefde wordt genoemd. Slechts een klein deel van het boek is aan deze onderwerpen gewijd. De rest heeft weinig of niets met vrijen met God te maken.

De beste manier om dit boek te lezen, lijkt me de pakkende, maar misleidende titel te vergeten en het boek te zien als een poging het mysterie van de heilige bruiloft, de versmelting van de mannelijke en vrouwelijke pool van het goddelijke, te doorgronden. De heilige bruiloft, meestal heilig huwelijk genoemd, staat in de ondertitel van het boek, maar zou een betere titel zijn geweest. De heilige bruiloft kan betrekking hebben op de mystieke eenwording van een mens met God of Christus, maar wordt vaker gebruikt voor het samengaan van heidense goden of godinnen met elkaar of met nimfen of mensen. Als je ervan uitgaat dat ieder mens iets van het goddelijke in zich heeft, kan de geestelijke of lichamelijke eenwording van twee mensen een goddelijke vonk doen ontbranden en gezien worden als een heilige bruiloft. Deze brede opvatting van de heilige bruiloft is waar het boek over gaat, niet over vrijen met God.

Slavenburg koppelt de opvattingen over de heilige bruiloft terecht aan de cultuur waarin de betrokken personen zijn opgegroeid. Een indeling van het boek naar de verschillende beschavingen (Grieken, Romeinen, etc.) of een chronologisch verloop (oudheid, middeleeuwen, etc.) had voor de hand gelegen. In plaats daarvan heeft Slavenburg gekozen voor een indeling naar zeven thema’s, zoals De Grote Godin of Angst voor de vrouw. In bijna elk hoofdstuk wordt voortdurend door tijd en ruimte gesprongen. Dat werkt verwarrend en heeft tot gevolg dat veel onderwerpen in verscheidene hoofdstukken aan de orde komen, soms in vrijwel dezelfde bewoordingen.

Het eerste hoofdstuk, De hieros gamos ofwel ‘heilige bruiloft’, belicht de relaties van heidense goden en godinnen in de oudheid. In hoofdstuk 2, De Grote Godin, wordt de rol van de godin in verschillende heidense culturen en religies uiteengezet. Dit zal, misschien afgezien van het stuk over Asjera, de meeste lezers wel bekend voorkomen. In het derde hoofdstuk, En zij zullen één vlees zijn, laat Slavenburg zien dat Adam en Eva samen één wezen vormden en dat alleen hun samengaan die goddelijke eenheid terug kan brengen. De heilige bruiloft brengt ons dus terug tot wat we wezenlijk zijn. Interessante gedachte.

In hoofdstuk 4, Het verhaal van Lilith wordt de donkere kant van de godin belicht, in de gedaante van Lilith. Soms werd ze voorgesteld als een demon, soms als de eerste vrouw van Adam of als de vrouwelijke kant van God. Die donkere kant is ook het thema van hoofdstuk 5, Angst voor de vrouw, terwijl negatieve opvattingen over seksualiteit binnen het christendom in hoofdstuk 6, Seks, religie en godsdienst, worden behandeld. Deze drie hoofdstukken geven aan dat de eenwording met het goddelijke niet vrijblijvend en niet onverdeeld positief is. De heilige bruiloft schept een eenheid waar eerst verdeeldheid was, maar neemt ook je zelfstandigheid, je identiteit, je ego, weg. Je geeft je over aan een wezen dat angst inboezemt. Maar die angst voor de vrouw geeft alleen de visie van de man weer. Hoe dat voor vrouwen is, daar laat Slavenburg zich niet over uit.

Het boek biedt interessante gezichtspunten, maar het had wat handiger uitgewerkt kunnen worden. Oordeel zelf wat je van deze boeiende materie vindt. (Ko)

Sprookjes en verhalen

Hans Christian Andersen
629 blz. € 29,95
Lemniscaat, 2014
ISBN 978 90 477 02726

Hans Christian Andersen is geboren in Odense, Denemarken, op 2 april 1805. Hij was schrijver en dichter. Het meest bekend is hij geworden door zijn sprookjes.

Een groot aantal kennen we natuurlijk van de uitbeeldingen in de Efteling van “De Chinese nachtegaal”, “De kleine zeemeermin”, “Het meisje met de zwavelstokjes” en “De rode schoentjes”. Als laatste kwam hier in 2012 het sprookje “De nieuwe kleren van de keizer” nog bij.

Andersen was de zoon van een schoenmaker. Zijn moeder had na de dood van zijn vader hoge verwachtingen van hem en stuurde hem naar een privé-schooltje. De jonge Hans Christian hield zich met theater bezig, maakte daarvoor poppen en trad op met zelfgemaakte teksten. Hij was enkele jaren lid van de balletschool van de Koninklijke Schouwburg van Kopenhagen en schreef teksten voor diezelfde schouwburg. Daardoor werd hij in staat gesteld om naar de Latijnse School te gaan. Toen hij 21 was, slaagde hij voor het eindexamen. Hierna ging hij gedichten schrijven en ontving hiervoor een koninklijke onderscheiding.

In 1835 verscheen zijn eerste bundel Sprookjes, verteld voor kinderen. Hierna volgden nog 152 bundels. Het zijn overwegend cultuursprookjes, door Andersen bedacht. Slechts zeven verhalen zijn gebaseerd op volkssprookjes. Naast sprookjes schreef Andersen verhalen, novellen en op waarheid gebaseerde vertellingen.

Lang niet alle sprookjes in dit boek zijn geschikt om aan kinderen te worden voorgelezen. Andersenkenners zijn van mening dat ongeveer 50 verhalen echte sprookjes zijn, waarbij ze voor de beste sprookjes wijzen op: “De nachtegaal”, “De varkenshoeder”, “De prinses op de erwt “ en “De nieuwe kleren van de keizer”. Onbekende pareltjes zijn: “De geliefden”, “De vlo en de professor” en “Hartenleed”.

De vertaling is van dr. Annelies van Hees, die, zoals ze toelicht, heeft geprobeerd een zeker evenwicht te bewaren tussen het respect voor de auteur en de verwachtingen van hedendaagse jonge lezers. Haar uitgangspunt was zoveel mogelijk trouw aan de tekst te blijven.

Ik ken de Deense teksten niet, maar deze vertaling lijkt me zeer geslaagd te noemen. Het boek ziet er prachtig uit. De tekeningen van illustrator Jan Jutte (driemaal winnaar van het Gouden Penseel) zien er prachtig uit en zijn soms, als het sprookje daarom vraagt, lekker griezelig te noemen.

Na de volledige uitgave van de sprookjes van Grimm door Lemniscaat (zie mijn recensie elders op deze pagina) is dit een geweldige aanvulling. Hulde aan de uitgever die zoiets op deze manier durft aan te pakken. Dit boek mag in geen boekenkast ontbreken! (Joke)

Pippa en Pelle

Daniela Drescher
12 blz. € 7,50
Christofoor, 2015
ISBN 978 90 60387467

Pippa en Pelle is een nieuwe boekje van Daniela Drescher. Dit is het 13e boek van deze kunstenares dat bij Christofoor is uitgekomen.

Daniela werkt al meer dan tien jaar als schilderterapeute met kinderen en zelf zegt ze over haar boeken: ‘Ik probeer mijn illustraties zo te maken dat ze vertellen over geluk en verlangen.’ Daar is ze ook nu weer bijzonder goed in geslaagd.

Dit kartonboekje is voor de kleinsten om voor te lezen en samen door te kijken. Het gaat over Pippa en Pelle die buiten wandelen en een heerlijke dag hebben. Ze ontmoeten al hun dierenvrienden en zijn buiten tot de maan opkomt en ze naar huis lopen om te gaan slapen.

Een lief boekje om voor te lezen en naar de diertjes te kijken voor het slapen gaan.

Zoals we van Daniela Drescher gewend zijn, is dit boekje weer een feest om voor te lezen. (Joke)

Heidense Hekserij

het pad van de heks binnen het moderne paganisme

Jack Stoop
312 blz. € 17,50
Boekenbent, 2014
ISBN 978 94 6203 650 5

Jack Stoop, ook wel bekend van publicaties onder de naam Flierefluiter, is in 1993 ingewijd als Heks der Gewaaddragenden en in 1998 als heks en priester in een Gardneriaanse Wiccacoven. Sinds 2002 is hij actief als solitair heks en combineert in zijn rituelen en magie elementen uit verschillende paganistische tradities, zoals Wicca, Asatru en Sjamanisme.

Aldus profileert Jack zichzelf op de achterflap van zijn boek Heidense Hekserij, waarin hij inderdaad probeert de verschillende stromingen en tradities in een groter kader te plaatsen. De belangrijkste insteek is Wicca, niet verwonderlijk gezien zijn jarenlange schreden op dit pad. Vrijwel alle hoofdstukken beschrijven facetten van deze religie en alleen het hoofdstuk over Sjamanisme richt zich op een hiervan afwijkende traditie.

Het boek begint met de geschiedenis van het Heidendom, ook wel genaamd Paganisme en gaat terug tot de oude steentijd en de heidense religies van Kelten, Germanen en Romeinen. Het hoofdstuk De geboorte van het Moderne Paganisme beschrijft hoe in de 20e eeuw het oude heidendom nieuw leven werd ingeblazen. Ten onrechte begint Jack met het moderne druïdisme dat vanaf 1781 bestaat, want druïdisme is geen heidense religie maar een levenswijze. In het boek blijft druïdisme verder ook buiten beschouwing. Als tweede worden de Nieuwe Germanen genoemd, die in het begin van de 20e eeuw het vereren van Germaanse goden propageerden, maar pas in de jaren zestig en zeventig vaste vorm kregen in de traditie van Asatru. Als derde stroming noemt Jack ‘Wicca en hekserij’ en schrijft: ‘Hekserij, waar Wicca ook onder valt, is op dit moment zonder meer de grootste en belangrijkste stroming binnen het Paganisme en bovendien het hoofdonderwerp van dit boek.’

De volgende hoofdstukken zijn te beschouwen als facetten van de Wicca: het vereren van goden en godinnen, het werken met de vier elementen, het vieren van de jaarfeesten, het gebruiken van divinatie, healing en magie. De magie wordt in de volgende hoofdstukken uitgesplitst naar spreuken, natuurmagie, koorden- en knopenmagie, kaarsenmagie, runenmagie en talismans.

Een minpuntje van het boek is dat Jack probeert een strikt onderscheid te maken tussen Wicca, hekserij en heidendom. Zo zegt hij: ‘Een heks is in mijn ogen iemand die de heksenkunsten van healing, divinatie en magie gebruikt voor zichzelf en anderen. Deze kunsten vormen een integraal onderdeel van de religie van de heks.’ Dat klopt niet. Hekserij is geen religie, maar een geheel van technieken die gebruikt worden door wie erin gelooft dat ze werken. Een heks kan een Wicca zijn, of een christen of een atheïst. Zoals uit de titel van het boek al blijkt, richt Jack zich op heidense heksen, die dus aanhanger van een religie zijn. En vrijwel alle onderdelen van het boek passen binnen het kader van de Wicca.

Afgezien van deze kritische kanttekening is Heidense Hekserij een waardevol boek, een prima inleiding voor wie zich wil verdiepen in de Wicca of andere verschijningsvormen van het Moderne Heidendom, zoals Asatru. De genoemde onderwerpen worden met veel kennis van zaken en glashelder beschreven. Het boek is te bestellen via shop.boekenbent.com. Wie meer wil weten over Jack Stoop en zijn verdere activiteiten, kan ik verwijzen naar zijn site op www.jackstoop.eu/yggdrasil.htm. (Ko)

Devils & Angels

Ritual feasts in Europe

Friso Spoelstra
302 blz. € 29,95
Lecturis, 2014
ISBN 978 94 6226 096 2

Friso Spoelstra studeerde in 1997 af aan de afdeling Fotografie van de Rietveld Academie in Amsterdam. De afgelopen tien jaar heeft hij in zestien landen seizoensgebonden feesten bijgewoond en daar foto’s genomen. Die foto’s heeft hij nu gebundeld in het boek Devils and Angels dat door Lecturis is uitgegeven.

De foto’s geven een goede indruk van de feesten die nog steeds worden gevierd, soms openbaar, soms alleen toegankelijk voor de bewoners van een dorp, streek of eiland. Soms kostte het Spoelstra moeite om foto’s van het evenement te maken en een enkele keer werd hij zonder pardon het dorp uitgewerkt.

De begeleidende teksten zijn geschreven door Mireille Capiau en in het Engels vertaald door Douglas Heingartner. Kennelijk zijn de teksten wel samengesteld uit aantekeningen van Friso zelf, want de ik-persoon in de tekst is steeds de fotograaf zelf.

Het boek is ingedeeld in de seizoenen voorjaar, zomer, herfst en winter. Bij elk deel zit een katern met de begeleidende teksten. Devils and Angels is een heel interessant boek, dat laat zien hoezeer de verschillende seizoensfeesten nog leven in afgelegen streken over heel Europa verspreid. Arnold-Jan Scheers schreef een inleidend stukje over het Sunderklazenfeest op Ameland, waarvan ook hier enkele foto’s zijn opgenomen. In zijn boek Zwarte Sinterklazen (zie mijn recensie hieronder) heeft Scheers uitgebreid verslag gedaan van dit en vele andere jaarfeesten. Devils & Angels sluit hier goed bij aan, zij het dat Scheers vooral de winterfeesten heeft belicht en Friso Spoelstra ook de andere jaarfeesten laat zien.

De foto’s laten goed zien hoe verschillend de feesten zijn. Soms wild en alleen voor stoere mannen, soms ingetogen en kleurrijk. Maar altijd vertonen de deelnemers een opvallend enthousiasme en geven aan dat ze het evenement serieus nemen als de manier van hun streek of dorp om het betreffende feest te vieren. Ik kan het boek van harte aanbevelen voor ieder die eens over de grenzen wil kijken van wat er nog aan jaarfeesten is overgebleven in Europa. (Ko)

Carthago

Opkomst en ondergang

Roald Docter, e.a.
144 blz. € 19,95
Walburg Pers, 2014
ISBN 978 90 5730 993 9

Van 27 november 2014 t/m 10 mei 2015 is in het RMO in Leiden een tentoonstelling te zien over Carthago die een verhelderend licht werpt op deze verdwenen cultuur.

Tijdens de bloeitijd van Carthago groeide een andere stad, Rome, uit tot een machtig rijk dat eveneens het gebied rond de Middellandse Zee wilde beheersen. Een botsing tussen beide grootmachten kon niet uitblijven. De Romeinen waren oppermachtig op het land, de Carthagers op zee. Om hier verandering in te brengen, breidden de Romeinen hun vloot in snel tempo uit, maar ze hadden er meer dan honderd jaar en drie oorlogen voor nodig om de macht van Carthago te breken. Tijdens de tweede oorlog (218-201 v. Chr.) wist de Carthaagse generaal Hannibal met een leger en een groep olifanten via Spanje over de Alpen te trekken en Romeins gebied binnen te dringen. Uiteindelijk overleefde slechts één olifant de barre tocht door de besneeuwde bergen, maar het schrikeffect was er niet minder om. Hannibal wist een op hem afgestuurd Romeins leger te verslaan en tot Rome door te dringen. Wat er zou zijn gebeurd als Hannibal de stad had aangevallen, weet niemand. Hannibal koos ervoor naar het zuiden van Italië te trekken, waar hij tien jaar lang de Romeinen het leven zuur maakte, tot hij uiteindelijk werd verslagen en op de vlucht de dood verkoos boven gevangenschap. Na de dood van Hannibal werden de Carthagers ook in hun moederstad verslagen en gaven zich over. Maar Carthago bleef opstandig en aan het eind van de derde oorlog (149-146 v. Chr.) werd Carthago met de grond gelijkgemaakt. De ruïnes werden met zout bestrooid en vervloekt door de Romeinen. Het werd niemand toegestaan zich daar te vestigen.

Meer dan honderd jaar later, in 44 v. Chr., waren het de Romeinen zelf die Carthago weer opbouwden en onderdeel van een Romeinse provincie maakten. Tijdens de regering van keizer Augustus werd de vloek die op Carthago had gedrukt officieel opgeheven. In de 4e eeuw werd het christendom de belangrijkste religie in Carthago, zoals ook elders in het Romeinse rijk. In 698 viel Carthago in handen van de Arabische veroveraars. De Romeinse stad verdween langzaam maar zeker onder de huizen van de nieuwe stad Tunis en raakte in de vergetelheid.

Pas in de 19e eeuw begonnen archeologen en historici belangstelling te krijgen voor het verdwenen Carthago. Een klein deel van de oude stad is inmiddels uitgegraven. In 1999 heb ik met Joke tijdens een vakantie in Tunesië, de ruïnes van het oude Carthago bezocht. Dat was vóór de komst van de digitale fotografie. Gelukkig had Joke in 2013 de gelegenheid de opnamen over te doen. In Carthago fotografeerde ze de gedenkstenen op de begraafplaats (zie foto linksonder) en de tophet, de grot waarin veel urnen van overleden kinderen begraven werden (foto rechtsonder).

Wat ons boeide, was ook de religie van het oude Carthago. Een godin die talloze malen is afgebeeld is Tanit. Vaak als een gestileerde voorstelling van een vrouw met de zon en de maan boven haar hoofd. (zie de foto linksonder). Maar Tanit werd ook wel afgebeeld als een vrouw of als een dier. De foto rechtsonder is genomen in het museum van de stad Neapolis, een kolonie van Carthago, 60 km daarvan verwijderd. Het wezen, met het lichaam van een vrouw en de kop van een leeuwin, wordt vaak geïdentificeerd als Tanit. Het beeld is gevonden in de ruïne van Neapolis, een kolonie van Carthago. Een vrijwel identiek beeld uit Carthago staat op de cover van het boek dat ter gelegenheid van de expositie is uitgebracht en is ook op de exposie zelf te zien. Ook andere goden en godinnen, zoals Baal, Melqart en Astarte, komen aan de orde.

Veel redenen om de expositie te gaan bekijken en het boek te kopen. Een boeiende fase uit de Romeinse geschiedenis, dus onderdeel van onze geschiedenis, wordt zichtbaar gemaakt aan de hand van voorwerpen die zijn gevonden in de ruïnes van Carthago en de steden daar in de buurt. Het boek, geschreven door specialisten op evenzovele onderdelen van dit gebied, geeft een overzicht van de geschiedenis van Carthago, vanaf het begin in de Fenicische steden in het huidige Libanon via de machtsstrijd met de Romeinen tot de moderne tijd toe. Veel facetten van deze cultuur worden belicht, o.a. de religie, de ontwikkeling van het alfabet, de zeevaart, de handel, de komst van het christendom en de herontdekking van Carthago in de 19e eeuw. Een absolute aanrader. (Ko)

Gouden Middeleeuwen

Nederland in de Merovingische wereld: 400-700 na Chr.

Annemarieke Willemsen
216 blz. € 29,95
Walburg Pers, 2014
ISBN 978 90 57309441

Het boek, behorend bij een gelijknamige tentoonstelling (25 april - 26 oktober 2014) in het RMO in Leiden, belicht de eeuwen 400-700 na Chr. in Nederland. Vaak wordt dit gezien als een chaotische periode, vanaf het vertrek van de Romeinen uit ons land tot Karel de Grote Nederland onderdeel maakt van het grote Frankische rijk. Op scholen wordt dit tijdvak vaak overgeslagen. Archeologen en historici hebben zich nauwelijks in deze periode verdiept. Als er al iets wordt gezegd over dit tijdvak, spreekt men van "duistere eeuwen", gekenmerkt door volksverhuizingen, armoede en culturele stilstand.

Niets is minder waar, zegt kunsthistorica en archeologe Annemarieke Willemsen: 'Archeologisch zijn de vroege middeleeuwen één van de rijkste perioden uit de Nederlandse geschiedenis.' (p 7) De middeleeuwen worden 'bewust en onbewust als onbeschaafd en onwetend' voorgesteld. Ze vat het in de Inleiding als volgt samen: 'Onbewust is de gedachte dat alles wat de Romeinen hadden, verloren gaat: de wegen, de kennis, de organisatie; dat mensen vergeten hoe je glas moet maken, dat er geen munten meer zijn, en geen luxe - dat mensen massaal terugkeren naar de wildernis. De schoolboeken haken pas weer aan als of Willibrord komt met het christendom - en de hele bevolking in twee weken christen is - of meteen maar Karel de Grote met zijn Karolingische keizerrijk.'

Tja, daar is dus niets van waar, toont Annemarieke Willemsen overtuigend aan. En ze geeft ook aan waar dat negatieve beeld van de vroege middeleeuwen vandaan komt. Dat is vooral in onze Gouden Eeuw ontstaan. In die tijd stond de Reformatie in Nederland hoog in het vaandel. De middeleeuwen waren katholiek en in protestantse ogen dus per definitie verkeerd. Dat de hoog ontwikkelde Romeinen uiteindelijk ook katholiek waren, vergat men maar liever. In de 16e eeuw zag men de Romeinen als heidens (altijd nog beter dan katholiek) en zag men de Nederlanders als Bataven. De middeleeuwen waren in de ogen van de Gouden Eeuwers een foute en primitieve periode tussen de hoogtepunten van het Romeinse rijk en de reformatie.

Lang vóór Karel de Grote leefden de Franken niet in Frankrijk, maar in Hamaland, in de buurt van Zutphen, en noemden zich Merovingers, volgelingen van de mythische stamvader Merovech. Onder Childeric werden de Franken een machtig volk. Chideric vestigde zich in Doornik, in het zuiden van de Belgische provincie Henegauwen en noemde zich Rex Francorum (Koning van alle Franken). In 482 werd Childeric opgevolgd door zijn zoon Clovis, de eerste Franische koning die zich liet dopen. De Merovingische dynastie bleef aan de macht tot hofmeier Pepijn koning Childeric III in 751 afzette en de grondslag legde voor het rijk van Karel de Grote.

Zoals gezegd werden de katholieke Merovingers in onze Gouden Eeuwen weggezet als primitieve barbaren waaraan verder geen aandacht hoefde te worden besteed. De laatste keer dat in Nederland een tentoonstelling aan deze periode was gewijd, was in 1959 in het Haags Gemeentemuseum. En die heeft kennelijk de vooroordelen niet uit de weg geruimd. Annemarieke Willemsen doet dat wel. Een voor een breekt ze vele heilige huisjes tot de grond af. De "volksverhuizngen" waren niet zo grootschalig, gewelddadig en chaotisch als ze worden voorgesteld. Vaak betreft het gezinnen die zich in een andere streek vestigden, later gevolgd door andere gezinnen of families. Rijke grafgiften tonen aan dat in deze periode, ook in het huidige Nederland, een hoogstaande cutuur in stand werd gehouden. Een grafveld bij Rhenen heeft 1100 graven uit de periode 400-700 onthuld. Sieraden en gebruiksvoorwerpen tonen het vakmanschap van de Merovingische edelsmeden en handwerkslieden. Romeinse munten bleven nog lang als betaalmiddel in gebruik, maar de Merovingische koningen lieten ook eigen munten slaan. Merovingische glasblazers hebben prachtige glazen drinkhoorns en andere gebruiksvoorwerpen gemaakt, dus die kunst was allerminst verloren gegaan.

Annemarie Willemsen zet de Merovingische samenleving overtuigend en glashelder op de kaart. Vele prachtige foto's illustreren haar betoog. Alle reden dus om het boek te kopen zelfs als je de tentoonstelling in het RMO hebt gemist. (Ko)

De krokodil die niet van water hield

Gemma Merino
28 blz. € 13,95
Uitgeverij Lemniscaat, 2013
ISBN 978 9047706144

Er was eens een kleine krokodil… die niet van water hield.

Zo begint dit prentenboek met een tekening van een badkuip met vrolijk spetterende krokodillen. Een kleine krokodil kijkt toe vanaf een bankje.

Op de volgende bladzij kijkt hij vanaf een boomtak sip naar zijn broertjes en zusjes die in het water en zelfs onder water veel plezier hebben.

Kleine krokodil vindt in bomen klimmen wel leuk, maar daar houden zijn broers en zussen weer niet van. Hij heeft dus weer niemand om mee te spelen.

Van zijn zakgeld koopt kleine krokodil een zwemband, maar ook dit loopt uit op een fiasco. Hij durft niet onder water te zwemmen en ook niet van de duikplank te springen. Hij probeert dapper te zijn, maar blijft het koude en natte water reuze eng vinden. Daar schaamt hij zich rot voor.

Maar dan blijkt dat hij helemaal geen krokodil is en hij begrijpt wat hij dan wel is. Bang voor vuur is hij in ieder geval niet.

Een erg leuk boek voor kinderen die net zwemmen leren en hun angst voor het water moeten zien te overwinnen. (Joke)

Heilige Bronnen in de Lage Landen

Op zoek naar bronnen van betekenis in verleden en heden

Verschillende auteurs

224 blz. €32,50
Uitgeverij A3 boeken, 2013
ISBN 978 94 91557 09 5

In achttien hoofdstukken beschrijven twaalf auteurs vanuit verschillende invalshoeken hun ervaringen met heilige bronnen in de Lage Landen. Het idee was van Linda Wormhoudt, die in juli 2012 een oproep op Facebook had geplaatst om een bronrevolutie tot stand te brengen, waarmee ze bedoelde dat mensen in Nederland en België hun ervaringen met bronnen kunnen delen, voor zichzelf bronnen ontdekken, en bronnen in ere herstellen die in de vergetelheid zijn geraakt of een andere (meestal christelijke) lading hebben gekregen. Die oproep maakte heel wat los en veel mensen bleken bereid hun ervaringen met bronnen te delen of, gestimuleerd door dit initiatief, bronnen in hun omgeving te zoeken. Uitgeverij A3boeken zag er wel iets in om een aantal van deze verhalen te bundelen in een prachtig boek met veel mooie foto's, getiteld Heilige bronnen in de Lage Landen.

Linda schreef behalve drie hoofdstukken ook een algemene inleiding. Dat onze voorouders in de prehistorie bronnen vereerden 'als bron van leven en ook noodzakelijk voor overleven' is evident, maar ongetwijfeld hadden bronnen ook een religieuze betekenis: 'In voorchristelijke tijden zagen onze voorouders het hele landschap als bezield en als woonplek van vele god(inn)en en natuurgeesten, die het leven van de mens positief of negatief konden beïnvloeden en waarmee ze op goede voet moesten staan.' Welke rituelen werden uitgevoerd is niet bekend, maar wel werden offers gebracht aan bronnen, beken, rivieren, moerassen en andere waterige gebieden. Restanten van deze offers worden nog regelmatig door archeologen aangetroffen. In de middeleeuwen werden Keltische en Germaanse bronheiligdommen vernietigd of gekerstend, zodat ze nu alleen nog maar gekoppeld worden aan Maria, aan een heilige, aan Bonifacius of Willibrordus, die de bronnen miraculeus zouden hebben laten ontspringen.

Hoe kom je erachter of zo'n bron is te herleiden tot een ouder heidens heiligdom? En wat kun je als niet-christen met een christelijke of gekerstende bron? Hoe kom je meer over welke bron dan ook te weten? Linda geeft hiervoor duidelijke richtlijnen: 'Onderzoek naar bronnen kun je via twee sporen doen: het hoofdspoor, het pad van de feiten, en het hartspoor, het pad van het gevoel. Die twee hoeven elkaar niet in de weg te zitten en kunnen naast elkaar lopen als je hiervoor open staat.'

Dat lijkt me een heel verstandig uitgangspunt. Het heeft weinig zin je fantasie de vrije loop te laten en niet gehinderd door enige feitenkennis een 'heilige bron' te projecteren, ook als die er niet is en nooit is geweest. Maar de verschillende auteurs verliezen zichzelf niet op het hartspoor en nemen meestal ook een kijkje op het hoofdspoor.

Veel van de auteurs beschrijven hoeveel moeite het ze kost om greep te krijgen op 'hun' heilige bron. Archeoloog, historicus, conservator en museumdirecteur Ruud Borman beschrijft zijn verwoede pogingen om op de Veluwe een heilige bron op te sporen. Hij vindt niet de bron die hij zoekt, maar zijn zoektocht is adembenemend. Vaak is de reis belangrijker dan het bereiken van het doel.

Dat Linda kan schrijven, wist ik al. Toch weet ze me weer te overrompelen met haar stuk over de Watervrouwe van Sloterpark in Amsterdam. In de vijver in het park maakt ze kennis met een wezen dat ze omschrijft als 'waterdame', 'waterwezen' en 'watergodin'. Na verloop van tijd leert ze het wezen beter kennen en communiceert met haar. Ze geeft haar offers van bloemen en steentjes, die kennelijk op prijs worden gesteld. Soms kan ze haar zien: 'Groen is ze. Gevaarlijk groen. Diepe ogen in het water, daar bij de rand.' Ze kan zelfs met het wezen praten. Ik weet niet hoe letterlijk we ons dit moeten voorstellen. Tenslotte behoort het waterwezen niet helemaal tot de fysieke wereld. Er zijn 'verschillende lagen' waarin ze zich kan manifesteren. Niet iedereen kan haar zien of horen, al voelen veel mensen wel haar aanwezigheid. Ik denk dat Linda iets opvangt uit de verschillende lagen dat ze voor zichzelf in gewone mensentaal omzet. Het gaat er niet om of het wezen 'werkelijk' is zoals Linda haar beschrijft. Een ander zal de signalen uit 'de andere wereld' misschien anders vertalen of interpreteren. Het is iets tussen Linda en het waterwezen dat ze voor ons in begrijpelijke taal vorm geeft. Ieder die bij een bron of poel een bepaalde kracht ervaart, kan dit voor zichzelf een vorm geven. En er misschien iets over opschrijven, om anderen hierin te laten delen.

De andere auteurs geven op hun eigen manier vorm en inhoud aan hun ervaringen met bronnen. Meestal worden ze eerst gegrepen door de kracht van een bepaalde bron en gaan dan op onderzoek om hier meer over te weten te komen. Dat zijn de twee manieren die Linda in haar inleiding noemt om heilige bronnen te leren kennen. Enkele auteurs beschrijven hoe ze eerst in Glastonbury de kracht van heilige bronnen leerden kennen voordat ze in Nederland of België ook dergelijke ervaringen hadden. Het verbaast me dat niemand Bath noemt. Hier is toch een heilige, geneeskrachtige bron die al door de Kelten vereerd werd. De Romeinen bouwden een tempel bij de bron voor de Romeins-Keltische Godin Sulis-Minerva. De tempel en de bron zijn nog steeds te bezichtigen en ik vond het zeer indrukwekkend toen we er met Marian Green waren.

Het boek geeft een tintelend gevoel, een verlangen om eens wat vaker bronnen in de buurt te bezoeken en opnieuw die kracht te ervaren. Er zijn meer bronnen in Nederland dan in het boek genoemd worden en ze roepen me. Ik ga daar zeker eens wat mee doen. Zo ver weg is de door Fanny van der Horst beschreven bron in Lage Vuursche, om er maar een te noemen, nou ook weer niet. De dichtstbijzijnde bron is bij ons trouwens de kraan, want in de provincie Utrecht komt daar bronwater uit de Utrechtse Heuvelrug uit. Dank aan de verschillende auteurs van dit boek dat ze me de weg hebben gewezen. (Ko)

PS: De auteurs die een bijdrage aan dit boek hebben geleverd zijn, in alfabetische volgorde: Ineke Bergman, Ruud Borman, Bea van der Heijde-Petrescu, Fanny van der Horst, Els Lijesen, Heyta Melssen, Michiel de Nijs, Kirsten Notten, Ginny Rentmeester, Hans Welens, Linda Wormhoudt en Debora Zachariasse.

Waldorfpoppen

Om zelf te maken en hun kleertjes te naaien

door Karin Neuschütz

139 blz. €19,50
Uitgeverij Christofoor, 2013
ISBN 978 90 6038 703 0

Vrije Scholen heten in Duitsland Waldorfscholen en de poppen die daar gemaakt worden, worden Waldorfpoppen genoemd. Vandaar de titel van dit boek. Ik had al lang geleden de oorspronkelijke Duitse uitgave, Die Waldorfpuppe (1986), aangeschaft en gebruikt, maar de Nederlandse vertaling van Uitgeverij Christofoor is gebaseerd op een nieuwe uitgave, geheelin kleur en met een aangevulde en herziene tekst en illustraties. In alle opzichten een verbetering!

Op de Vrije Scholen naaien kinderen stoffen poppen meestal in groep 8. Hiervoor worden geen kant en klare patronen gebruikt. Je begint met een hoofd te maken en past het lichaam en de ledematen daarbij aan. Dit boek geeft wel maten en patronen, maar de auteur hoopt dat je je hiervan losmaakt en je naar je eigen inzicht poppen gaat maken.

Vanuit de antroposofische gedachte wordt verteld over de ontwikkeling van het kind en de relaties met poppen en het spel.

Ik heb verschillende van deze poppen gemaakt en ze vervolgens aangekleed. Vanuit deze ervaring weet ik dat op deze manier poppen maken erg leuk is om te doen. Wel is wat handwerkervaring prettig of iemand in de buurt die je het een en ander uit kan leggen over de gebruikte materialen.

Het boek geeft patronen voor verschillende poppen in diverse formaten. Zoals we van de uitgaven van Christofoor gewend zijn, ziet het er verzorgd en aantrekkelijk uit. (Joke)

Een Feestjurk voor Fliera

door Daniela Drescher

20 blz. €13,95
Uitgeverij Christofoor, 2013
ISBN 978 90 6038 708 5

Voor mij ligt het nieuwste boek van Daniela Drescher. Fliera, de kleine elf, krijgt een uitnodiging van Winterkoninkje voor het zomerfeest op de weide. Ze bedenkt dat ze dan een feestjurk nodig heeft. Muis, Mol en Egel denken met haar mee en gaan meteen op weg om bloemen, bessen, noten en een regenwurm te verzamelen. Ze passen en proberen alles uit en vallen vermoeid in slaap.

Fliera is niet helemaal tevreden. Ze had zich een feestjurk voorgesteld die zou stralen als de maan, zo zacht zou zijn als de vleugels van de nachtvlinder en zou schitteren als de sterren. Ze vraagt zo'n jurk aan de maan en krijgt die ook.

De vrienden van Fliera zien haar de volgende ochtend en vinden de jurk prachtig. Ze dansen op het feest en zijn heel gelukkig. Het is een lief verhaaltje. Zoals we van Daniela Drescher gewend zijn, is het een prachtig boek. Het lieve elfje, hartverwarmende dieren en de natuurgetrouw geschilderde planten en bloemen maken het boek een feest om te bekijken. (Joke)

Peter en Lotta vieren Kerstfeest

door Elsa Beskow

36 blz. €13,95
Uitgeverij Christofoor, 2003
ISBN 978 90 6238 715 2

Dit prentenboek van Elsa Beskow verscheen voor het eerst in Zweden in 1947 en in 2003 in een Nederlandse vertaling bij Uitgeverij Christofoor. Het boek vertelt over een Zweedse kerstviering en de aanloop naar dit feest. Aan de kleding op de tekeningen te zien, speelt het verhaal zich rond 1850 af.

Het is een drukte en een gedoe in de weken vóór kerst. Er wordt schoongemaakt en er worden koekjes gebakken. Terwijl er veel sneeuw valt, wordt een spar omgehakt om als kerstboom te dienen. De kerstbok komt de kadootjes brengen terwijl oom Blauw even weg is. De kinderen praten nog lang na over de kerstbok.

Het voorjaar en de zomer gaan snel voorbij en vaak denken de kinderen aan de kerstbok en aan het verhaal dat hij diep in het bos woont en eigenlijk een betoverde prins is. Ze gaan hem zoeken, maar in plaats van de prins vinden ze een kolenbrander in het bos.

Als het opnieuw kerstavond is, komt de kerstbok opnieuw met kadootjes. Ditmaal zijn het zelfs twee kerstbokken. Hoe dit raadsel nou in elkaar steekt, moet je zelf maar in het boek gaan lezen en bekijken. (Joke)

Het Zonne-ei

door Elsa Beskow

28 blz. €13,95
Uitgeverij Christofoor, 6e druk, 2012
ISBN 978 90 6238 184 5

Over Elsa Beskow schreef ik al eerder. Ze behoort tot mijn favoriete prentenboekschrijvers. Dit boek gaat over een elfje dat in een holle boom in het bos woont. Ze houdt van dansen en voert in het voorjaar de welkom-lieve-zonnedans uit. In de herfst doet ze de gele-blaadjes-dwarreldans en in de winter de witte-sneeuwvlokkendans. In de zomer waren er in het bos teveel leuke dingen te doen en kwam ze niet eens aan dansen toe.

Als het elfje een uit het nest gevallen eitje ziet, brengt ze het terug naar de vogelmoeder. Op een dag ligt er iets dat groot, geel en rond is. Ze denkt dat de zon haar ei verloren heeft, maar kan het niet terugbrengen naar de zon. Ze raadpleegt haar vriendjes en iedereen komt kijken naar het grote ei. De vink weet wat het is en Rikkie de dennenappelkabouter prikt er gaatjes in en deelt rietjes uit. Heerlijk vinden ze het sap.

Een grote kraai neemt het zonne-ei mee en stikt er in zijn gulzigheid bijna in. Het elfje huilt om het verlies van het zonne-ei, maar de lijster troost haar en zegt dat hij haar in de herfst zal meenemen naar het zonneland, waar allemaal mooie zonnevruchten aan de bomen hangen. Hij neemt haar mee naar het zuiden en het elfje is daar heel gelukkig. In de lente vliegt ze weer terug met de lijster en al haar vriendjes zijn blij haar weer te zien. (Joke)

Het Boompje

door Loek Koopmans

26 blz. €13,95
Uitgeverij Christofoor, 2009
ISBN 978 90 6038 125 8

Dit boek is al wat langer op de markt en de tweede druk die ik hier in handen heb, is van 2009. Met het oog op het naderen van Midwinter wil ik het nu onder de aandacht brengen.

Het boek vertelt over een mooi, gezond en groen boompje dat ongelukkig is omdat het geen zachte blaadjes heeft, maar harde, stekelige naalden. Het liefst had het blaadjes van goud. Als het boompje de volgende ochtend wakker wordt, heeft het prachtige gouden blaadjes. Verheugd roept het boompje uit: 'Ik ben de mooiste van het bos! Kijk naar mij!'

De volgende nacht rooft een boef al de blaadjes. Het kale boompje is boos en wenst dan maar liever blaadjes van glas. Die komen er ook, maar tijdens een storm vallen die kapot en weer is het boompje kaal. Het wenst nu maar groene blaadjes en krijgt die ook, maar ze worden opgegeten door geitjes. Het boompje wenst dan maar zijn eigen naaldjes terug en is gelukkig als hij die krijgt.

Kinderen zien de boom staan en noemen hem het mooiste boompje van het bos. Vanuit de hemel valt een ster op het boompje en zo is het een echte kerstboom geworden.

Een mooi volksverhaal over tevredenheid in een nieuw jasje. Prachtig getekend en geschilderd bos in verschillende lichtvallen en sneeuwbuien. (Joke)

Mijn Draak

door Jackie Morris

28 blz. € 13,95
Uitgeverij Christofoor, 2009
ISBN 978 90 60386989

Gelijk als je het boek openslaat, zie je al dat dit een heel bijzonder kinderboek is. We zien kiezelsteentjes, zoals je ze in een rivierbedding wel aantreft, maar linksonder blijkt een van de steentjes een ei te zijn, waaruit een klein draakje kruipt.

Het is een prentenboek met weinig tekst en oogverblindende aquarellen. Er zijn veel verschillende draken waarbij de ikpersoon, een meisje, zich aanpast. Een van de draken is gemaakt van sterrenstof en zoeft door het hemelruim, bereden door een Chinese of Japanse prinses. Een andere draak andere eet bloemen, bereden door een jonkvrouw en als de draak lacht, regent het bloemblaadjes. De draak kan stoer en dapper zijn terwijl het meisje bewonderend naar hem opkijkt. Een andere draak is zo groot als een heel dorp, maar pakt toch heel voorzichtig, tussen twee enorme nagels het gebakje aan dat het meisje hem aanbiedt. Maar er zijn ook heel kleine draakjes, met ragfijne vleugeltjes. De draken kunnen vliegen met de wind, zwemmen met de dolfijnen, als vuurdraak verschijnen in het licht van een olielamp of het als ijsdraak laten sneeuwen. En als ze wil slapen, zorgt een lieve draak ervoor dat er geen monsters in haar dromen binnendringen.

Alles is mogelijk dus. 'Hoe ziet jouw draak eruit?' luidt de vraag tegen het eind van het boek. Op de laatste bladzij komen uit de 'kiezelstenen' die we eerder zagen talloze draakjes te voorschijn.

Van alle drakenboeken die ik bezit, is dit wel mijn favoriet. (Joke)

Jorre

de kleine trol

door Daniela Drescher

24 blz. € 12,50
Uitgeverij Christofoor, 2011
ISBN 978 90 6238870 7

Dit prenten/voorleesboek voor peuters en kleuters vertelt over Jorre de kleine trol.

Het verhaaltje begint in het voorjaar. Jorre wordt uit zijn winterslaap gewekt door een zonnestraal die in zijn neus kriebelt. Mopperend wordt hij wakker en klautert zijn hol uit.

Boven de grond blijkt het voorjaar te zijn. Jorre moppert op alles wat hij tegenkomt, vooral als hij struikelt over een ganzenei dat in het gras ligt. Het lijkt hem wel een goed idee het ei dan maar op te eten.

Maar het ei begint te kraken en er komt een kuikentje uit. Jorre is een beetje boos dat het kuikentje hem zijn ontbijt ontneemt. Maar als de vos het kijkentje wil opeten, neemt Jorre het kuiken toch maar in bescherming. Hij vindt het diertje toch wel lief en ze worden vriendjes. Samen vertellen ze hun avonturen tegen de maan. Warm aangevolen, ook natuurlijk voor de mooie tekeningen van Daniela Drescher. (Joke)

De vierde eeuw

of hoe het christendom staatsgodsdienst werd

door Wim Jurg

200 blz. € 29,90
Uitgeverij Damon, 2011
ISBN 978 94 6036 016 9

De vierde eeuw is een fascinerende tijd in de geschiedenis van het Romeinse rijk, met gevolgen die tot de huidige dag merkbaar zijn. De eeuw begon met de regering van Diocletianus, die vanaf 284 keizer was tot hij uit vrije wil in 305 afstand deed van de troon. Na een korte strijd om de macht nam Constantijn in 306 het heft in handen. Mij boeide vooral de ondertitel van het boek: hoe het christendom staatsgodsdienst werd. Diocletianus had de christenen vervolgd en onder Constantijn kregen de christenen voor het eerst niet alleen godsdienstvrijheid, maar ook bepaalde privileges, die ze nooit gehad hadden.

Constantijn kon meedogenloos zijn als het erom ging zijn tegenstanders uit te schakelen, maar hij was een voorstander van de vrijheid van godsdienst, voor christenen en niet-christenen. Onder zijn bewind was het christendom nog maar een kleine minderheid binnen het Romeinse rijk en dat Constantijn ze bevoorrechtte mag opmerkelijk heten. Door christenen werd hij dan ook aangeduid als Constantijn de Grote. Na zijn dood in 337 werd hij opgevolgd door zijn zoons Constantijn II, Constans en Constantius II. De beginletters van hun namen geven hun verwantschap met Constantijn de Grote aan, maar ze waren niet uit hetzelfde hout gesneden als hun vader. Constans liet zijn broer Constantijn, die toen 17 jaar was, na een onenigheid in 340 vermoorden. Hierna keerde de rust allerminst terug. Constans werd in 350 tijdens een opstand vermoord. Constantius had de toon al gezet door een maand na de dood van zijn vader het grootste deel van zijn familie te laten vermoorden, in ieder geval negen halfbroers en halfneven van Constantijn de Grote. Dit om te voorkomen dat ze misschien de troon zouden opeisen.

Toen Constantius in 361 overleed werd Julianus keizer. Hij ontpopte zich als een voorvechter van de oude religie, die hij in de oude glorie wilde herstellen. Hij stelde de afgeschafte erediensten voor de heidense Goden en Godinnen weer in, maar liet de christenen ongemoeid. Hij was een rechtschapen en daadkrachtige keizer. Toch duidden christelijke auteurs na hem de keizer minachtend aan als Julianus de Afvallige. Waarschijnlijk zou Julianus het oude heidendom, dat nog door een meerderheid van de Romeinen werd aangehangen, volledig hersteld hebben, maar in 363 sneuvelde hij in de oorlog met de Perzen. Na hem is er nooit meer een keizer geweest die het oude heidendom zo openlijk propageerde.

Ik heb me altijd afgevraagd hoe het Romeinse heidendom, met een traditie van meer dan duizend jaar, zo roemloos ten onder heeft kunnen gaan en het boek van Wim Jurg heeft me dit ook niet duidelijk kunnen maken. Krachtige en rechtschapen christelijke keizers na Julianus hadden dit kunnen verklaren, maar die zijn er niet geweest. De rest van de vierde eeuw was een orgie van geweld en bloederige oorlogen en burgeroorlogen. De meest daadkrachtige keizer was Theodosius I, die van 379-395 regeerde, maar die bestrafte rellen in Thessaloniki door in 390 7000 weerloze en onschuldige burgers in het stadion te lokken en ze door zijn soldaten te laten afslachten. Toch werd Theodosius door de christenen positief beoordeeld omdat hij het christendom tot staatsgodsdienst had verheven en de heidenen liet vervolgen.

Als je al wat meer over deze fase in het Romeinse rijk hebt gelezen, heeft het boek van Wim Jurg weinig nieuws te bieden, maar het is een goede inleiding, duidelijk, overzichtelijk en boeiend geschreven. Als inleiding een aanrader dus. (Ko)

Kira de kleine prinses

door Daniela Drescher

20 blz. € 13,95
Uitgeverij Christofoor, 2012
ISBN 978 90 6038 689

en:

Kerstfeest voor een elfje

door Daniela Drescher

20 blz. € 12,50
Uitgeverij Christofoor, 2012
ISBN 978 90 6038 6668

Alweer een tijkje geleden verschenen bij uitgeverij Christofoor twee nieuwe prentenboeken van Daniela Drescher. Ze is schildertherapeut en werkt al ruim tien jaar met kinderen. Zelf zegt ze over haar tekeningen: 'Ik probeer mijn illustraties zo te maken dat ze vertellen over geluk en verlangen.' Dat lukt haar uitstekend in mijn ogen.

Kerstfeest voor een Elfje gaat over Fliera, een elfje dat overvallen wordt door de winter. Haar vleugels zijn stijf van de kou en ze loopt daardoor op blote voeten door de sneeuw. De overvliegende kerkuil geeft haar warne schoentjes en dikke sokken, die ze deelt met een bibberend kabouterkind. Ze komen de kerstman tegen en gelukkig vinden ze het huis van het kabouterkind terug, waar ze het kerstfeest vieren.

Kira de kleine Prinses vertelt het verhaal van een echte prinses. Het verhaal begint in de zomer. Kira vindt dat de fijnste tijd van het jaar. De winter vindt ze veel te lang duren en al haar vriendjes slapen. In het voorjaar gaat ze op zoek naar iemand die er net zo uitziet als zij. De Boomgeest heeft wel eens zoiemand gezien en wijst haar de weg. Dan komt ze Kylian tegen, die een echte prins is en op zoek is naar iemand die er net zo uitziet als hij. Nu zullen ze nooit meer alleen zijn in de winter.

Twee prachtige prentenboeken om samen met de kleintjes van te genieten. Van harte aanbevolen. (Joke)

Gids voor Groene Mannen in Deventer

door Cees de Gooijer

83 blz. € 9,90
Uitgegeven door Robine in Twello, 2012
ISBN 978 90 76859 41 5

Dramadocent en predikant Cees de Gooijer vormt samen met Henk van Baalen, deskundige voor wat betreft de geschiedenis van Deventer, en Eibert de Ruiter, beijveraar voor de integratie van aspecten van de Deventer cultuur, de werkgroep 'Groene Mannen van Deventer'. Cees de Gooijer schreef hier een boek over, met foto's en vormgeving van drukker Rob Brendel. Tijdens een lezing werd ook ons boek De Groene Man en de Groene Vrouw getoond. Een collega van me, die de lezing bijwoonde, kreeg het verzoek het boek, Gids voor Groene Mannen in Deventer aan mij te geven. Waarvoor mijn dank aan beiden.

Toen wij ons boek schreven, hoopten we dat anderen de draad zouden oppakken en iets over Groene Mannen en Groene Vrouwen in hun streek of stad zouden publiceren. Wat de Groene Mannen in Deventer betreft, is dat dus gebeurd. Met de plattegrond, achterin het boek, in de hand kun je een mooie tocht maken langs de Groene Mannen die er in deze stad te bewonderen zijn. De duidelijke tekst van Cees de Gooijer en de prachtige foto's van Rob Brendel spreken voor zich. Helaas komen de Groene Vrouwen er, zoals gewoonlijk, bekaaid af. Voorzover ze in het boek zijn afgebeeld, worden ze, zoals op pagina 16, aangeduid als 'vrouwenportret', of, zoals op pagina 50, in de tekst genegeerd. Die draad in ons boek is nog niet echt opgepakt. De omschrijving op pagina 73 spreekt boekdelen: 'Een Groene Man is pas een Groene Man als er iets van bladeren, loof of vegetatie uit een of meerdere gezichtopeningen naar voren komt (Engelse school) of dat het gezicht ook door bladeren of andere vegetatie direct omgeven wordt (Duitse school).' Beide scholen laat ik voor rekening van Cees de Gooijer, want ik ben ze niet tegengekomen, maar het geeft wel aan waarop de werkgroep zich heeft gericht in de zoektocht naar de Groene Mannen in Deventer.

Historisch is er wel meer op het boek aan te merken. Zo is onjuist dat bisschop Nicetius van Trier rond 550 een Keltisch heiligdom liet ombouwen tot een christelijke kerk en daarbij de Keltische Groene Mannen intact liet. (p 71) In werkelijkheid liet Nicetius de pilaren met Groene Mannen overbrengen uit de nabijgelegen ruïne van een Romeinse tempel uit de 2e eeuw. De Keltische Groene Mannen die de Gooijer als een van de twee hoofdstromen voor de oorsprong van de Groene Man noemt, zijn pas in de middeleeuwen ontstaan. Ook de Grieken, die hij als andere hoofdstroom noemt, hebben pas Groene Mannen voortgebracht toen ze stevig verankerd waren in het Romeinse Rijk. De Groene Man is door de Romeinen ontwikkeld, niet door de Grieken of Kelten.

De kracht van het boek is niet de historische context, maar de beschrijving van de Groene Mannen in Deventer. De stad is in dat opzicht niet zo uitzonderlijk als de Gooijer denkt. Over de meeste steden in Nederland zou een boek over de Groene Mannen te schrijven zijn. Alleen moeten die boeken nog geschreven worden. De Gids voor de Groene Mannen in Deventer is een voorbeeld dat navolging verdient. Het boek is te bestellen via www.vvvdeventer.nl voor € 9,90. Doen! (Ko)

En de drummers waren vrouwen

Een spirituele geschiedenis van het ritme

door Layne Redmond

190 blz. € 25,00
Uitgeverij A3 boeken, 2012
ISBN 978 90 77408 97 1

Layne Redmond is al vele jaren actief bezig met de framedrum, een over een lijst gespannen ondiepe trommel, die in het Nederlands ook wel bekend staat als lijsttrom, al wordt die naam in het boek niet genoemd. De auteur heeft zichzelf getraind in het bespelen van dit instrument en geeft ook anderen, met name vrouwen hier les in. Ook heeft ze zich verdiept in de geschiedenis van dit instrument, dat in de oudheid met name werd bespeeld door vrouwen als onderdeel van de muzikale begeleiding van rituelen. Het boek is in 1997 in het Engels verschenen, maar nu voor het eerst in het Nederlands vertaald, dankzij de inspanningen van Isabella Verbruggen, die ook de gedegen vertaling voor haar rekening heeft genomen.

In het eerste deel beschrijft Layne Redmond haar eigen zoektocht naar de geheimen van deze trommel. Ze leerde het instrument te bespelen en verdiepte zich ook in de betekenis en oorsprong van deze trommel, waar in de oudheid Godinnen en priesteressen mee werden afgebeeld. Ze bezocht talloze musea en fotografeerde de afbeeldingen die ze daar aantrof. Veel van deze foto's zijn in het boek opgenomen en tonen aan hoe belangrijk de lijsttrom in de oude heidense culturen is geweest. Ik had al veel afbeeldingen van deze trommel gezien, maar als je ze allemaal bij elkaar ziet, is het toch wel een eye-opener. Helaas is over de symboliek en betekenis van dit instrument in de oudheid weinig opgeschreven. Het instrument werd veelvuldig afgebeeld en in teksten genoemd, maar niet toegelicht. Layne Redmond beschrijft de culturen in de oudheid waar de lijsttrom werd afgebeeld en laat zien dat de verschillende Grote Godinnen in die culturen een belangrijke rol speelde. Toen tegen het eind van de oudheid de Godinnen steeds meer naar de achtergrond verdwenen, raakte de lijsttrom in onbruik en werd de belangrijke rol die vrouwen hierin hadden gespeeld vergeten. Het verhaal van de teloorgang van de Godinnenreligies is natuurlijk al vaker verteld en graag had ik wat meer over de trommels zelf in de oudheid gehoord, maar daar zal wel weinig over bekend zijn. In ieder geval is dit een belangrijk boek met prachtige afbeeldingen dat ik ieder van harte kan aanbevelen. (Ko)

Druïden

een kort overzicht

door Barry Cunliffe

183 blz. € 14,90
Uitgeverij Synthese, 2011
ISBN 978 90 6271092-8

Barry Cunliffe (1939) is emeritus professor in de Europese archeologie aan de universiteit van Oxford. In het boek Druïden geeft hij een overzicht van wat er over deze priesters bekend is. Anders dan over heksen (zie mijn recensie hierboven) is er over druïden niet zoveel bekend, dus Cunliffe heeft zijn boek niet volgepropt met feiten en wetenswaardigheden over druïden. Weliswaar dateren de oudste geschriften uit de vierde eeuw v.Chr., maar de verwijzingen zijn kort, vaag en onbetrouwbaar. Het oudste geschrift van een auteur die de druïden uit eigen ervaring kende, is waarschijnlijk de reeks historische boeken van Posidonius, die leefde van ca. 153-50 v.Chr. Maar de boeken van Posidonius zijn niet bewaard gebleven, afgezien van fragmenten met citaten of bewerkingen in de boeken van latere auteurs.

Aangezien de druïden zelf geen geschriften hebben nagelaten, hebben we altijd te maken met de interpretaties van Griekse of Romeinse auteurs. Daarbij kunnen twee tegengestelde tendensen de betrouwbaarheid van hun geschriften negatief beïnvloeden. Enerzijds bestond vaak de neiging druïden als priesters van vijandige volkeren af te schilderen als monsters die mensenoffers toestonden om uit de manier waarop de slachtoffers neervielen de toekomst te voorspellen. Anderszijds waren auteurs als Tacitus geneigd de 'nobele wilden' te idealiseren om de decadente Romeinen te bekritiseren. Voor Caesar was er veel aan gelegen de druïden voor te stellen als de machtige leiders van een volk dat een groot gevaar voor de Romeinen vormde en daarom in een bittere oorlog verslagen moest worden.

Gegevens de beperkte en niet onpartijdige bronnen, is er weinig meer over de druïden te zeggen dan dat ze in hoog aanzien stonden en ook fungeerden als artsen, rechters en raadgevers van de koningen. Volgens sommigen waren er drie klassen: de barden (zangers en dichters), de ovaten (waarzeggers) en als hoogste klasse de druïden. De eerste helft van het boek is dan ook eerder een sfeervolle beschrijving van de tijd waarin de druïden leefden dan een beschrijving van de druïden zelf.

Cunliffe besteedt daarna aandacht aan de middeleeuwen, waarin de druïden soms te herkennen zijn in de mythen die in die periode werden opgetekend, al zijn de verhalen vaak vele eeuwen ouder en mondeling doorgegeven. Tenslotte beschrijft Cunliffe hoe in de 18e, 19e of 20e eeuw talloze groeperingen werden gevormd waarin de leden probeerden de oude druïden nieuw leven in te blazen. Cunliffe gaat ervan uit dat deze groepen weinig of niets met de druïden uit de oudheid te maken hebben, al houdt dat natuurlijk geen waarde-oordeel over hedendaagse druïden in.

Het boek is in een prettige stijl geschreven en uitstekend vertaald door Gerdie Brongers, die met een korte toelichting bijspringt waar de tekst voor Nederlanders wellicht te cryptisch is. Een aanrader dus, al blijven de druïden ook hier nogal vaag op de achtergrond. (Ko)

Keizers sterven niet in bed

Van Caesar tot Romulus Augustulus, 44 v.Chr - 476 n.Chr.

door Fik Meijer
238 blz. € 12,50
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2010 (achtste druk)
ISBN 978 90 253 34154/NUR 680

Fik Meijer is hoogleraar Oude Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. In Keizers sterven niet in bed beschrijft hij de geschiedenis van het Romeinse Keizerrijk aan de hand van de levensgeschiedenis en met name het meestal tragische einde van de keizers die in deze periode hun stempel op de wereldgeschiedenis hebben gedrukt. Meijer bezit de gave een boeiende en glasheldere samenvatting te geven van de levens van belangrijke heersers en ook vrijwel vergeten keizers die maar kort, soms slechts een dag, over het Romeinse Rijk hebben geheerst.

Bij de biografieën gaat Meijer sappige details over de levens van perverse potentaten als Nero, Caligula, Caracalla en Heliogabalus niet uit de weg, maar zonder uitzondering weet hij ook een gevoelige snaar te raken als ontredderde keizers tegen het eind van hun leven verstrikt raken in een net waaruit ze niet meer kunnen ontsnappen. Zelfs Nero, toch bekend om zijn medogenloze wreedheid, is de wanhoop nabij als iedereen hem in de steek laat en hij zelfs niemand bereid vindt hem te doden, terwijl de moed hem ontbreekt om zelfmoord te plegen, wat hij uiteindelijk toch maar doet bij de gedachte hoe hij gemarteld zal worden voordat hij zal sterven.

Meijer baseert zich voor zijn biografieën op het relaas van schrijvers uit de oudheid, die soms het drama van nabij hebben meegemaakt en soms beschrijven wat zich lang voor hun tijd afspeelde. Soms zijn de feiten onweerlegbaar, soms zijn het geruchten die verspreid werden om een keizer in diskrediet te brengen. De waarheid is dan niet meer te achterhalen.

Soms werd iemand al op jeugdige leeftijd als keizer naar voren geschoven en zelden was zoiemand in staat de in zijn handen gelegde macht goed te hanteren. In het jaar 180 werd Commodus, na de dood van zijn vader, Marcus Aurelius, door de soldaten in het leger van zijn vader tot keizer uitgeroepen. De senaat was het niet met de keuze eens, maar niet bij machte dit te herroepen. Meijer beschrijft Commodus als 'een waanzinnige en megalomane heerser'. Vanaf zijn intocht in Rome wist hij iedereen te shockeren door in het openbaar met mannen of vrouwen te vrijen. Hij vertoonde zich in het openbaar, uitgedost als Hercules, met een leeuwenhuid over zijn schouders, terwijl een bediende een grote knots voor hem uit droeg. In het circus doste hij zich uit als gladiator en doodde voor zijn plezier vrijwel ongewapende mensen. Ook doodde hij graag wilde dieren, die al door anderen in netten waren gevangen en dus weerloos waren. Een keer schoot hij vanaf de ballustrade honderd beren dood die in het circus waren losgelaten. Zijn lafheid evenaarde zijn wreedheid. Zijn gruwelijkste daad was het in het circus doodknuppelen van een groep vastgebonden, mismaakte mensen. Door elke Romein gehaat, werd hij tenslotte in 192 door een samenzwering vergiftigd en doodgestoken.

Niet elke keizer was natuurlijk zo pervers, al schrokken de meesten er niet voor terug echte of vermeende vijanden en samenzweerders uit de weg te ruimen. In tijden van oorlog en chaos greep meestal een sterke man de macht en niet altijd wist hij daar goed mee om te gaan, met name als er anderen waren die zijn troon opeisten. Talloze malen leidde dit tot een bloederige burgeroorlog. Om deze machtsstrijd te voorkomen wezen veel keizers bij hun leven al een opvolger aan, liefst hun eigen zoon of anders een geadopteerde zoon. Zo was de eerste keizer, Augustus, de geadopteerde zoon van Julius Caesar, maar hij kon zijn aanspraak op het leiderschap pas waarmaken na een burgeroorlog waarin talloze slachtoffers vielen.

Ook was de door de keizer aangewezen opvolger niet altijd de beste keuze, vooral niet als het zijn zoon betrof. Septimius Severus had bepaald dat zijn zoons Geta en Caracalla hem samen zouden opvolgen. Kort na de dood van hun vader liet Caracalla zijn broer vermoorden en besloot veiligheidshalve ook de vriendenkring van zijn broer maar uit te moorden. Naar schatting zijn bij deze zuivering 20.000 slachtoffers gevallen. Zes jaar later werd Caracalla zelf vermoord, nog maar 23 jaar oud.

Veel keizers hebben hun gewelddadige dood over zich afgeroepen door hun levensstijl of wandaden, maar veel goede en rechtschapen keizers zijn het slachtoffer geworden van op macht beluste mededingers, of hun tragiek was dat ze de goede keizer in de verkeerde tijd waren. Ook oorlogen hadden niet altijd het gewenste effect. Zo probeerde keizer Valerianus in 260 te onderhandelen met de Perzische koning Shapur om diens veroveringen van Romeins gebied te stoppen. Tijdens de onderhandelingen werd Valerianus lafhartig gevangen genomen en meegenomen door Shapur die hem op alle mogelijke manieren vernederde en martelde. Het eindigde ermee dat Valerianus werd gedood, waarna zijn huid werd afgestroopt, rood geverfd en opgehangen in een Perzische tempel. Shapur hield ervan Romeinse gezanten mee te nemen naar de tempel om ze de huid van hun voormalige keizer te tonen.

De Romeinen geloofden heilig in voortekenen en weigerden als regel een senaatsvergadering te openen voordat de augur, de schouwer, een gunstig voorteken had ontvangen. Overbekend zijn de slechte voortekenen die Julius Caesar in de wind sloeg, kort voordat hij werd vermoord. Maar ook bij de dood van vele andere heersers zijn slechte voortekenen opgetekend die al aangaven dat er iets fout zou gaan. De schrijvers uit de oudheid geloofden uiteraard in die voortekenen. Het is te prijzen dat Fik Meijer deze voortekenen objectief beschrijft zonder een oordeel te vellen over de waarde van dergelijke voortekenen. Een bekende manier om te divineren was de ingewandenshouw van geofferde dieren. In het bijzijn van keizer Pertinax (in 193) werd een dier geofferd dat op onverklaarbare wijze geen hart had. Er werd een tweede dier geofferd dat een uitzonderlijk puntige lever had. Ook dat werd als een slecht voorteken geduid. Enkele uren later werd de keizer door ontevreden soldaten van zijn eigen lijfwacht vermoord. Zo worden er vele voorbeelden in het boek gegeven.

Natuurlijk zijn niet alle keizers op gewelddadige wijze aan hun eind gekomen. De eerste en tweede eeuw waren een periode van welvaart, ontsierd door enkele perverse keizers, met vele andere keizers die het Romeinse Rijk groot hebben gemaakt. Na de dood van Alexander Severus in 235 volgde een gewelddadige en chaotische periode van vijftig jaar waarin vele Romeinse legers hun leider tot keizer uitriepen en hem vaak na korte tijd vermoordden om een ander in zijn plaats te stellen. Van de meer dan twintig keizers in die periode is er maar één een natuurlijke dood gestorven. In de daarop volgende eeuwen gleed het Romeinse Rijk door verschillende oorzaken langzaam steeds verder af in chaos en verwarring. Goede en daadkrachtige keizers in die periode waren niet bij machte het verval te keren.

Van de belangrijkste keizers is in het boek een foto opgenomen van een beeld waarop hij is afgebeeld. Onhandig is dat de tekst die bij de foto's hoort achterin het boek staat en vaak een minimum aan informatie geeft, meestal niet meer dan het museum waar het beeld staat. De informatie bij de foto op pagina 98 is: 'Boog van Septimius Severus. Dia E.M. Moormann.' Er staat niet dat de boog zich bevindt een Leptis Magna, de geboorteplaats van Septimius Severus. Dat weet ik toevallig omdat ik geweest ben, maar het staat niet in het boek. Dat had wat beter gekund. Handig is wel het uitgebreide register en de stambomen van een aantal keizers. Kortom: een boek dat ik iedereen kan aanraden. (Ko)

Verval en Ondergang van het Romeinse Rijk

door Edward Gibbon
964 blz. € 17,50
Contact-Olympus, 2007 (vijfde druk)
ISBN 9789046700815

Edward Gibbon was een briljant Engels historicus. Tussen 1776 en 1788 schreef hij in zes delen The History of the Decline and Fall of the Roman Empire . In 1960 maakte David Morrice Low een verkorte uitgave die is gebruikt voor de door Contact-Olympus gepubliceerde vertaling, waarvan de vijfde druk nog te koop is. Low heeft duidelijk aangegeven waar hij teksten van Gibbon heeft weggelaten en geeft steeds een duidelijke samenvatting hiervan.

Voor de meeste lezers zal deze uitgave van 964 pagina's lang genoeg zijn, maar langdradig is het boek allerminst. Gibbon bezat de gave zijn stof zodanig te presenteren dat de oudheid tot leven komt. Goede en slechte kanten van de door hem beschreven personen komen altijd uit de verf en tonen op indringende wijze hoe de kracht en zwakheden van belangrijke leiders de wereldgeschiedenis soms ingrijpend hebben gewijzigd.

Gibbon begint zijn boek met wat volgens hem de gelukkigste en meest welvarende periode van de wereldgescheidenis is geweest, de tijd tussen de dood van keizer Domitianus (96 na Chr.) en de troonsbestijging van keizer Commodus (180). Daarna trad het verval in dat in 476 leidde tot de afzetting van de laatste Romeinse keizer Romulus Augustulus. Het Oost-Romeinse of Byzantijnse Rijk, met de hoofdstad Constantinopel, hield het nog vol tot de stad in 1453 door de Turken werd ingenomen, waarmee ook het Oost-Romeinse Rijk ten val was gebracht.

Gibbon was de eerste historicus die zoveel als mogelijk gebruik maakte van primaire bronnen en niet volstond met het navertellen van samenvattingen van derden, zoals zijn tijdgenoten over het algemeen deden. Gibbon wordt dan ook als de vader van de moderne geschiedschrijving beschouwd. Hoewel details door latere historici gecorrigeerd zijn, worden de beschrijvingen van Gibbon nog steeds geprezen om hun nauwkeurigheid.

Gibbon heeft me vooral getroffend door de manier waarop hij de hoofdpersonen in zijn boek nieuw leven weet in te blazen, zodat je als lezer als het ware getuige bent van de gebeurtenissen. Waar Gibbon naar mijn idee wat steken laat vallen, is als hij de rol van historicus verwisselt voor die van prediker, die zijn lezers vertelt dat het christendom het ware geloof is, dat daarom de dwalingen van het heidendom heeft overwonnen. Daarbij verliest hij soms de anders door hem gevolgde objectiviteit uit het oog. Zo beschrijft hij de volgens hem beste heidense priesters als "ronddolende fanatici in Egypte en Syrië die zich tot de lichtgelovige bevolking richtten." (p 202)De godsdienstige gevoelens van de Romeinse heidenen doet hij af als "vrijwel zonder enige beperking de speelbal van het natuurlijk functioneren van een bijgelovige fantasie."(p 203) Gibbon gaat behoorlijk ver in zijn pogingen het heidense geloof onderuit te halen: "Zolang hun vermogen tot aanbidden zich ten behoeve van een duizendtal godheden prostitueerde was het nauwelijks denkbaar dat hun hart een heel oprechte of levendige hartstocht voor een van deze godenheden zou opvatten."

Deze knieval naar het christendom is des te opvallender uit de mond van de grootste historicus van de achttiende eeuw. Gibbon verdedigt het christelijk geloof tegenover het heidendom, maar is opnieuw objectief waar hij de gedragingen van christenen en heidenen vergelijkt. Het aantal christenen dat door de heidense Romeinen is terechtgesteld schat hij op iets minder dan tweeduizend. Hij voegt eraan dat we "moeten erkennen dat de christenen elkaar in de loop van hun interne onenigheden veel meedogenlozer hebben behandeld dan wat ze als gevolg van het fanatisme van ongelovigen hebben moeten verduren." (p 260)Een voorbeeld van christelijke meedogenloosheid is dat de Byzantijnse keizer Theodosius (378-395)een opstand in Thessaloniki bestrafte door zogenaamd begrip te tonen. Alle inwoners van de stad werden uitgenodigd ter verzoenining de spelen in het circus van de stad bij te wonen. Naar schatting 10.000 tot 15.000 gaf hier gehoor aan, waarna ze werden afgeslacht door de troepen van Theodosius. Het is het genie van Gibbon dat hij deze schanddaad onomwonden onthult en toch begrip voor het in veel opzichten tragische leven van Theodosius weet op te wekken.

Gibbons meesterwerk is nog steeds een zeer lezenswaardig boek dat ik ademloos heb uitgelezen. Zijn verkondiging van het Ware Geloof, die hij als kind van zijn tijd meende te moeten uitdragen, vergeef ik hem graag. Ik ben dan ook blij dat Contact-Synthese ons de gelegenheid biedt dit boek voor slechts € 17,50 aan te schaffen. Het enige nadeel van de uitgave vind ik dat het register erg beknopt is. Zo meldt Gibbon op pagina 30 dat de Perzische heerser Mithradates op één dag 80.000 Romeinse soldaten liet afslachten. Toch is Mithradates kennelijk niet belangrijk genoeg om in het register opgenomen te worden! Wat ik je kan aanraden: koop het boek, lees het en maak je eigen register. (Ko)

Keizers van Rome

door Suetonius
547 blz. € 7,95
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2010 (elfde druk)
ISBN 9789025367442

Suetonius Tranquillus, als regel alleen met zijn voornaam aangeduid, is geboren rond het jaar 70. Tijdens de regering van keizer Hadrianus (117-138) werkte hij als hoofd van de keizerlijke kanselarij en als toezichthouder van de zeven openbare bibliotheken in Rome. In die hoedanigheid had hij inzage in talloze documenten waarin de handelingen en levenswandel van de Romeinse keizers vanaf Julius Caesar (in naam nog geen keizer) tot zijn tijd uit de doeken werden gedaan. De meeste van die bronnen zijn sindsdien verdwenen, zodat de informatie die Suetonius geeft vaak een unieke blik in de keizerlijke wereld toestaat.

Suetonius had een van de belangrijkste posten in de keizerlijke administratie en ging vertrouwelijk om met de keizer en zijn vrouw Sabina. In 122 keerde dit zich tegen hem toen Hadrianus hem ontsloeg omdat hij wat al te vrij met de keizerin omging. In zijn boek beschrijft Suetonius nog gebeurtenissen die in het jaar 126 plaatsvonden, en aangenomen wordt dat hij het boek, getiteld De vita Caesarum (Over de levens van de keizers) rond of kort na die tijd heeft geschreven. Van de meeste andere boeken die hij heeft geschreven, zijn niet meer dan fragmenten bewaard gebleven.

Suetonius wordt beschouwd als een vrij nauwkeurige en betrouwbare bron over de eerste twaalf keizers. Zijn verslag komt meestal overeen met wat anderen erover geschreven hebben, wat de betrouwbaarheid verhoogt van de zaken waarover alleen hij iets heeft opgeschreven. Niet dat zijn boek een taaie kroniek van feiten en gebeurtenissen is. Vette roddels en schokkende details gaat hij niet uit de weg. En bij keizers als Caligula en Nero liggen die schandalen natuurlijk voor het oprapen.

Toch is het allerminst de bedoeling van Suetonius om de wandaden van de keizers aan de kaak te stellen. Ook de goede kanten van zelfs de slechtste keizers belicht hij. In elk van de twaalf hoofdstukken beschrijft hij een bepaalde keizer. Daarbij moet je even aan zijn stijl wennen, want hij rangschikt de feiten niet chronologisch, maar naar thema. Zo beschrijft hij uitgebreid de harteloosheid en wreedheid van Caesar om in een ander deel van het hoofdstuk de ruimdenkendheid, mildheid en vergevingsgezindheid van Caesar breed uit te meten. Zelden doet Suetonius een poging de tegenstrijdige kanten van een keizer met elkaar te verbinden om een genuanceerd beeld van de betreffende persoon te geven. Hij laat de feiten, hoe tegenstrijdig ook, voor zich spreken en laat het oordeel aan de lezer over. Best heel modern in dat opzicht.

Athenaeum-Polak en Van Gennep bracht de vertaling van Keizers van Rome voor het eerst in 1996 uit. De inmiddels alweer 10e druk is uitgebracht in de serie klassieke standaarwerken die voor de ongelooflijk lage prijs van € 7,95 te koop zijn. Een unieke kans om voor een spotprijs een authentiek Romeins meesterwerk te bemachtigen. Vertaler D. den Hengst heeft gezorgd voor een interessant nawoord met een uitleg wie Suetonius was en een toelichting op de gebruikte Romeinse ambten en termen. Waar het boek voor moderne lezers een aanvulling of toelichting nodig heeft zijn er aantekeningen die je kunt nakijken als je, zoals ik, het naadje van de kous wilt weten. Wat in het boek Register wordt genoemd, is in werkelijkheid een verklarende woordenlijst waarin een aantal personen en plaatsnamen worden toegelicht. Een echt register is het niet omdat verwijzigien naar paginanummers helaas ontbreken. Het boek is een absolute aanrader voor wie de Romeinen eens door de ogen van een Romein wil bekijken. (Ko)

Stad in Marmer

Gids voor het antieke Rome aan de hand van tijdgenoten

door Jona Lendering
349 blz. € 14,95
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2007 (derde druk)
ISBN 9789025331597

Stad in marmer, geschreven door de historicus Jona Lendering, geeft een beeld van het Rome uit de 2e en 3e eeuw, aan de hand van restanten die er nu nog te zien zijn. Soms zijn dat niet meer dan fundamenten waarop Lendering een verdwenen tempel, paleis of openbaar gebouw laat herleven.

De eerste hoofdstukken geven kort de geschiedenis van Rome en het Romeinse Rijk, vanaf de Kongingstijd en de Republiek tot de Keizertijd. Daarna neemt de auteur steeds een bepaald stadsdeel onder de loep en plaatst de gebouwen die hij beschrijft in de context van de gebeurtenissen die samenhingen met de historie van het gebouw.

Hoewel Lendering de lezer aanraadt de inleidende hoofdstukken van tevoren te lezen en de andere hoofdstukken ter plekke als bron te raadplegen, lijkt het me een goed idee het hele boek van tevoren te lezen, het mee te nemen naar Rome en daar na te lezen wat er ergens te zien valt. Met name het Forum Romanum is dermate ingewikkeld dat je snel de kluts kwijt bent als de fundamenten van oudere gebouwen half onder latere bebouwing zijn verdwenen. Met dit boek in de hand kun je je snel oriënteren.

Het Romeinse Rijk heeft een belangrijk stempel gedrukt op onze moderne samenleving. Veel van deze geschiedenis is rechtstreeks met het oude Rome verbonden en nog deels terug te vinden dankzij deze gedetailleerde beschrijving. Meer informatie over de oudheid kun je vinden op de zeer uitgebreide door Jona Lendering beheerde Engelstalige website www.livius.org.(Ko)

SPQR

Anekdotische reisgids voor Rome

door Luc Verhuyck
421 blz. € 22,95, afbeelding links
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2009 (negende druk)
ISBN 9789025331597

In 2011 uitgebracht door Uitgeverij Maarten Muntinga
als Rainbow Pocket voor € 6,95
ISBN 9789041708250, afbeelding rechts

Luc Verhuyck (1943) studeerde Germaanse talen aan de Rijksuniversiteit van Gent en is werkzaam als docent Nederlands en Duits aan een college bij Antwerpen. Anders dan Jona Lendering richt Luc Verhuyck zich in SPQR niet op een bepaalde periode van het Romeinse Rijk, maar laat hij zich leiden door wat er op een bepaalde plaats in Rome te zien is. Alfabetisch naar trefwoord gerangschikt, geeft Verhuyck voor deze locaties een overzicht van de talloze bezienswaardigheden en wetenswaardigheden. Dat kunnen overblijfselen uit het Romeinse Rijk zijn, maar ook hoogtepunten uit de Renaissance of de daarop volgende perioden tot heden toe. Het stuk Rome in jaartallen, achterin het boek, geeft een chronologisch overzicht van 2758 jaar geschiedenis van Rome en het Romeinse Rijk. Een uitgebreid register is een goed hulpmiddel bij het zoeken naar trefwoorden die niet rechtstreeks in de alfabetische indeling zijn opgenomen.

Verhuyck geeft genoeg interessante details om doorgewinterde Romekenners te boeien, maar schrijft tegelijk zo glashelder dat ook een eerste kennismaking met Rome door dit boek tot een feest kan worden. Mij gaf het boek in ieder geval kriebels er weer eens heen te gaan om nieuwe plaatsen te bezoeken of details te bekijken die me bij een eerder bezoek ontgaan waren.

Verhuyck is dol op grappige of bizarre anekdotes en kruidt de wat serieuzere delen van zijn verhalen er graag mee. Zo is de titel van het boek de afkorting van Senatus Populusque Romanus (Senaat en Volk van Rome) die je nog steeds in Rome kunt aantreffen "op gebouwen, in kerken, op bussen, taxi's, vuilniswagens, krantenkiosken, riooldeksels, straatlantaarns, enzovoort". Maar in de loop der eeuwen zijn op die afkorting talloze varianten bedacht. Zo werd de macht van de kerk wel gehekeld met Solo Preti Qui Regnano (alleen priesters regeren hier). In Italiaanse vertalingen van de Asterix-strips zegt Obelix: 'Sono Pazzi Questi Romani' (Rare jongen, die Romeinen).

Als regel laat Verhuyck voor een bepaalde locatie zien welke rol die plaats door de eeuwen heen in Rome heeft gespeeld. Zo geeft hij voor de Trevifontein de oorsprong in de aquaducten van de eerste eeuw v.Chr. De prachtige fontein die nu nog te bewonderen is, beschrijft hij uitgebreid en besteedt ook aandacht aan Federico Fellini's film La dolce vita (1960), waarin Anita Ekberg zich in de fontein begeeft, gevolgd door Marcello Mastroianni. De voorpagina van de oorspronkelijke uitgave van het boek toont deze scène.

Ik wil dit boek zonder meer aanraden aan iedereen die belangstelling heeft voor de geschiedenis van onze westerse cultuur, een geschiedenis die in Rome nog steeds terug te vinden is. De spotgoedkope uitgave als Rainbow Pocket maakt dit boek voor elke beurs aanlokkelijk. (Ko)

Merlinde de kleine heks

door Daniela Drescher
20 blz. € 13,50
Christofoor, 2009
ISBN 9789060386262

Een nieuw boek van Daniela Drescher bij Christofoor is altijd een feestje! Dit boek is al wat langer uit, maar even aan mijn aandacht ontsnapt.

In prachtige, diepe kleuren schildert en vertelt Daniela over Merlinde en Igor de draak. Samen hebben ze het erg druk. Het is herfst en de groenten en fruit die ze oogsten moeten verwerkt worden tot moes, jam, sap en zuurkool.

Samen brengen ze het naar de voorraadkelder en gaan de volgende dag de pompoenen oogsten.

Maar dan gebeurt het: een doorn in Igors teen! Merlinde biedt aan de doorn uit de teen te trekken, maar Igor wil dat ze de doorn eruit tovert, want dan doet het tenminste geen pijn.

Merlinde slaat aan het toveren, maar ze kan er duidelijk niet veel van en Igor heeft heel wat te verduren tot het uiteindelijk weer goed komt.

Prachtig geïllustreerd boek met een leuk verhaal voor de peuters en kleuters. Kijk samen de plaatjes en let ook op de muisjes die in de meeste plaatjes in huis hun eigen verhaal maken! (Joke)

Merlinde en Igors recepten

door Daniela Drescher
36 blz. € 13,50
Christofoor, 2011
ISBN 9789060386798

Een kookboek met recepten van Merlinde de heks en Igor de draak. Het is het nieuwste boek van Daniela Drescher. Van de eerste tot de laatste bladzij prachtig en geestig geïllustreerd.

De gerechten zijn geschikt om samen met een kind te koken. De recepten zijn simpel en aangepast aan wat (kleine) kinderen graag lusten.

Maar het boek is natuurlijk ook om samen naar te kijken. Op de meeste plaatjes gebeurt wel iets vreemds of grappigs, dat soms pas opvalt als je er goed naar kijkt. Zo is Igor verkleed als haas terwijl hij de ingrediënten voor de Yoghurtshake met fruit verzamelt. Een wasbeer, een raaf en een rode kater kijken verlangend op naar de schaal die Igor heeft gevuld met al dat lekkers. Maar ze krijgen er niets van. Op de volgende bladzij maakt een fret zijn eigen smulpartij met een groot, opengebroken ei.

Kabouters, een elfje en vele dieren spelen hun bescheiden rol in de mooie plaatjes. En ook de muisjes maken weer hun eigen verhaal, dat vaak overeenkomt met wat Merlinde en Igor op dat moment aan het doen zijn. Zo gebruiken de muisjes een doosje als tafel en kleinere doosjes als stoeltjes om hun eigen maaltijd te nuttigen terwijl Merlinde en Igor aan tafel zitten.

Kortom: een mooi cadeautje. (Joke)

Egyptische Magie

Op zoek naar het toverboek van Thot

door Maarten J. Raven
Walburg Pers, 2010
208 blz. € 29,95
ISBN 978 90 57 306778

Rond 3100 v. Chr. werd Egypte voor het eerst een eenheid onder de eerste farao's en toen is ook het schrift uitgevonden, de voorloper van de hiëroglyfen, waardoor wij het Egyptische rijk beter begrijpen dan veel andere culturen uit de oudheid. Van noord naar zuid strekte het Egyptische rijk zich over meer dan 1000 km uit. Door de geïsoleerde ligging aan de Nijl, aan twee kanten afgeschermd door de woestijn, wist Egypte zich tot het begin van onze jaartelling redelijk autonoom te ontwikkelen.
In de Egyptische religie en de samenleving als geheel speelde magie een belangrijke rol. Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden is voor de kennis van het oude Egypte een in Nederland toonaangevend museum, dat ook op wereldniveau een belangrijke plaats inneemt. De tentoonstelling Egyptische Magie die van 16 oktober 2010 tot 13 maart 2011 in het RMO te zien is, is dan ook een belangrijk evenement. Even belangrijk is het boek dat Maarten Raven ter gelegenheid van deze expositie schreef. Ook voor wie de expositie mist, is dit een uitstekende manier om kennis te maken met dit onderwerp.
Raven schrijft met veel kennis van zaken over uiteenlopende zaken die met dit onderwerp te maken hebben. Wat vooral opvalt, is zijn positieve benadering van magie in het kader van de Egyptische geschiedenis. “Magiërs,” zegt hij, “waren geen achterlijke bedriegers, maar onmisbare beschermers van de door de Goden gewenste wereldorde (maät) en erudiete wetenschappers, altijd op zoek naar het toverboek van Thot.” Deze herwaardering van de magie doet me goed, nadat moderne wetenschappers vanaf de 18e eeuw steevast hebben beweerd dat magie niet werkt en dus alleen was gebaseerd op trucs en oplichterij. Raven neemt de oude magiërs niet alleen serieus, hij draagt ze ook duidelijk een warm hart toe. Daardoor is hij in staat een boeiend en meeslepend verhaal neer te zetten, dat door de vele prachtige foto’s wordt ondersteund.
Raven omschrijft magie als volgt: “Magie kan worden omschreven als het geheel van spreuken en handelingen dat tot doel heeft om met bovennatuurlijke middelen het lot te beïnvloeden.” Geen speld tussen te krijgen. Spreuken en handelingen vormen inderdaad de kern van magie.
Raven plaatst alles wat hij beschrijft in een duidelijke context. Zo wordt Seth vaak alleen gezien als de slechterik die Osiris doodde en door Isis en Horus werd bestreden, maar Seth was oorspronkelijk een belangrijke God, die tot in het Nieuwe Rijk (1550 – 1070 v. Chr.) vaak werd afgebeeld en in vele tempels werd vereerd door aan hem gewijde priesters. Pas later werd Seth “in toenemende mate gedemoniseerd en vervloekt.” Veel mensen zijn daarom geneigd Seth te associëren met zwarte magie, gericht op het schade berokkenen aan andere mensen, maar dat is dus een vertekend beeld.
Hiëroglyfen werden in Egypte alleen gebruikt door de bovenlaag van de bevolking. Naar schatting was slechts 1% van de Egyptenaren in staat deze tekens te lezen en te schrijven. Juist daardoor stond de magie, die gebruik maakte van deze magische tekens, in hoog aanzien. Maar ook de gewone mensen in Egypte gebruikten magie. In de woorden van Raven: “We mogen wel aannemen dat iedere Egyptenaar wel wat toverformules kende voor huis-, tuin- en keukengebruik.”
In het boek worden teveel onderwerpen aangesneden om ze allemaal te bespreken: toverboeken, magie en geneeskracht, magie en overwinning in de strijd, magie en het hiernamaals, magie en de kosmos, natuurmagie. En nog veel meer. Ik zou zeggen: koop dit prachtige boek en verslind het. (Ko)

Virgilius van Tuil

door Paul Biegel
met tekeningen van Mies van Hout
337 blz. € 24,95
Uitgeverij Holland-Lemniscaat, 2009
ISBN 978 9047 750109

Graag wil ik aan je voorstellen Virgilius van Tuil. Hij is geestig, adrem, anarchistisch, dol op avonturen, nergens bang voor, gek op honing en boterhammen met opindakaas, 11 cm groot en erg dik. Samen met honderd andere dwergen, die allemaal van Tuil heten, woont hij al heel lang op de hei. Hij wil wel eens weten of hij echt zo dik is als de andere dwergen zeggen. Daarom wil hij in een spiegel kijken, maar die vind je alleen bij de mensen. De andere dwergen waarschuwen Virgilius dat mensen gevaarlijk zijn, maar hij is vastbesloten een spiegel te vinden en komt zo van het ene avontuur in het andere terecht.

Het boek is een deel uit de Biegelbibliotheek, oorspronkelijk als radiofeuilleton geschreven en verschenen als Virgilius van Tuil (1978), Virgilius van Tuil op zoek naar een taart (1979) en Virgilius van Tuil overwintert bij de mensen (1982). Meer informatie over Paul Biegel vind je bij de recensie van Biegels Nachtverhaal hieronder. Net als de andere uitgaven van de Biegelbibliotheek zijn de boeken in deze omnibus bijzonder leuk geïllustreerd, ditmaal door Mies van Hout. Uitgevoerd in een gebonden uitgave met rode linnen rug.

Goed voor wekenlang voorleesplezier. Helaas zijn de boeken me ontgaan toen ik zelf nog kinderen of kleinkinderen om me heen had die ik ze voor had kunnen lezen. Dat neemt niet weg dat ik ze nu zelf met veel plezier heb gelezen. Pret voor jong en oud dus. (Joke)

De Tuinen van Dorr

door Paul Biegel
met tekeningen van Charlotte Dematons
184 blz. € 14,95
Uitgeverij Holland-Lemniscaat, 2009
ISBN 978 9047 750116

Van Paul Biegel heb ik al eerder een recensie geschreven, van Nachtverhaal. Voor algemene informatie over Paul Biegel en Charlotte Dermatons verwijs ik naar deze recensie, die ik voor het gemak hieronder heb gezet.

In 1969 publiceerde Biegel De tuinen van Dorr, dat hij zelf als zijn beste boek beschouwde. Vergeleken met Nachtverhaal, dat ik ademloos heb uitgelezen, moet ik zeggen dat ik De tuinen van Dorr nog beter vind. Het verhaal is ongelooflijk knap geschreven, met een schijnbare wirwar van op zich al fascinerende verhalen, die in de loop van het boek allemaal op hun plaats vallen. De stijl van Biegel is poëtisch en tijdloos. Geen moment krijg je de indruk dat het boek al meer dan veertig jaar geleden is geschreven.

De liefde van een prinses en een tuinmansjongen is de rode draad die door het verhaal loopt. De heks Sirdis, ook wel aangeduid als Hare Toverheid, steekt echter een spaak in het wiel. Door haar intriges verandert de tuinmansjongen in een bloem, die door het prinsesje liefdevol verzorgd wordt - tot de bloem ineens verdwenen is. Het prinsesje heeft er alles voor over om haar geliefde terug te vinden. Ze waagt zich zelfs in de betoverde stad Dorr, op zoek naar de tuinen, die spoorloos verdwenen zijn.

Het verhaal neemt voortdurend een andere wending en wat je meent begrepen te hebben, blijkt in een volgend hoofdstuk toch weer anders te zijn. Als lezer ben je daarmee, net als het wanhopige prinsesje, opgesloten in een betoverde wereld, waarin je probeert je weg te vinden. De verrassende wendingen van het verhaal zijn nooit vergezocht en een logisch gevolg van gebeurtenissen of omstandigheden die je pas later zult begrijpen. Door deze gelaagde opbouw, blijft het verhaal tot de allerlaatste zin spannend. Lemniscaat raadt het boek aan voor lezers vanaf zeven jaar. Voor jonge kinderen lijkt het boek me te gecompliceerd, maar misschien haalt elke leeftijdscategorie er voor zichzelf wel iets uit. Ik heb er in ieder geval van genoten.

De tekeningen van Charlotte Dermatons zijn opnieuw prachtig en sfeervol. Uitgeverijen Holland en Lemniscaat hebben voor dit doel de Biegel Bibliotheek in het leven geroepen en zijn van plan ook de andere boeken van Biegel hierin opnieuw uit te brengen. Van mij mogen ze hier nog lang mee doorgaan. (Ko)

Nachtverhaal

door Paul Biegel
met tekeningen van Charlotte Dematons
160 blz. € 14,95
Uitgeverij Lemniscaat, 2009
ISBN 978 9047750024

Paul Biegel is op 25 maart 1925 in Bussum geboren. Hij wilde pianist worden, maar was niet goed genoeg voor het conservatorium en vertrok voor een jaar naar Amerika. Daar schreef hij voor een krant en terug in Nederland, waar hij o.a. voor de Avrobode schreef. Daarna maakte hij stripverhalen voor de Toonder Studio's. In 1962 schreef hij zijn eerste jeugdboek. Inmiddels zijn er 50 boeken van zijn hand verschenen. Bijna alle verhalen bevatten sprookjesachtige elementen, zoals feeën, kabouters, dwergen, koningen, prinsessen en rovers. In 1992 publiceerde hij het jeugdboek Nachtverhaal, dat nu door Lemniscaat is uitgegeven met nieuwe tekeningen van Charlotte Dematons. Na de Rietveld Academie afgemaakt te hebben heeft ze veel gewerkt als illustrator en ook zelf prentenboeken geschreven. De prachtige, sfeervolle, grappige of spannende tekeningen passen uitstekend bij het Nachtverhaal.
Het verhaal gaat over een kabouter van anderhalve duim lang (zijn naam wordt nergens genoemd), die op de zolder van een oud huis in een poppenhuis woont. In het huis woont alleen oude vrouw en die komt nooit meer boven, dus de kabouter kan er ongestoord verblijven. Hij loopt 's nachts door het huis en controleert of alles in orde is, of de oude vrouw niet is vergeten een kraan of gaskraan dicht te draaien en of er nergens rommel is blijven liggen. Eén keer in de week krijgt hij bezoek van Rat en Pad, die in de kelder wonen en op zaterdagavond bij hem komen kaarten. De kabouter heeft liever niet dat ze zijn rust komen verstoren omdat ze altijd samen ruzie maken, maar is toch wel aan ze gehecht. Op een avond tijdens een storm komt een fee binnenwaaien. Haar vleugels zijn gehavend en ze kan niet meer vliegen. De kabouter is bang voor haar omdat hij denkt dat feeën kunnen toveren, maar ze begint haar levensverhaal te vertellen en dat boeit hem toch wel. Ze mag tot de volgende ochtend blijven slapen, maar als de kabouter wakker wordt, is ze verdwenen. Dat denkt hij tenimnste, maar 's avonds is ze er weer en dan blijkt dat ze overdag zo ijl wordt dat niemand haar kan zien. Ze gaat verder met haar verhaal en dat is reuze spannend. De kabouter wil haar steeds zeggen dat ze weg moet, maar hij wil toch wel weten hoe het verhaal afloopt en wordt stiekem ook wel een beetje verliefd op de fee.
Op briljante wijze weeft Paul Biegel de twee verhaallijnen door elkaar: de verhalen van de fee en de belevenissen van de kabouter, Rat en Pad in het huis. Ik zal er niets van verklappen, maar ook als volwassene kun je hier veel leesplezier aan beleven. Een absolute aanrader dus voor iedereen vanaf een jaar of acht. (Ko)

Naar overzicht

Mystieke Plekken

door Jan Willem Verkerk en Annemieke Loots
120 blz. € 24,95
Uitgeverij Akasha, 2009
ISBN 978 90 77247 99 0

Het boek Mystieke Plekken beschrijft 25 bijzondere plaatsen in Nederland (16), België (3) en Duitsland (6). Het zijn uiteenlopende plaatsen: oude heidense heiligdommen, grafheuvels, hunebedden, grotten, maar ook kasteelruïnes en zo maar plekken die een bijzondere sfeer uitademen. De beschrijvingen zijn kort en ter zake doend. De prachtige foto's slagen er uitstekend in de magische of mystieke sfeer van deze plaatsen op te roepen.
Er is gekozen voor relatief onbekende plekken, die vooral plaatselijk bekendheid hebben maar daarom niet minder bijzonder zijn. Een voorbeeld is het Solse Gat bij Putten, waar we de afgelopen jaren een aantal keren geweest zijn. Verhalen doen sinds mensenheugenis de ronde over het decadente klooster dat daar zou hebben gestaan en ineens was verdwenen, om een grote diepe kuil achter te laten die er nu nog is. Soms zijn de klokken van het klooster nog te horen, zegt men. Is het echt gebeurd? Is het een verzinsel? Het doet er niet toe. Als je daar loopt, voel je de kracht die van die plek uitgaat. De auteurs omschrijven die kracht als 'een naargeestige sfeer'. Dat is heel persoonlijk. Ik ervaar het Solse Gat als een heilige plaats waar de aarde spreekt tot wie er oren voor heeft.
Een aantal van de beschreven plekken heb ik niet bezocht, maar het boek roept wel een verlangen op die plekken te bezoeken. En dat lijkt me het doel van dit boek: ons warm maken voor de bijzondere plaatsen in ons land en de buurlanden. Daar kan ik me van harte bij aansluiten. (Ko)

Monumenten van Romeins Nederland

I.s.m. Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten
88 blz. € 17,95
Uitgeverij Waanders, 2009
ISBN 978 90 400 8569 7

Dat de Romeinen in ons land zijn geweest, is algemeen bekend. De noordelijke grens, aangeduid als Limes en met mijlpalen aangegeven, liep dwars door het huidige Nederland, ter hoogte van Traiectum, het latere Utrecht. De Limes had vooral een militaire functie, als bescherming tegen de in het noorden wonende Germanen en Friezen. Traiectum was niet meer dan een Romeins castellum dat rond 47 na Christus is gebouwd. Maar de Romeinen bouwden natuurlijk ook tempels en woonhuizen. In Nederland zijn ruim 1400 archeologische vindplaatsen, waarvan vele uit de Romeinse tijd dateren. Over deze vindplaatsen gaat dit boek, niet over vondsten die je in musea kunt vinden.
Veel overblijfselen uit de Romeinse tijd zijn voor gewone mensen niet of nauwelijks te herkennen. Dit boek geeft per streek met duidelijke foto's en kaartjes aan waar de archeologische vondsten zijn aangetroffen. Vaak kiest men er tegenwoordig voor oudheden niet op te graven omdat je daarmee de overblijfselen verstoort. De oudheden worden dan voorzichtig en steekproefsgewijs bekeken en daarna weer toegedekt. In Utrechts nieuwbouwwijk Leidsche Rijn bevindt zich een Archeologiepark en een Prinses Amaliapark. In de Romeinse tijd stonden hier huizen en de Romeinen legden er een weg aan, waarvan de restanten weer zorgvuldig en onzichtbaar zijn toegedekt. Vaak zijn de Romeinse overblijfselen onder de grond, hier en elders, subtiel in het wegdek of de bebouwing verwerkt. In de Utrechtse wijken Veldhuizen en De Balije is de bebouwing onderbroken waar het het tracé van de Romeinse weg liep, nu aangegeven in het wegdek.
Door afgraving van rivierklei, nieuwbouw, oorlogen en natuurrampen zijn veel Romeinse overblijfselen voorgoed verdwenen, maar soms brengt een ramp nieuwe informatie over oude dingen. In 1944 werd de kerk van Els in de Betuwe tijdens een bombardement volledig verwoest. Onder de restanten van de kerk troffen archeologen de restanten van twee heidense tempels uit de eerste en tweede eeuw waarvan het bestaan niet bekend was. Deze restanten zijn nu onder de kerk te bezichtigen.
Het boek is een goudmijn voor iedereen die geïnteresseerd is in de Romeinse geschiedenis van Nederland. Het formaat van het boek - een liggend A-4 - is wat onhandig als je het boek wilt meenemen om een van de vindplaatsen te bezoeken, maar laat dat je niet weerhouden. Behalve Utrecht en Elst worden bodemschatten beschreven in Groesbeek, Woerden, Leiden en Borgharen. Heel boeiend beschreven en mooi geïllustreerd. Een aanrader. (Ko)

J.W.Waterhouse (1849-1917)

Betoverd door vrouwen

Door Patty Wageman e.a.
242 blz. € 29,95
BAI Publishers, 2008
ISBN 978 90 8586437

John William Waterhouse behoort al vele jaren tot onze favoriete schilders. Posters van zijn Hylas en de nimfen (1896), De sirene (1900), De Vrouwe van Shalott (1888) en Circe biedt Odysseus de beker aan (1891) hebben jaren in ons huis gehangen. We waren dan ook zeer verheugd dat het Groninger Museum vanaf 14 december 2008 een tentoonstelling van zijn werken organiseerde en wel de grootste expositie van zijn werken die er ooit gehouden is. De laatste Waterhouse-expositie was in 1978 in Sheffield en die was veel kleiner van opzet. Tijdens zijn leven was Waterhouse een gevierd schilder, maar na zijn dood in 1917 is hij verguisd om pas tegen het eind van de 20e eeuw door de critici en het publiek weer geroemd te worden.
Waterhouse is moeilijk bij een bepaald genre in te delen. Hij wordt wel gezien als een late vertegenwoordiger van de Pre-Raphaelitische schilderkunst. Anderen vergelijken hem met schilders als Lawrence Alma-Tadema, maar het is duidelijk dat Waterhouse een eigen, duidelijk herkenbare stijl heeft geschapen. In vrijwel al zijn schilderijen spelen vrouwen de hoofdrol; soms één vrouw, soms twee, drie of zeven. De vrouwen zijn bijna altijd beeldschoon en vertegenwoordigen alle denkbare types en karakters. De thema's voor zijn schilderijen ontleende Waterhouse met name aan de Griekse en Romeinse mythen, aan Shakespeare of aan de Romantische dichters van kort vóór zijn tijd zoals John Keats of Alfred Lord Tennyson. Een enkele keer liet hij zich inspireren door de bijbel of het leven van een heilige, maar het heidendom had hem duidelijk meer te zeggen dan het christendom. Soms is de vrouw die wordt afgebeeld een slachtoffer van de sitatie, zoals de waanzinnig geworden Ophelia uit Shakespeare's Hamlet, of The Lady of Shalott uit het gelijknamige gedicht van Tennyson, die haar ondergang tegemoet gaat als ze probeert Lancelot te volgen. Meestal zijn het sterke vrouwen die verleidelijk, maar ook gevaarlijk kunnen zijn, zoals Circe, die driemaal door Waterhouse is afgebeeld, afgezien van twee schetsen, of de aan Keats ontleende Lamia en La Belle Dame Sans Merci.
Het briljante van Waterhouse is dat hij zijn thema's subtiel brengt en veel details bijna terloops geeft, waarbij het aan de toeschouwer wordt overgelaten hier een oordeel over te vellen. Zo schilderde hij in 1898 Ariadne, slapend op een bank. Ze had haar geliefde Theseus geholpen aan de Minotaurus te ontsnappen, maar hij liet haar op het eiland Naxos achter en vertrok zonder haar. Op het schilderij zie je nog net zijn schip wegvaren. Ariadne ligt er verleidelijk bij, met één ontblote borst, maar daarmee kon ze Theseus dus ook niet aan zich binden. Een slachtoffer dus? Naast haar op de bank en ook onder de bank liggen twee panters te slapen. Het zijn de dieren van de Wijngod Dionysos die verliefd op haar is geworden en haar hierna tot zijn geliefde zal maken. Bemind door een Griekse held en een God ben je niet echt een slachtoffer. In de mysteriereligie rond Dionysos was Ariadne de Moedergodin die samen met Dionysos het Heilig Huwelijk voltrok. In de rituelen was ze dus belangrijker dan de held Theseus. Waterhouse laat het aan zijn publiek over om over Ariadne te oordelen - of niet te oordelen en het schilderij gewoon te ondergaan. Hij dringt ons niets op. Zo zijn vrijwel al zijn schilderijen opgezet.
Voor de gelegenheid heeft het Groninger Museum een prachtig boek uitgegeven. De 67 schilderijen en 13 schetsboeken die in de expositie te zien zijn, zijn in dit boek met schitterende foto's weergegeven en uitgebreid beschreven. Ook zijn foto's opgenomen van veel schilderijen die niet op de tentoonstelling te zien zijn. Patty Wageman, de waarnemend directeur van het Groninger Museum heeft in het boek een stuk geschreven over de rol van de vrouwen in het werk van Waterhouse. Andere bijdragen van Waterhousekenners Peter Trippi, Elizabeth Prettejohn en Robert Upstone schetsen een genuanceerd beeld van deze schilder. Een algemene index en een register op de Werken van Waterhouse maken het mogelijk alle schilderijen snel terug te vinden. Het boek heeft naar mijn bescheiden mening slechts één minpuntje: de cover. Als je mij zou vragen wat ik het minst geslaagde schilderij van Waterhouse vind, zou ik hebben gezegd: Pluk de rozen zolang het kan, waarop een blozend meisje een schaal met rozen voor zich houdt. De symboliek knalt eruit, nog versterkt door de titel, die verwijst naar een gedicht van Robert Herrick die de lezer waarschuwt dat de 'bloem die heden lacht, morgen sterven zal.' Uitgerekend dit schilderij is door het Museum uitverkoren om de voorpagina van het boek op te fleuren. Ook de posters die de tentoonstelling aankondigen geven ditzelfde schilderij. Voor wie een andere blik op het oeuvre van Waterhouse wit, heb ik hieronder een van de schilderijen geplaatst waarin Waterhouse Circe heeft afgebeeld.

Waterhouse is er altijd goed in geslaagd zijn privé-leven uit de publiciteit te houden. Veel gebeurtenissen in zijn leven zijn nooit gekend geworden of opgehelderd. Het is niet eens bekend wie de jonge vrouw was met de lange donkerbruine haren die Waterhouse in veel van zijn schilderijen heeft afgebeeld. In 1970 werd Waterhouse aangenomen als leerling van de Royal Academy of Art in Londen. In 1874 mocht hij zijn eerste schilderijen exposeren op de jaarlijkse Zomertentoonstelling van de Academy. Dat is hij tot zijn dood jaarlijks blijven doen. Het gaf hem de vrijheid zonder opdrachtgevers te werken. Hij exposeerde de door hemzelf ontworpen schilderijen bij de Royal Academy waar ze als regel ook door kopers werden aangeschaft. Hij heeft er goed van kunnen leven. Wel zijn zijn schilderijen verspreid over tientallen musea en prive-verzamelingen in de hele wereld. Dat maakt deze tentoonstelling uniek. Ik heb hem met Joke bezocht en was er zeer van onder de indruk. Het Groninger Museum Magazine heeft de huidige aflevering vrijwel geheel aan Waterhouse gewijd. Mis hem niet. Voor de prijs (€ 1) hoef je het niet te laten. Zowel de tentoonstelling (nog tot 3 mei 2009) als het boek kan ik iedereen van harte aanbevelen. Na Groningen gaat de tentoonstelling nog naar de Royal Academy in Londen en naar Montreal.(Ko)

Wat ritselt daar toch?

een prentenboek met luikjes

Tekst en illustraties van Daniela Drescher
18 blz. € 13,50
Christofoor, 2008
ISBN 978 90 6038 661 3

Van mijn favoriete kinderboekenschrijfster (zie mijn recensies van haar andere boeken elders op deze pagina) kwamen bij Christofoor in het najaar van 2008 maar liefst twee boeken uit.
Het eerste dat ik hier wil bespreken is een prentenboek met luikjes, zoals de ondertitel vermeldt. Op de eerste pagina zie je twee jonge beren die naar een braamstruik kijken. Als je de luikjes opent, zie je in de struik een bosmuisje, een lijster en een kabouter. Ze zijn allemaal blij met de bramen die in de struik hangen.
Het eekhoorntje op de volgende bladzijde weet niet meer waar het zijn notenvoorraad heeft verstopt. Er zijn vier luikjes, dus waar is de wintervoorraad?
De hazelmuis zoekt haar broertje, de Vlaamse gaai zijn eikels, de zwijnenmoeder haar kinderen. Probeer ze maar te vinden!
Dan komt de nacht. Het elfje droomt, het beertje slaapt, maar wat ritselt er nog in het bos?
Een boek voor de hele kleintjes en een heel verzorgde uitgave, zoals we van Christofoor gewend zijn. (Joke)

Het Elfje dat niet kon slapen

Tekst en illustraties van Daniela Drescher
19 blz. € 10,90
Christofoor, 2008
ISBN 978 90 6238 852 3

Dit boekje is voor de iets oudere kinderen dan het bovenstaande boek.
Fliera de elf ligt in haar bloembedje en kan niet slapen. Overal ritselt, knispert en fluistert er iets. Ze vliegt de donkere nacht in en vraagt aan Klaas Vaak wat hij doet. Hij zegt dat de kinderen niet kunnen slapen en dat hij ze nog maar eens zand in de ogen zal strooien.
Daarna vraagt ze aan Moeder Vos waarom ze haar kinderen het hol in en uit draagt. Moeder Vos zegt dat haar kinderen ook niet kunen slapen.
Als ze een uiltje tegenkomt, vraagt ze of die ook niet kan slapen, maar de uil 's nachts nooit te slapen omdat je dan zo fijn alleen bent.
Dan gaat Fliera naar de kabouterkinderen, die ook nog wakker zijn. De prins van de nachtvlinders komt langs en brengt haar naar het midzomernachtfeest, waar ze danst tot ze zo moe is dat ze niet eens meer naar huis kan vliegen. De prins draagt haar naar huis en legt haar in haar bloemenbedje, waar ze droomt van het feest.
Het boekje is prachtig geïllustreerd en een feest om voor te lezen voor het slapen gaan. (Joke)

Damestasjelezen

Het orakel dat je met je meedraagt

Yoeke Nagel
108 blz. € 14,50
A3 boeken, 2008
ISBN 978 90 7740 858 2

Van Yoeke Nagel heb ik eerder het boek De magie van het huishouden besproken. In dat boek beschrijft Yoeke hoe alledaagse dingen een magische lading kunnen krijgen als je je ervoor openstelt. In Damestasjelezen gaat het opnieuw om iets alledaags, zo gewoon dat je het meestal voor kennisgeving aanneemt: de tas die vrouwen bij zich hebben en wat ze daarin met zich meedragen. Yoeke gebruikt de inhoud van de tas als een orakel dat het diepste van de draagster onthult. Om dat innerlijk zichtbaar te maken, vraagt ze de draagster van de tas de inhoud op de grond of op een tafel te kieperen. Deze inhoud vormt een bepaald patroon dat je kunt interpreteren. Daarbij speelt ieder voorwerp op zich een rol en kan ook in samenhang met de andere voorwerpen worden geïnterpreteerd.
Het is een bijzonder origineel orakel. Ik heb tenminste niet gehoord van anderen die het gebruiken. Wel past het natuurlijk binnen het kader van het lot werpen, waarbij je voorwerpen gooit en interpreteert hoe ze neerkomen. Denk aan het werpen van runen of dobbelstenen. Ook het leggen van kaarten wordt in dit verband onder 'werpen' gerekend. Er is niets mis mee om zelf een orakel te ontwerpen. In ons boek De taal van de orakels, dat door Yoeke overigens bij de Aanbevolen en Gebruikte Literatuur is opgenomen, hebben we het door ons ontworpen Keltische Bomenorakel beschreven waarin 13 takjes worden geworpen en de uitkomst wordt geïnterpreteerd als het antwoord op een gestelde vraag.
Het damestasjesorakel is in zekere zin te vergelijken met het Keltische Bomenorakel. Alleen worden daar altijd dezelfde dertien takjes beschreven en is de inhoud van een damestasje toch altijd weer iets anders dan die van alle andere tasjes. Om enig houvast te hebben geeft Yoeke een standaardinterpretatie van een aantal voorwerpen die mogelijk uit een tasje zullen komen, maar ze zegt erbij dat we de duidingen moeten zien 'als handreiking, niet als absolute waarheid'. Meestal is de betekenis van een voorwerp voor de hand liggend. Zo wijst een tom-tom op zelfstandigheid ('Oog voor grote lijnen, overzicht') en wijst een telefoon op communicatie ('Verbondenheid met anderen') De kunst is van alle voorwerpen die uit een tasje komen de relevante betekenis te zien, ook en vooral in hun onderlinge samenhang. De inhoud van het tasje vergunt je een blik in het diepste innerlijk van de draagster, als je erin slaagt de samenhang tussen alle voorwerpen in te voelen. Soms is de samenhang tussen twee of meer voorwerpen bijzonder duidelijk, met name als ze elkaar raken of (gedeeltelijk) bedekken.
De interpretatie van een dergelijk orakel is en blijft een creatieve bezigheid. Aan een standaardduiding heb je weinig. Je moet je intuïtie laten spreken en je bij de duiding openstellen voor de betekenis die de betreffende voorwerpen voor de draagster hebben. Je kunt het orakel gebruiken om een antwoord op een gestelde vraag te vinden. Je kunt het orakel ook gebruiken om iemands innerlijk bloot te leggen. Daarbij kunnen zaken aan het licht komen die een therapeutische aanpak vragen. Hoewel Yoeke het boek met veel gevoel voor humor heeft geschreven, neemt ze haar taak als damestasjeslezer heel serieus. Het is geen vrijblijvend amusement, al kun je er duidelijk veel plezier aan beleven. Een absolute aanrader voor vrouwen die dit deel van zichzelf wel eens wat beter willen leren kennen. Er is ook een hoofdstuk waarin broekzakken en colbertzakken van mannen worden geleegd en geïnterpreteerd, maar daar ontbreekt het element van het werpen. Bovendien lijken mannen, zoals Yoeke opmerkt, beduidend minder mee te zeulen dan vrouwen. Wat dat betekent? Lees dit boek er maar op na. (Ko)

Romeinse Decadentie

door T.A.M.Mols e.a.
Vantilt, 2008
171 blz. € 17,50
ISBN 978 90 77503 91 1

Bij veel mensen bestaat het beeld dat de Romeinen zich uitleefden in decadente genoegens op het gebied van erotiek en geweld. Perverse keizers worden daarbij geacht de toon gezet te hebben voor een decadente bovenlaag die eeuwenlang de kans kreeg zich uit te leven. In werkelijkheid waren de Romeinen over het algemeen zeer gedisciplineerd en behoudend, ook in de ogen van hun tijdgenoten en buurvolkeren. Plinius de Oudere (23-79 n.Chr.) zag decadentie als een oosterse levenswijze die door sommige Romeinen was overgenomen na het veroveren van de voormalige Helleense gebieden. Natuurlijk was er Plinius alles aan gelegen de Romeinen in een gunstig daglicht te stellen, maar de verschillende auteurs van Romeinse Decadentie zijn geneigd hem in dit opzicht gelijk te geven. Hellenistische heersers vanaf Alexander de Grote waren geneigd alle macht naar zich toe te trekken en zichzelf min of meer als Goden te laten vereren. De Romeinen zijn altijd wars geweest van dergelijke absolute heersers. Om die reden hadden de Romeinen het koningschap afgeschaft en de republiek uitgeroepen. Augustus leefde eenvoudig en paste ervoor op zichzelf tijdens zijn lange regeringsperiode (31 v.Chr - 14 na Chr) als koning of keizer aan te duiden. Veel keizers na hem zijn toonbeelden van deugdzaamheid en matigheid geweest.
Waaraan danken de Romeinse keizers dan hun slechte naam? Dat zijn voornamelijk een viertal keizers geweest die jong aan de macht kwamen en dus niet konden teruggrijpen op hun reputatie of hun militaire successen. Daarom vielen deze keizers terug op het Hellenistische model, waarbij ze alle macht naar zich toe haalden en hun Romeinse geremdheid lieten vallen. Dat geldt met name voor Caligula (37-41 n.Chr.), Nero (54- 68), Domitianus (81-96) en Heliogabalus (218-222). De laatstgenoemde was pas 14 toen hij tot keizer werd uitgeroepen en 18 toen hij werd vermoord door zijn eigen lijfwachten die zijn excessen en grillen beu waren. In de tweede helft van de 19e eeuw werden de handelingen van de genoemde keizers uitgebreid beschreven om de decadentie van het heidense Romeinse Rijk af te zetten tegenover de verfijningen van het christendom. Die zienswijze is later genuanceerd, maar de slechte naam van de Romeinen bleef hangen.
Een heet hangijzer in de vraag hoe decadent de Romeinen waren, is het verschijnsel van de gladiatorenspelen, waarbij duizenden het leven lieten om het Romeinse volk te vermaken. In zijn bijdrage Het theater van de wreedheid zet Louis van den Hengel uiteen hoe de gladatorengevechten in 264 v.Chr. ontstonden als eerbetoon aan een belangrijke overleden Romeinse aristocraat. Dat betrof drie paren gladiatoren. In latere evenementen werden de aantallen steeds groter en verdween het eerbetoon aan een overledene naar de achtergrond. Ook werden steeds andere variëteiten bedacht om mensen tegen dieren of mensen tegen mensen te laten vechten. Slaven, krijgsgevangenen en ter dood veroordeelden waren hierbij voor de hand liggende slachtoffers, waarbij vrouwen en kinderen niet werden ontzien. Van den Hengel ontkent niet de verregaande wreedheid van deze spelen, maar ziet ze, in navolging van de Britse historicus Thomas Wiedemann, als een middel om voor Romeinen de grens duidelijk te maken tussen wat Romeins en niet-Romeins is. Nagebootste jachtpartijenen en andere slachtpartijen maakten zo de grens duidelijk tussen cultuur en natuur, tussen mens en dier, tussen goed en slecht. De verklaring komt niet erg overtuigend op me over. Ik denk dat de spelen inspeelden op de wreedheid en de agressie die in ieder mens - ook in Romeinen - aanwezig is. Doordat de gedisciplineerde Romeinen deze donkere kant in zichzelf probeerden te onderdrukken, kwamen deze emoties er in alle hevigheid tijdens de spelen uit. Zoals gezegd kan ik me goed vinden in de strekking van het boek, dat de Romeinen niet zo decadent waren als vaak wordt gedacht. Een leerzame en onderhoudende verzameling boeiende bijdragen van autoriteiten op dit gebied. (Ko)

Alles over Edelsteentherapie

door Tosca Tetteroo
De Kern, 2008
297 blz. € 24,95
ISBN 978 90 325 11050

Tosca Tetteroo leidt al jaren edelsteencentrum De Krater. Ze geeft hier cursussen, workshops en healingen. Eerder verscheen bij De Kern Edelsteentherapie van A tot Z en Geluk is een Edelsteen. De informatie die in deze boeken is gepubliceerd, is in het boek Alles over Edelsteentherapie geactualiseerd en uitgebreid. Nieuw ontdekte edelstenen en nieuwe ontwikkelingen worden in dit nieuwe boek toegelicht.
Als ik het boek pak, sla ik het open (toeval bestaat niet?) op de bladzijden die over mijn sterrenbeeld Weegschaal gaan en welke stenen daarbij passen. Geboeid lees ik dat dit goudtopaas en rookkwarts zijn. Ze legt uit waarom deze stenen goed zijn voor een Weegschaal. Hierna geeft ze nog wat stenen die de zwakke kanten van dit zonneteken sterker maken. Granaatappel, bijvoorbeeld, maakt strijdbaar en wilskrachtig; rutielkwarts bevordert daadkracht. Met jade blijf je beter in je eigen centrum en turkoois geeft emotionele veiligheid.
Hierna legt ze uit dat je bij het uitkiezen van stenen voor iemand altijd naar de totale persoonlijkheid moet kijken en niet zomaar twee of meerdere stenen bij elkaar moet dragen omdat die elkaars werking kunnen opheffen. Rode stenen zijn bijvoorbeeld activerend en blauwe rustgevend. Ze heffen elkaar dus op en samen heb je niets aan de stenen. Nuttige informatie dus.
Tosca begint het boek met het ontstaan van stenen en mineralen en hoe je ze moet gebruiken. Ook legt ze uit hoe stenen in de verschillende culturen werden gebruikt. In vogelvlucht glijdt ze door de tijd vanaf de oude Indiase culturen tot onze hedendaagse Westerse cultuur. Hierna vertelt ze over de werking en de symboliek van kleuren en de verschillende kristalvormen en hun werking. In het hoofdstuk Sterren en Stenen kiest ze ervoor om met Steenbok te beginnen. Hierna behandelt ze alfabetisch stenen en hun werking met van elke steen die ze beschrijft een duidelijke foto. Na dit hoofdstuk gaat ze in op de verzorging van edelstenen en mineralen, gevolgd door diverse hoofdstukken waarin ze uitvoerig op het behandelen met stenen ingaat.
Een helder en duidelijk boek dat er ook nog prachtig uitziet. Ik zal het in ieder geval nog vaak pakken en kan het warm aanbevelen. (Joke)

De Glimlach van de Sirene

Reis door het Etruskisch labyrint op zoek naar de Godin

door Selma Sevenhuysen
A3 boeken, 2008
144 blz. € 32,50
ISBN 978 90 77408 49 0

Selma Sevenhuysen (1948) studeerde Politieke en Sociale Wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Van 1989-2001 was ze hoogleraar Vrouwenstudies en Ethiek en Politiek van Zorg aan de Universiteit Utrecht. Eén dag in de week werkt ze nog als hoogleraar in de zorgethiek aan de Universiteit Utrecht. De rest van haar tijd besteedt ze vanaf 2001 grotendeels aan het bestuderen van labyrinten en de Etruskische religie. De Glimlach van de Sirene is geschreven met de grondigheid en kennis van zaken die je van een hoogleraar mag verwachten. Tegelijk is het geschreven met een bevlogenheid en een liefde voor de Oude Religie die je zelden bij wetenschappers aantreft. Ik heb het boek met rode oortjes gefascineerd in één ruk uitgelezen.
De cover van het boek toont een meermin met het bovenlichaam van een vrouw en een onderlichaam dat eindigt in twee gespreide staarten. Het beeld is te vinden in het park Bomarzo in zuidelijk Toscane, dat in de 16e eeuw is aangelegd. Het fenomeen van de tweestaartige meermin was ik al eerder tegengekomen, bijvoorbeeld in afbeeldingen van de Syrische Godin Atargatis. Selma Sevenhuijsen geeft een overzicht van andere Godinnen die door de eeuwen heen op deze manier zijn afgebeeld. Spelenderwijs betrekt ze ook andere Godinnen hierbij die geheel of deels in diervorm zijn voorgesteld. Hierna bespreekt ze het labyrint en de Godinnen die hiermee verbonden zijn. Tenslotte beschrijft ze de Etrusken, zoals die hun sporen hebben nagelaten in het landschap van Toscane.
Alles wordt met veel liefde en warmte beschreven, waarna veel onbekende feiten en details op boeiende wijze worden neergezet. Naarmate je in het boek vordert wordt het doel van de auteur steeds duidelijker. Ze beschrijft geen dode materie en feiten uit het verre verleden. Alles heeft te maken met het hier en nu. Voor de Etrusken was de aarde als Godin heilig. Binnen dit heiligdom hakten de Etrusken heilige wegen in de rotswand uit, die alleen een ritueel doel gehad lijken te hebben. Deze holle wegen hadden dezelfde functie als de labyrinten die overal werden aangelegd: het waren wegen naar het binnenste van de Godin. Die weg is nog steeds open voor mensen in onze moderne samenleving. Onze handicap is dat we geleerd hebben dat geest en materie strikt gescheiden zijn. Dan blijven Godinnen verstarde relieken uit het verleden en labyrinten doolhoven waarin we alleen maar verdwalen. Door met overgave het labyrint te lopen (letterlijk of figuurlijk) gaat de materie voor ons leven. Tegenpolen als God-Godin of ik-ander gaan dan op in het geheel dat juist door die tegenpolen bestaat.
Het bovenstaande is niet meer dan een summiere samenvatting van een briljant boek dat prachtig is geïllustreerd met relevante afbeeldingen. Koop het en laat je meevoeren door het labyrint. Je komt er niet hetzelfde uit als je erin gaat. Het doet iets met je. Ik zal het boek nog vaak doorbladeren. Voor meer informatie over de actiiteiten van de auteur, zie haar site www.labyrintwerk.nl. (Ko)

De Gouden Ezel

metamorfosen

door Apuleius
Athenaeum- Polak & Van Gennep, 2003
259 blz. € 19,95
ISBN 90 253 0188 6

Het boek van Apuleius kende ik in de Engelse vertaling van Robert Graves uit 1950, getiteld The Golden Ass. De Nederlandse vertaling was tot nu toe aan mijn aandacht ontsnapt. Gelukkig was de uitgever bereid alsnog een recensie-exemplaar van dit boek te sturen. Apuleius werd rond het jaar 123 geboren als zoon van een Romeinse magistraat in Madaurus, een Romeinse kolonie in Noord-Afrika. Na de dood van zijn vader leefde Apuleius in Carthago, Athene en Rome en reisde ook een deel van de Griekse en Romeinse wereld af. Rond 180 overleed hij. De Gouden Ezel is de oudste volledig bewaard gebleven in het Latijn geschreven roman. De hoofdpersoon, Lucius, is leergierig en ondernemend en weet zichzelf daardoor vaak in moeilijkheden te brengen. De meesteres van een huis waar hij verblijft is zeer bedreven in de toverkunst. Haar slavin laat Lucius zien hoe haar meesteres zich met zalf insmeert, in een uil verandert en wegvliegt. Lucius wil dat ook wel. De slavin is hem bij afwezigheid van haar meesteres terwille, maar tot zijn verbazing verandert Lucius niet in een uil, maar in een ezel. In die gedaante blijft hij, mishandeld, misbruikt en miskend, tot de Godin Isis hem tenslotte tegen het eind van het boek genadig is en hem terugverandert in een mens.
Er zijn vele manieren om dit boek te lezen. Het is te lezen als een schelmenroman, doorspekt met de avonturen die door Lucius worden meegemaakt, aan Lucius worden verteld of door hem als ezel met zijn grote oren opgevangen. Het is ook te lezen als een beschrijving uit de eerste hand van een heidense samenleving, waarin het christendom zo onbeduidend is dat het zelfs niet wordt genoemd. De mythe van Amor en Psyche wordt uitgebreid en indringend beschreven. Het boek is ook te lezen als een satire. Er zijn veel onderwerpen waar Apuleius op een kostelijke manier de draak mee steekt. Maar waar houdt zijn satire op en waar begint zijn ernst? Lucius wordt ingewijd in de mysteriereligie van Isis, maar hoe serieus kunnen we de beschrijving van de inwijding nemen, terwijl Apuleius de lezer verzekert dat hij de geheimen van de cultus niet mag en niet zal verklappen? Ik nodig de lezer van harte uit het boek te lezen en zelf te oordelen.
De vertaling van Vincent Hunink is vlot en goed leesbaar. Alleen kan ik zijn pogingen grappig bedoelde modernismen en anachronismen aan de tekst toe te voegen niet erg waarderen. Apuleius is leuk genoeg van zichzelf. Ook hadden de Griekse namen van mij onvertaald mogen blijven. Maar dat zijn details. Toch kopen dat boek. Het is absoluut de moeite waard. (Ko)

De Verborgen Kennis van het Oude Egypte

Door Erik Hornung
283 blz. € 24,50
Synthese, 2007
ISBN 978 906271033 1

Vanaf de Oudheid heeft Egypte de mensheid gefascineerd. De piramiden, obelisken en tempels spraken en spreken tot de verbeelding. De betekenis van de hieroglyfen is in de 4e eeuw verloren gegaan en pas in 1822 werd dit schrift door Champollion ontcijferd. Tot die tijd maakten Egyptologen en geïnteresseerde leken wel hun eigen verhaal over dat mysterieuze land. Erik Hornung, emeritus hoogleraar Egyptologie aan de Universiteit Basel, richt zich in zijn boek met name op de esoterische stromingen die in Egypte zijn ontstaan of aan dit land hun oorsprong ontleend hebben. Daar is in de loop der eeuwen veel onzin over gepubliceerd, waarvan Hornung ons regelmatig verslag doet. Maar de kern van het boek is een serieuze poging de esoterische stromingen te beschrijven zoals ze werkelijk waren. Egyptologen houden zich vooral bezig met de architectonische wonderen en met de openbare aspecten van de religie. Esoterie laten ze links liggen en degenen die zich daar wel mee beziggehouden hebben, zijn zelden erg wetenschappelijk te werk gegaan. Hornung zoekt de gulden middenweg in een wetenschappelijke benadering van de verborgen kennis van het oude Egypte en daarin is hij m.i. geslaagd.
Vanuit verschillende invalshoeken geeft Hornung een samenvatting van deze verborgen kennis. Hij laat zien wat schrijvers in de Oudheid er zelf van hebben gezegd en wat latere auteurs hiermee gedaan hebben. Alchemie, gnosis, Hermetica em magie worden elk in een eigen hoofdstuk beschreven. Het kenmerk van deze stromingen, hun Egyptische wortels en hun verspreiding over de wereld tot op heden toe, worden duidelijk en onderhoudend uiteengezet. In de Middeleeuwen en Renaissance werd vaak naar Egypte gekeken als bron van alle esoterische wijsheid. De Rozenkruisers en Vrijmetselaars namen Egyptische elementen in hun leringen en rituelen op. Blavatsky entte de theosofie met name op het Boeddhisme, maar richtte zich ook nadrukkelijk op Egypte. Haar eerste overzicht van de esoterische wijsheid heet niet voor niets Isis ontsluierd. Ook magische stromingen als The Golden Dawn namen veel Egyptische elementen in zich op. Als er geen Egyptische bronnen waren voor een bepaalde esoterische stroming, dan werden ze wel gemaakt, want Egypte werd door de eeuwen heen gezien als de bakermat van alle wijsheid. Zo werd de oorsprong van het tarotspel in Egypte gezocht. De invloed van het oude Egypte is tot op heden nog overal aanwezig. Hornung wijst meermalen op moderne nabootsingen van de oude Egyptische verrichtingen. Zo bevindt de hoogste obelisk in de wereld zich niet in Egypte, maar in Washington (170 meter hoog). Op het biljet van 1 dollar is nog steeds een piramide afgebeeld. Ieder die geboeid is door verborgen kennis, in wat voor vorm dan ook, kan ik dit boek van harte aanbevelen. (Ko)

Kalevala

het Epos der Finnen

Verzameld door Elias Lönnrot
Vertaald door Mies le Nobel
331 blz. € 19,90
Vrij Geestesleven, 2007
ISBN 789 90 6038 019

In 2006 heb ik een recensie geschreven van het Finse epos Kalevala, in de prozabewerking van Inge Ott. Ik heb het epos als fascinerend beschreven, maar was minder tevreden over de houterige vertaling van J.C. Ebbinge Wubben. Deze recensie heb ik hieronder geplaatst. In in zomer van 2007 bracht uitgeverij Vrij Geestesleven tot mijn grote vreugde een nieuwe vertaling uit. Ditmaal niet in proza naverteld, maar een degelijke metrische vertaling van de oorspronkelijke tekst, die in 1849 door Elias Lönnrot in 23.000 versregels werd gepubliceerd, verdeeld over 50 verhalen, die runen worden genoemd. Mies le Nobel heeft zich voor de tekst met name gebaseerd op de Duitse vertaling die Anton Schiefner in 1921 heeft gepubliceerd, maar heeft ook andere Duitse en Engelse vertalingen geraadpleegd en de tekst kritisch doorgenomen met Martijn Fontein, die Fins spreekt, om de originele tekst zo dicht mogelijk te benaderen.
Een dergelijke vertaling biedt het grote voordeel dat de lezer in staat is de sfeer van het originele epos te ondergaan en dat er geen teksten worden weggelaten die de pro-bewerker niet interessant vond. Een nadeel is natuurlijk dat het keurslijf van de metrische vorm de vertaalster kan dwingen kreupel Nederlands te dichten of toch iets van de originele tekst af te wijken. In haar nawoord wijst Mies le Nobel op dit dilemma voor de keuze tussen een exacte of mooie vertaling. Het metrum van de versregels is een viervoetige trocheus, d.w.z. acht lettergrepen, die om en om de nadruk krijgen. Bijvoorbeeld: "Moeder die mij hebt gedragen". Dit metrum heeft ze zoveel mogelijk in stand gehouden, waarbij soms de gesproken tekst het metrum redt door een lettergreep weg te moffelen: "in de kist met koperen sloten" - dit zijn eigenlijk negen lettergrepen, behalve als je "koop-ren" zegt. De vertaling maakt spaarzaam gebruik van dergelijke kunstgrepen en wijkt soms noodgedwongen af - wat in het Finse origineel overigens ook het geval is. Een tweede kenmerk van de Finse tekst is het veelvuldig gebruik van alliteratie of stafrijm, waarbij het begin van woorden overeenkomt, bijvoorbeeld "zwarte zwanen". Dit kenmerk heeft Mies le Nobel noodgedwongen laten vallen, om het ritme en de betekenis zoveel mogelijk te kunnen handhaven. Een derde kenmerk van het origineel is dat twee versregels bij elkaar horen, waarbij de tweede vaak in andere woorden de eerste regel herhaalt. Bijvoorbeeld: "Aldus sprak zij tot haar dochter/ sprak de moeder tot het meisje." Dit komt ook in de vertaling tot uiting, aangezien de tekst volledig is vertaald en er niets is weggelaten.
Gegeven deze eisen en beperkingen heeft Mies le Nobel deze bijna onmogelijke taak op briljante wijze tot een goed eind gebracht. De tekst is mooi en statig, zoals het een oud epos betaamt, maar niet gekunsteld of ouderwets, zoals de prozavertaling van Ebbinge Wubben (zie onder). Als je de tekst leest, word je vanzelf meegevoerd door het ritme, waardoor de gebeurtenissen als in een trance of droom een magische zeggingskracht krijgen. Als voorbeeld wil ik een citaat geven uit de eerste rune, waarin Ilmatar, de dochter van de lucht, afdaalt op het water en wordt bevrucht door de wind en de golven, waaruit Väinämönen, een van de hoofdpersonen in het epos, wordt geboren. Ilmatar is duidelijk de Godin die de schepping van de wereld tot stand heeft gebracht, maar daarmee wel haar eigen onbeperkte vrijheid heeft prijs moeten geven: "Beter zou 't voor mij geweest zijn/ jonkvrouw in de lucht te blijven/ dan te zijn de watermoeder,/ drijvend eeuwig, zonder einde;/ kil en koud hier is mijn leven,/ pijnlijk is het hier te wijlen,/ dwalend in het rijk der golven,/ op het water voort te drijven."
Voor een samenvatting van de belangrijkste gebeurtenissen verwijs naar onderstaande recensie. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan de prachtige, metrische vertaling, die erin geslaagd is de magische, heidense wereld van de oude Finnen tot leven te brengen. De ijle en wervelende tekeningen van André Maas drukken goed de sfeer van deze magische en ongrijpbare wereld uit. Ik kan iedereen deze vertaling van harte aanbeweven. (Ko)

Kalevala

het Finse Epos

Verzameld door Elias Lönnrot
Bewerkt door Inge Ott
Vertaald door J.C.Ebbinge Wubben
272 blz. € 19,90
Christofoor, 3e druk, 1986
ISBN 90-6238-077-8

Tussen 1828 en 1840 reisde Elias Lönnrot, hartstochtelijk verzamelaar van Finse liederen, door Finland, op zoek naar zangers die de oude heldenzangen nog kenden. Uit deze door hem verzamelde liederen stelde hij een bundel samen. De losse verhalen, door Lönnrot in een logische volgorde gezet, vormden zo een epos, dat hij Kalevala noemde, naar de stamvader van het Finse volk. De soms langdradige gedichten, waarin veel herhalingen voorkwamen, werden in 1978 door Inge Ott in het Duits in proza naverteld. J.C.Ebinnge Wubben vertaalde dit in 1979 voor Uitgeverij Christofoor in het Nederlands. Aangezien er geen nieuwere vertaling van de Kalevala schijnt te zijn, vroeg ik aan Christofoor een recensie-exemplaar van de derde druk uit 1986, die nog steeds in de handel is. Ik had al veel over dit epos gehoord en wilde het graag lezen. Hoewel Finland rond 1300 officieel gekerstend was, was veel van het oude heidendom onder een dun laagje christendom blijven bestaan.
Kalevala is een fascinerend boek. Soms wordt verwezen naar God, maar dat is dan meestal de oude Hemelgod Ukko. En er zijn meer Goden, zoals Tuoni, de God van de Dood. De Grote Godin, die ooit in deze streken aanbeden werd, speelt nog een rol als Louhi, de machtige heerseres over het Land van het Noorden. Als ze haar zin niet krijgt, sluit ze de zon en de maan in een spelonk op en hult de aarde in duisternis. Dit voorbeeld laat tevens de heerlijk ongekunstelde en naïeve samenleving zien waarin deze verhalen ontstonden. De zon, de maan en de Grote Beer worden in een van de verhalen verliefd op een mooi meisje, Kyllikki, en dingen naar haar hand. Maar ze wijst ze af.
Kalevala speelt zich af in een magische wereld, waarin zanger-tovenaar Väinämöinen alleen door zijn liederen alles kan veranderen waarin het hem zint. Ook de visser Lemminkäinen beschikt over magische krachten. Alle meisjes uit de streek Saari vallen voor hem, behalve Kyllikki, die ook hem afwijst. De moeder van Lemminkäinen beschikt over grotere krachten dan hij. Ze kan naar willekeur haar gedaante veranderen en als hij wordt gedood en in stukken gesneden in de Rivier van de Dood wordt gegooid, weet zij hem eruit te halen en weer tot leven te brengen.
De smid Ilmarinen is een andere held in deze verhalenbundel. Ook hij beschikt over magische krachten en hij brengt vele onmogelijke opdrachten tot een goed einde in de hoop de dochten van Louhi daarna te mogen trouwen. Hij is, net als Väinämöinen en Lemminkäinen, een echte volksheld die zich door zijn ruwheid en lompheid altijd in de nesten werkt, waar hij zich door zijn sluwheid, moed en magische kracht weer uit weet te redden.
Het moet me van het hart---- dat Johan Conrad Ebbinge Wubben (geboren 1915), die al vele vertalingen op zijn naam heeft staan, dit epos uiterst kreupel, houterig en ouderwets vertaald heeft. Waarschijnlijk heeft hij gedacht dat ouderwets taalgebruik ("Ukko, God in den Hoge") de verhalen een respectabele ouderdom zou toedichten. Zo gebruikt hij ook vaak het hopeloos ouderwetse woord "wicht", vreemd genoeg niet voor meisjes, maar voor mannen. Ook heeft hij een voorkeur voor vreemde woorden, die ik nog nooit gehoord had. Zo noemt hij een hamer "slegge". Op bijna elke bladzij staat wel een zin die ik hoofdschuddend maar naast me neer heb gelegd. Door dat mottige taalgebruik moet je je even heenbijten. Dan gaat een fascinerende magische wereld voor je open, een wereld waarin de Lijsterbessen op het erf nog heilige bomen zijn en dorpelingen uit hout en stenen een eland kunnen maken die tot leven komt. (Ko)

Wicca Voor Beginners

basisprincipes, filosofie, praktijk

door Thea Sabin
256 blz. € 12,50
Mynx, 2007
ISBN 978 90 225 4765 6

Regelmatig wordt ons gevraagd welk boek we kunnen aanraden voor een beginner op het Wiccapad, iemand die gewoon wil weten wat Wicca nou inhoudt en welke varianten er bestaan. Ik wist nooit goed welk boek ik dan zou aanraden. De boeken die ik goed vind, zijn misschien niet zo geschikt voor een eerste oriëntatie. Boeken die zich richten op beginners slaan meestal omwille van de eenvoud belangijke varianten over en kiezen dan voor een uitgangspunt dat het mijne niet is. Vanaf nu is dat probleem uit de wereld. Beginners raad ik simpelweg Wicca voor beginners van Thea Sabin aan.
Thea Sabin is een Amerikaanse hogepriesteres, ingewijd in 'een Britse stroming van Wicca', Gardneriaans, mogen we aannemen. In haar boek komen alle belangrijke aspecten van de Wicca aan de orde: de magische Cirkel, de elementen, de Jaarfeesten, de werktuigen, magie en de God en de Godin. Thea Sabin is goed op de hoogte van de verschillende varianten die er bestaan en behandelt die duidelijk en overzichtelijk, zonder de ene stroming op te hemelen en de andere af te keuren. Steeds als ik dacht: 'O, maar dat doen wij heel anders' werd ik op mijn wenken bediend en legde ze in de volgende paragraaf uit dat er ook Wicca's zijn die er heel andere opvatingen, rituelen en gebruiken op nahouden.
Het boek begint met de vraag van wat Wicca is en een kort overzicht van de verschillende zienswijzen die je hierin kunt tegenkomen. De auteur benadrukt voortdurend en terecht dat Wicca een individueel pad is en dat wat voor een ander werkt jou niet hoeft aan te spreken. Dan doe je het gewoon anders. De een voelt zich thuis in een traditionele Coven, de ander werkt liever in een informele groep en nog weer anderen werken liever alleen. Dat is allemaal mogelijk binnen de kaders van wat Wicca inhoudt.
Voor iedereen die zich met Wicca wil bezighouden geldt dat je bepaalde ethische principes in acht dient te nemen en dat je je bepaalde vaardigheden eigen dient te maken. De vaardigheden hebben te maken met het werken met energieën. Daarvoor is het nodig dat je leert te visualiseren, jezelf te aarden en jezelf zonodig af te schermen. Die basisvaardigheden worden in de inleidende hoofdstukken duidelijk en op de praktijk gericht uitgelegd. Via internet kun je genoeg feitenkennis over Wicca verzamelen, maar die basisvaardigheden worden vaak voor kennisgeving aangenomen en overgeslagen. Thea Sabin benadrukt dat je geen uitzonderlijke vermogens nodig hebt om Wicca te worden, maar zonder die basisvaardigheden werkt het niet of gaan de dingen met je op de loop.
Over het algemeen is het boek door Fanneke Cnossen uitstekend vertaald. Alleen heb ik er nooit van gehoord dat de werktuigen binnen de Wicca (athame, staf, kelk, e.d.) ook worden aangeduid als "speeltjes". Waarschijnlijk is het foute vertaling van het Engelse woord "tools" (werktuigen). Een kniesoor die daarop let. Een uitstekend en glashelder boek dat ik van harte wil aanbevelen bij iedereen die zich in Wicca wil verdiepen. (Ko)

Paulus en de Eikelmannetjes

door Jean Dulieu

met tekeningen van Jean Dulieu
242 blz. € 15
Leopold, 4e druk, 2007
ISBN 978 90 258 5132 3

Jean Dulieu is het pseudoniem van Jan van Oort. Het is de Franse vertaling van zijn naam. In 1946 begon hij als striptekenaar bij de krant Het Vrije Volk. Hij gebruikte dit pseudoniem omdat hij violist was bij het Concertgebouworkest en bang was dat de strip zijn goede naam zou schaden als die een fiasco werd. Vanaf 1948 verschenen de eerste geïllustreerde Paulus-kinderboeken. In 1964 verscheen zijn meesterwerk, Paulus en de Eikelmannetjes, dat nu in herdruk bij uitgeverij Leopold is verschenen. Van 1955 tot 1964 werd Paulus de Boskabouter als radiohoorspel uitgezonden. Alle stemmen deed Dulieu zelf, behalve het prinsesje Priegeltje, dat door zijn dochter werd ingesproken.Vanaf 1967 maakte Dulieu bij Paulus de Boskabouter poppenfilmpjes die door Monitor, een NTS-programma, werden uitgezonden. Begin 1970 volgde een nieuwe serie stripverhalen voor de krant. In 1984 stopte hij met zijn creaties. Hij ontving vele prijzen voor zijn werk. Hij overleed in 2006 op 85-jarige leeftijd.
Vanaf 1955 heb ik met rode oortjes geluisterd naar de hoorspelen, die om 7 uur 's avonds werden uitgezonden en ik vond ze geweldig! Later keek ik met mijn zoon naar de filmpjes op tv. Ook hij kan er nu nog lyrisch over vertellen. Ik ben dan ook erg blij met deze heruitgave van het beste boek dat Jean Dulieu heeft gemaakt. Zoals alle verhalen, boeken en filmpjes over Paulus is het spannend en ook bijzonder grappig. Het boek gaat over Paulus die door de eikelmannetjes wordt gekozen tot hun koning. De heks Eucalypta heeft hier met haar zelf gebrouwen toverpoeder een grote bijdrage geleverd. Ze wil die lastpak kwijt, weg uit het bos! Paulus beleeft veel spannende avonturen, maar komt uiteindelijk door de hulp van zijn vriend Oehoeboeroe de uil weer terug in zijn huisje. Was het nu een droom? Of toch niet? Goed voor veel spannend (voor)leesplezier. De tekeningen zijn prachtig. Hulde aan de uitgever Leopold voor deze prachtige uitgave. (Joke)

Prinsesje in het bos

Sybille von Olfers
18 blz. € 12,90
Christofoor, 1994
ISBN 90 6238 558 3

De wortelkindertjes

20 blz. € 12,90
Christofoor, 5e druk,2001
ISBN 90 6238 216 9

Sibylle von Olfers werd geboren op 8 mei 1881 in Scholss Metgethun bij Königsburg in Duitsland. Haar ouders waren schrijversm en natuuronderzoekers. Ze groeide op in een welgestelde omgeving en werd thuis opgevoed door gouvernantes en een huisleraar. In de zomermaanden kwam haar tante Maia von Olfers op bezoek en leerde haar nichtje planten en dieren te schilderen. Toen ze 17 was, ging ze bij haar tante in Berlijn wonen en ging daar naar de kunstacademie. Haar uiterlijk wordt in die tijd beschreven als Botticelli-achtig mooi. In mei 1906 trad ze in het klooster in Königsberg in. Na twee jaar ging ze werken als lerares in Lübeck op een katholieke school. Haar eerste altaarstuk schilderde ze ook in deze tijd. Op 35-jarige leeftijd overleed ze aan tbc.
In 1906 verscheen haar bekendste boek, Het verhaal van de Wortelkindertjes. Dit vertelt over de wortelkindertjes, die in de winter diep in de grond slapen, tot de zon de sneeuw laat smelten en Moeder Aarde de kindjes wekt met haar lichtje. De wortelkindjes gaan onder het zingen van lenteliedjes hun jurkjes naaien, kevertjes poetsen en schilderen, waarna ze in een feestelijke optocht allemaal naar boven gaan en feestvieren. Tot de herfst komt en ze weer terug gaan naar Moeder Aarde.
In 1909 verscheen Prinsesje in het bos, een verhaal over prinsesje Annelijntje, die na het dansen met de boskindertjes door ze wordt gekapt en aangekleed. Daarna ontbijt ze en gaat met meester Raaf het bos in om planten te zoeken. Als ze gespeeld heeft met de paddestoelkinderen is het avond en gaat ze in optocht met de sterrenkinderen naar het kasteel terug, waarna ze haar naar bed brengen.
Allebei de boeken zijn getekend in Jugendstil, een stijl waar ik zelf erg van houd. Net als bij de eigentijdse boeken van Daniela Drescher (zie mijn recensie hieronder), zijn ze niet alleen sprookjesachtig, maar ook nauwgezet getekend. Beestjes en planten zijn duidelijk herkenbaar, ook voor de kleintjes, waar deze boeken duidelijk voor bedoeld zijn. Ik ben blij dat een uitgever als Christofoor ervoor zorgt dat deze boeken in het Nederlands worden uitgegeven en ik hoop dat ze dat nog voor vele generaties zullen blijven doen. (Joke)

Kom mee naar Dwergenland

Daniela Drescher
20 blz. €
Christofoor, 2e druk, 2006
ISBN 90 6238 793 4

Kabouteravontuur

28 blz. €
Christofoor,2007
ISBN 13 978 90 6238 832 5

Op de website van uitgeverij Christofoor staat de volgende informatie over Daniela Drescher te lezen: "Na haar schooltijd verbleef Daniela Drescher langere tijd in Amerika en Zwitserland. Daarna liep zij stage bij een heilpedagogisch instituut. Sinds haar opleiding tot schildertherapeute werkt zij ruim 10 jaar intensief therapeutisch met kinderen. Zij exposeert sinds 1992 en levert regelmatig als illustratrice bijdragen voor het kinderen- en oudertijdschrift 'Vorhang auf'. Daniela heeft drie kinderen. Over haar tekeningen zegt Daniela Drescher: 'De schilderkunst heb ik niet gestudeerd in de academische zin van het woord. Ik heb lang getekend tot de illustraties vertelden van geluk en verlangen. En dat probeer ik nog.'"
Ik heb hier voor me de twee laatste boeken die Daniela Drescher heeft geschreven en geïllustreerd. Van de andere twee vind je elders op deze pagina een recensie. En ik moet zeggen dat de boeken steeds mooier worden. Kabouteravontuur gaat over boskabouter Nepomuk Houtspaander. Hij doet uitvindingen en zijn beste tot nu toe is een heteluchtballon met vleugelbesturing. Per ongeluk gaat de ballon omhoog en samen met buurman Tibor reist hij naar het land van de Tsjirpende Krekels, waar hij een spannend avontuur beleeft. Gelukkig komen ze weer behouden thuis.
Het boek Kom mee naar Dwergenland verhaalt in versvorm over de seizoenen. Zoals ik al zei gaat Daniela Drescher steeds mooier illustreren. Ook haar kleurgebruik is prachtig. Beestjes en planten zijn heel natuurgetrouw afgebeeld en de kabouters zien eruit zoals kabouters er behoren uit te zien. Een prachtige serie boeken. Ik hoop dat er nog veel zullen volgen. (Joke)

De Silmarillion

door J.R.R.Tolkien
415 blz. € 19,95
Mynx, 2007
ISBN 978 90 225 4771 7

Tolkien (1892-1973) is natuurlijk bij iedereen bekend door het epos In de ban van de Ring dat hij in 1955 publiceerde. De magistrale verfilming van dit boek heeft een nieuwe generatie lezers op dit boek attent gemaakt. Wat niet iedereen zich realiseert, is dat dit boek een verwaterde versie is van het oorspronkelijke epos dat Tolkies voor ogen had en waaraan hij van 1916 tot 1950 heeft gewerkt. Dit epos beoogde een mythische beschrijving van de aarde te geven, vanaf het begin tot het punt waar In de ban van de Ring eindigt. Rond 1930 had hij een eerste versie van dit epos al geschreven. Zijn bedoeling was hierna delen van het epos nader uit te werken en als afzonderlijke verhalen te publiceren. Omdat geen uitgever het epos wilde publiceren, heeft hij het sindsdien voortdurend veranderd. Waarschijnlijk was het de heidense strekking van het epos en anders de te gecompliceerde structuur die uitgevers afschrikte. In 1937 publiceerde Tolkien De Hobbit, een kinderboek dat zeer losjes met het al geschreven epos verband hield. Daarna begon hij te schrijven aan In de ban van de Ring, dat hij in 1950 voltooide. Het oorspronkelijke epos werd nu De Silmarillion genoemd en Tolkien wilde het samen met In de ban van de Ring publiceren. Nog steeds was er geen uitgever die iets zag in het oudere epos en In de ban van de Ring werd apart gepubliceerd en werd een doorslaand succes. Wellicht had Tolkien op grond hiervan een uitgever kunnen vinden voor De Silmarillion, maar hij voelde zich steeds sterker aangetrokken tot het Rooms-katholieke geloof en kon zich niet zo goed meer vinden in het heidense epos. Het bleef in een la liggen en werd pas in 1977 gepubliceerd door zijn zoon Christopher, die zijn literaire nalatenschap beheerde. De samenstelling door Christopher Tolkien van een nieuw boek, De kinderen van Hurin, uit de nalatenschap van zijn vader (zie mijn recensie hieronder), leek me een goede aanleiding om ook aandacht te schenken aan De Silmarillion dat nog steeds wordt herdrukt, nu door uitgeverij Mynx, voortgekomen uit Uitgeverij M.
Het boek begint met Ainulindalë, een prachtig scheppingsverhaal, dat later door Tolkien weer werd geschrapt, maar gelukkig door zijn zoon weer aan het boek is toegevoegd. In het begin was er alleen Eru (De Ene) die in het niets bestond en daarin een aantal wezens schiep, Ainur genaamd. Omdat hij de oorsprong van alles was, werd Enu ook wel Iluvatar (Alvader) genoemd. De Ainur scheppen een virtuele wereld door muziek te maken. Alle muzikale thema's harmoniëren met, en variëren op, het door Iluvatar gegeven grondthema. Alleen Melkor is opstandig en zijn muziek wekt vaak spanningen op door afwijkingen en disharmonie. Iluvatar maakt de door de Ainur gemaakte muziek zichtbaar om de Ainur te laten zien wat ze hebben geschapen en vooral om Melkor daarmee tot inkeer te brengen. De Ainur zijn verbaasd en verrukt door de zichtbaar gemaakte schepping, waaraan ze allen hebben bijgedragen. Hierin komen ook Elfen en Mensen voor, die alleen door Iluvatar zijn bedacht en daarom "de kinderen van Iluvatar" worden genoemd. Iluvatar stemt erin toe dit visioen werkelijkheid te laten worden en daarmee is de wereld ook feitelijk geschapen.

Van de Ainur besluit een aantal in de wereld te gaan wonen en zij worden Valar (De Krachten) genoemd. Voor de Elfen die later geboren worden, zijn zij de Goden die de wereld hebben geschapen. Voor de Mensen, die nog later pas verschijnen, zijn de Goden ver verwijderde krachten, waar ze geen contact mee hebben. Sommige Elfen hebben wel contact met de Valar en worden door hen onderwezen in allerlei kunsten en wetenschappen. Iluvatar heeft soms contact met de Vainur, maar niet met de Elfen of Mensen.
Het boek is te complex om samen te vatten. In feite is het al een uittreksel uit de zelfbedachte mythologie die Tolkien in zijn hoofd had en nog van plan was uit te werken. Sommige hoofdstukken, of delen daarvan, zijn daarom moeilijk leesbaar omdat het een compacte opsomming van feiten en geslachten van Elfen of Mensen betreft. Op andere momenten heeft Tolkien de verleiding niet kunnen weerstaan om dieper op het onderwerp in te gaan en dat levert soms fascinerende verhalen op. Het boek beschrijft hoe de wereld zich ontwikkelt. De Valar hebben hun intrek genomen op een eiland in het verre westen en bemoeien zich niet met wat er gebeurt in Midden_Aarde, de streek waar Elfen en Mensen zich vestigen. Melkor vestigt zich ten noorden van Midden-Aarde. Hij is de machtigste onder de Valar, maar in zijn onstilbare honger naar meer macht wil hij de hele wereld onder zijn heerschappij brengen. Hij is een geslepen intrigant die Elfen en Mensen op zijn hand probeert te krijgen en tegen elkaar op te zetten. Een aantal Elfen worden door hem gevangengenomen en door zijn boosaardige invloed weet hij ze om te vormen tot Orks, monsterachtige wezens die hem als hun heer erkennen. Bij de schepping van de wereld schiep Iluvatar niet alleen de Vainur/Valar, maar ook de Maiar, mindere Goden, die de Valar dienen. Een van deze Maiar, Sauron, dient Melkor. Als Melkor Midden-Aarde onder de voet dreigt te lopen, roepen de Elfen de hulp van de Valar in. In een oorlog weten de Valar Melkor te verslaan en te ketenen. De Valar nodigen de Elfen uit zich te vestigen in Valinor, het land in het Westen waar ze zelf ook wonen. Slechts een deel van de Elfen geeft hier gehoor aan. De anderen blijven achter.
In Midden-Aarde is Sauron aan de wraak van de Valar ontsnapt en hij zet het werk van Melkor voort. Door in te spelen op de hebzucht en machtswellust van de Mensen weet hij ze tegen elkaar en tegen de Elfen op te zetten. Na zijn tijd geketend te hebben uitgezeten wordt Melkor door de Valar vrijgelaten. Hij gaat terug naar Midden-Aarde en wordt nu Morgoth (De Zwarte Vijand) genoemd. Hij weet zijn greep op de wereld terug te krijgen en dreigt opnieuw de hele aarde aan zich te onderwerpen. Veel Mensen en ook Elfen strijden aan zijn zijde mee. Opnieuw trekken de Valar tegen hem ten strijde en slaan hem opnieuw in de boeien, waarna ze hem "achter de muren van de wereld in de tijdloze leegte" werpen. De mensen die de Valar trouw gebleven waren, krijgen een eiland in het Westen, alleen door de zee gescheiden van Valinor. Ze worden Numenoreanen genoemd, naar de naam van het eiland, Numenor. Gedreven door eerzucht en opgehitst door Sauron, die opnieuw ontsnapt was, komen de Numenoreanen na verloop van tijd in opstand tegen de Valar en erkennen Melkor als enige God, die ze vereren in een tempel waar ook mensenoffers worden gebracht.

De Valar trekken zich nu terug van de ondankbare aarde en Iluvatar zelf verwoest Numenor en onderdrukt de opstand. Sauron weet opnieuw de dans te ontspringen en zet het werk van Melkor/Morgoth voort. Zijn macht en zijn uiteindelijke val door de vernietiging van een door hem gesmede ring, is uitgebreid beschreven in het epos In de ban van de Ring. Alleen zijn alle heidense elementen in dat boek weggefilterd. Er zijn geen Goden, geen tempels en niemand vraagt zich af wat er na de dood met je ziel gebeurt. Je kunt zelfs zeggen dat elke vorm van religie de personages van In de ban van de Ring vreemd is.
Dit is in grote lijnen de struktuur van De Silmarillion. Ik heb vele verhaallijnen buiten beschouwing gelaten, zoals de betekenis van de Simarillen waaraan het boek zijn naam ontleent. Die moet je zelf maar uit het boek halen. Het is een belangrijk boek, dat als geen ander de wereld van Tolkien voor de lezer zichtbaar maakt. De meer in detail beschreven verhalen zijn vaak fascinerend en aangrijpend. De droge geslachtsregisters en opsommingen van veldslagen die gevoerd zijn, moet je maar voor lief nemen. Sla ze niet over, want dan raak je de draad kwijt. Tolkien was als professor in de Germaanse talen werkzaam aan de Universiteit van Oxford en wist zich op dit gebied grote faam te verwerven. Toch is zijn epos vaak eerder Keltisch dan Germaans georiënteerd. Over de reuzen die zo'n grote rol spelen in de Noordse mythen, wordt niet gerept. Wel spelen de Elfen, die ook in Keltische legenden veelvuldig genoemd worden, een grote rol. De talen die hij speciaal voor dit epos ontwierp, zijn eerder op de Keltische dan op de Germaanse talen gebaseerd. Tolkien was niet de eerste die een heel eigen mythologie ontwierp. De dichter William Blake (1757 - 1827) ging hem hierin voor. Wel heeft Tolkien als geen ander de grondslag gelegd waarop vele schrijvers van fantasy en science fiction hebben voortgebouwd. Kortom, een boek om niet te missen, als je het al niet gelezen hebt. (Ko)

De Kinderen van Hurin

door J.R.R.Tolkien
317 blz. € 22,95
Mynx, 2007
ISBN 978 90 225 4764 9

Na de dood van zijn vader in 1973 is Christopher Tolkien bezig geweest de nagelaten geschriften van zijn vader te ordenen, te redigeren en uit te geven. In 1977 werd De Silmarillion (zie mijn recensie hierboven) gepubliceerd. Later volgden nog Sprookjes en vertellingen en Nagelaten vertellingen. Anno 2007 verrast de inmiddels 82-jarige Christopher ons met het epos De kinderen van Hurin. Een deel van dit boek was al tijdens de Eerste Wereldoorlog door Tolkien geschreven en de kern van het verhaal was opgenomen in De Silmarillion en is daarin ook gepubliceerd. Christopher heeft alle verhalen over Turin, ook wel genaamd Turambar, de zoon van Hurin, geanalyseerd, geredigeerd en er een doorlopend verhaal van gemaakt. Dat was geen gemakkelijke opgave omdat Tolkien de gewoonte had verschillende versies van hetzelfde verhaal te schrijven en samen op te bergen, zonder ergens een datum op te vermelden. Soms voltooide hij een verhaal en was er toch niet tevreden over. De herziene versies werden soms in de vorm van losse blaadjes in het oorspronkelijke manuscript gestoken, maar nooit afgemaakt. Aan Christopher de taak hier de beste en meest logische eindversie uit samen te stellen. Bij De kinderen van Hurin is hij hier m.i. uitstekend in geslaagd.
Hurin was een Elfenkoning die tegen de duistere God Morgoth (zie boven) vocht en door hem gevangengenomen werd. Over Hurin en zijn nageslacht wordt een vervloeking uitgesproken. Turin, de zoon van Hurin, is een geboren leider en door zijn heldhaftige gedrag lijkt hij de aangewezen persoon om het verzet tegen Morgoth te leiden. De vloek blijft hem echter achtervolgen en al zijn heldendaden kunen hem niet onttrekken aan de schaduw die over zijn bestaan blijft vallen. Het geniale van Tolkien is dat hij dit niet weergeeft als een dreiging van buitenaf die Turin het leven zuur maakt. Steeds is het zijn eigen falen waarover Turin struikelt, zijn eigen fouten en tekortkomingen die hem parten spelen. Zo biedt de Zeegod Ulmo hem de helpende hand en raadt hem aan de stad die door Turin wordt verdedigd hermetisch af te sluiten en te versterken. Trots als hij is, slaat Turin deze raad in de wind en doet met zijn leger een uitval. Zijn leger wordt verslagen en voordat hij terug is in de stad, is deze door de vijand verwoest.
Naarnate het verhaal vordert, wordt de dreiging van het noodlot steeds sterker. Morgoth wordt steeds sterker en dreigt de hele wereld aan zich te onderwerpen. De Valar, de Goden, zullen uiteindelijk Morgoth verslaan, zoals in De Silmarillion wordt verteld, maar dat weet Turin natuurlijk niet. Hij heeft geen enkel vertrouwen in de Goden omdat hij weet dat Morgoth een van hen is. Hij staat er alleen voor en al zijn daden en beslissingen keren zich alleen maar tegen hem. Zijn wanhopige zoektochten naar zijn moeder Morwen en naar zijn zuster Nienor, die hij nooit heeft gekend, blijven zonder resultaat. Zijn enige lichtpuntje is zijn ontmoeting met het meisje Niniel. Ze worden verliefd op elkaar en trouwen. Een ander lichtpuntje is zijn grootste heldendaad: het verslaan van de door Morgoth geschapen draak Glaurung, tegen wie niemand bestand was. Opnieuw is het zijn trots die hem parten speelt. In zijn trots beschimpt hij de gevelde draak en trekt zijn zwaard uit diens buik, waarbij hij zichzelf dodelijk verwondt. Voordat hij steft onthult de draak dat zijn vrouw Niniel niemand anders is dan zijn verloren zusje Nienor. Opnieuw heeft zijn noodlot hem ingehaald. Een briljant en aangrijpend verhaal dat in deze vorm beter tot zijn recht komt dan verdeeld over verschillende boeken en geschriften. Met dank aan Christopher Tolkien. (Ko)

Naar overzicht

De Kracht van de Aarde

magie met natuurlijke middelen, rituelen en formules

door Scott Cunningham
160 blz. € 18,90
Akasha, 2007
ISBN 978 90 77247 55 6

Scott Cunningham schreef in zijn korte leven (1956-1993) meer dan dertig boeken, waarvan er vele nog steeds worden herdrukt en vertaald, ook in het Nederlands. Elders op deze pagina heeft Joke drie van zijn boeken besproken. Wij hadden al vele jaren het boek Earth Power (1983) in ons bezit, dat nu door Uitgeverij Akasha is vertaald als De Kracht van de Aarde. Met "aarde" wordt dan niet het element bedoeld, maar onze hele planeet.
Na een inleidend eerste deel over de principes van magie, geeft het tweede deel een praktische handleiding voor het werken met 'De magische kracht van de elementen'. In het derde deel, Natuurmagie, komen in acht hoofdstukken aan de orde: magie met stenen, bomen, afbeeldingen, knopen, kaarsen, gesmolten was, spiegels, regen, nevel en storm en tenslotte de zee. De auteur geeft in elk hoofdstuk vele voorbeelden van rituelen, magische handelingen en spreuken die je kunt gebruiken om de betreffende krachten te benutten om een gewenst doel te bereiken. Als je al wat ervaring hebt met het doen van magisch werk kan dit boek je beslist nog wel op ideeën brengen.
Een nadeel van de gekozen struktuur van het boek is dat een groot aantal oplossingen worden geboden: hoe los je, bijvoorbeeld, problemen op met knopenmagie - zie hoofdstuk 12. Maar gewoonlijk gebruik je magie omdat je een probleem hebt. Je bent bijvoorbeeld verlegen en je wilt wat zelfverzekerder worden. Waar vind je dat? Het hele boek doorlezen tot je iets tegenkomt dat je kunt gebruiken? Dat is niet handig. Mijn advies is het boek goed te lezen vóórdat je een probleem hebt en aantekeningen te maken van de rituelen en technieken die je wel aanspreken. Dan kun je daarop terugvallen als je écht een probleem hebt.
Door Anneke Huyser is het boek zorgvuldig vertaald. Daarbij neem ik mijn petje af voor de vertalingen van de berijmde spreuken. Het rijm en ritme van de vertaling klopt en de boodschap van Cunningham wordt toch heel goed overgebracht. Jammer is wel dat de illustraties van Robin Wood niet in de vertaling zijn overgenomen en dat de bibliografie van Cunningham is weggelaten. Daarin geeft hij toch de bronnen die hem inspireerden tot dit boek. Wel is in plaats daarvan een literatuurlijst van Nederlandse publicaties opgenomen, waaronder ons boek De Kringloop van het Leven. Om het samen te vatten: De Kracht van de Aarde is een handig en leerzaam boek voor beginners en gevorderden op het magische pad, als je het eerst een goed doorleest (en dat is geen straf). (Ko)

De Magie van het huishouden

plezierig poetsen en boenen in huis, geest en wereld

door Yoeke Nagel
155 blz. € 14,95
Forum, 2007
ISBN 978 90 226 4773 1

De magie van het huishouden is een leerzaam, onderhoudend en vlot geschreven boekje, dat je kan leren op een andere manier met alledaagse huishoudelijke taken om te gaan. Verwacht geen toverformules of ingewikkelde rituelen om op magische wijze veranderingen tot stand te brengen. Het gaat om een subtiele vorm van magie die vaak werkzaam is in onze dagelijkse bezigheden zonder dat we ons ervan bewust zijn. En het gaat ook om de wisselwerking tussen onszelf en onze omgeving. Met een variant op de aloude wijsheid "zo boven, zo beneden", zou je kunnen zeggen "zo buiten, zo binnen". Door het een te veranderen, oefen je invloed uit op het ander. Yoeke beschrijft hoe haar huis een puinhoop werd nadat ze een relatie had beëindigd. Ze kon het fut niet opbrengen de zooi op te ruimen, maar toen een vriendin haar daartoe aanzette en daarbij hielp, merkte ze dat het opruimen van het huis ook haar eigen geest weeer op orde had gebracht.
Met talloze voorbeelden laat Yoeke zien hoe je "vervelende" schoonmaakklussen zinvol kunt maken door er heel bewust mee bezig te zijn. Dat beschrijft ze met veel humor, zonder ooit flauw of belerend te worden. Een aardige illustratie hiervan is haar beschrijving van het stofzuigen: "Het hele lichaam komt in beweging bij deze prachtige power-health-machine: de voeten leiden ons in een trage dans van rechte lijnen door de slaapkamer, de armen zwaaien de zuigstang van voor naar achteren. De kalmerende bromtoon brengt de geest in een rustige staat terwijl de neerslag van onze activiteiten pruttelend verdwijnt in de kleurige stofzuigen." Ik zal nooit meer kunnen stofzuigen zonder te weten dat ik in feite het middelpunt ben van dit kosmische drama! Niets is te klein of afstotelijk om onbelangijk te zijn. Alle dingen die we bezitten vertellen hun eigen verhaal, maar ook ons afval of de stofjes die zich in huis vormen, hebben je iets te vertellen - als je er open voor staat. Met duidelijke en eenvoudige oefeningen leert Yoeke de lezer bewust met al deze zaken om te gaan en de diepere zin van de simpelste handelingen te doorgronden. Ik heb eens een boekje gelezen van Krishnamurti, waarin hij de lezer duidelijk maakte dat mediteren helemaal niet vereist dat je allerlei moeilijke technieken beheerst en talloze ge- en verboden in acht neemt. Je kunt gewoon mediteren terwijl je in de bus naar huis zit of over straat loopt, zegt Krishnamurti, als je leert heel bewust te zijn van het hier en nu en niet met je gedachten afdwaalt naar het verleden, het elders of de toekomst. Dat is denk ik ook wat Yoeke Nagel ons wil bijbrengen en dat is haar heel aardig gelukt. De humorische illustraties van Pol Wijnberg zijn zeer geslaagd te noemen. Wie meer wil weten over de activiteiten van Yoeke Nagel kan terecht op haar site www.yoeke.com. Een echter aanrader dit boek. (K0)

Jezus en de Verloren Godin

de geheime leringen van de oorspronkelijke christenen

door Timothy Freke en Peter Gandy
383 blz. € 24,50
Synthese, 2007
ISBN 978 906271011 9

Van het boek De lachende Jezusvan Timothy Freke en Peter Gandy heb ik een jaar geleden een recensie geschreven. Die heb ik even opgehesen en hieronder gezet, dan hoef ik niet opnieuw uit te leggen wie de auteurs zijn en wat gnostiek is. In feite hadden ze Jesus and the lost Goddess al eerder geschreven, in 2001, maar door Synthese is nu ook dit boek in april 2007 uitgebracht als Jezus en de verloren Godin. En dat is goed nieuws. In dit boek zetten de auteurs uiteen hoe de eerste christenen het goddelijke ervoeren als een polariteit van een mannelijke en een vrouwelijke kracht. In de oudere heidense religies werd dit uitgebeeld door mythen over een Godin en haar geliefde. De geliefde sterft en wordt tegelijk herboren, zoals de oude vegetatie afsterft en tegelijk de zaden levert voor de nieuwe vegetatie. Voorbeelden zijn Isjtar en Tammoez, Afrodite en Adonis of Kybele en Attis. Die mythen zijn welbekend en de dood en wedergeboorte van de Vegetatiegod wordt meestal wel begrepen. Maar Freke en Gandy laten zien dat ook de Godin in feite sterft en opnieuw geboren wordt. De Godin daalt in veel mythen af in de onderwereld, zoals Demeter die haar dochter Persefone wil terughalen. Ook wordt de Godin vaak beschreven als losbandig en gaat ze zich te buiten in seksuele uitspattingen. Voor Freke en Gandy symboliseert dat een afdaling in de materie, waaruit de Godin zich weer losmaakt om haar hemelse en geestelijke oorsprong terug te vinden.
De eerste christenen waren gnostici, zoals de auteurs ook in De lachende Jezus uiteenzetten. De gnostische christenen gingen ervan uit dat het goddelijke in ieder mens zit en ieder mens gelijk aan Jezus kan worden als hij de eenheid van het al ervaart. Het Heilig Huwelijk tussen de God en de Godin was in heidense religies een hulpmiddel om die essentiële eenheid te ervaren. Voor de gnostische christenen was er niet alleen Jezus, de mannelijke pool, maar ook een vrouwelijke, goddelijke kracht. Die werd aangeduid als Sofia (Grieks voor 'wijheid'), Achamoth (Hebreeuws voor 'wijsheid'), Zoë (Grieks voor 'leven') of Psyche (Grieks voor 'geest'). Sophia werd in mythen beschreven als een Eon, een emanatie of afsplitsing van de onbekende goddelijke kracht waaruit alles uiteindelijk was voortgekomen. Ze kende echter haar afkomst niet en raakte verstrikt in de materie waarin ze afdaalde. Jezus was in deze mythen een vergelijkbare afsplitsing van het goddelijke. Het ervaren van de eenwording van Jezus en Sofia was voor de gnostische christenen een manier om de wezenlijke eenheid van het heelal te ervaren.
Een historische Jezus heeft er volgens Freke en Gandy nooit bestaan. Zijn mythen ontstonden in de eerste eeuw en er waren vele varianten. Geleidelijk aan kwamen bepaalde thema's in de mythen steeds vaker aan de orde en begon zich een bepaald beeld uit te kristalliseren. Jezus zou een aantal leerlingen of discipelen rond zich verzameld hebben De Godin nam in deze vroege mythen soms de gedaante aan van Maria Magdalena, een van zijn favoriete discipelen, die samen met hem de eeuwige cyclus van afdaling in de stof en terugkeer naar de geest uitbeeldde.
In de loop van de 2e en de 3e eeuw vond er een kentering plaats. De symbolische en cyclische mythen rondom Jezus werden door een minderheid in de christelijke gemeenschap uitgeroepen tot historische feiten die ooit werkelijk hadden plaatsgevonden. Freke en Gandy noemen ze 'literalisten' omdat ze mythen letterlijk namen. Het was een minderheid die snel groeide en een steeds steviger geep op de macht kreeg. Uit de vele mythen rondom de figuur Jezus werden er een paar uitgekozen, gekuist, veranderd en daarna opgenomen in de canon die het Nieuwe Testament zou vormen. Afwijkende geschriften werden verboden en vernietigd. De gnostische christenen werden tot ketters uitgeroepen en zo goed als uitgeroeid. Daarna werden de gnostische christenen voorgesteld als een minderheid die een afwijkende, ketterse mening had. Terwijl zij juist de oorspronkelijke christenen waren geweest. Binnen de nieuwe orde werd seksualiteit uitgebannen. Alle sporen van de gnostische Godinnen werden uitgewist en alle verwijzingen naar het Heilig Huwelijk van Jezus en de Godin werden vernietigd. Bijna allemaal. De Nag Hammadi-geschriften (zie elders op deze pagina) bevatten veel van de 'ketterse' geschriften van de gnostische christenen.
Het is niet de bedoeling van Freke en Gandy de oude mythen weer nieuw leven in te blazen om daarmee het oude gnostische christendom in ere te herstellen. Die mythen waren goed voor die tijd, zeggen ze. En als je werkelijk openstaat voor het mysterie van het leven, dan kun je je eigen manier zoeken om het Al te ervaren. Daar heb je geen Christus, zelfs geen gnostische Christus voor nodig. Daar sluit ik me graag bij aan. Zonder meer een aanrader, deze speurtocht naar Jezus en de verloren Godin. (Ko)

De lachende Jezus

Religieuze leugens en gnostische wijsheden

door Timothy Freke en Peter Gandy
301 blz. € 19,95
Synthese, 2006
ISBN 90 6271 995 3

Cultuurhistoricus Peter Gandy en wijsgeer Timothy Freke maken in dit boek een onderscheid tussen een starre, dogmatische manier om met religie om te gaan en een meer speelse manier. Het eerste noemen ze literalisme.De meer speelse benadering noemen ze gnosticisme of gnosis. De Engelse term 'literalism' betekent de neiging dingen letterlijk te nemen. 'Literalists' zijn de mensen die heilige boeken en voorschriften naar de letter willen geloven en navolgen. Door vertaler Gerard Grasman is dit onvertaald gelaten, hoewel dit woord in het Nederlands niet bestaat. 'Letterlijken'was toch een voor de hand liggende vertaling geweest.
In het eerste deel nemen de auteurs de bijbel en de koran onder de loep en rekenen genadeloos af met alle mythen die de joden en christenen hebben bedacht om de bijbel meer gezag en aanzien te geven. Het Oude en het Nieuwe Testament, concluderen ze, 'werden bijeengebracht door sectarische literalisten die eropuit waren om hun eigen macht en gezag te vestigen en in stand te houden.'(p 91). In de eerste eeuw v.Chr. waren dat de Joodse fundamentalisten, die een sterke Joodse staat wilden stichten en de oudere verhalen herschreven en aanvulden om daarmee de mythe van het uitverkoren volk te scheppen. Deze propaganda-geschriften vormden uiteindlijk het oude testament. Daarbij deed de waarheid minder terzake dan de waarde als propaganda. Veel van de verhalen missen elke historische grondslag. Dat de Joden onder Mozes uit Egypte zijn getrokken lijkt een verzonnen verhaal. De Joden waren waarschijnlijk gewoon Palestijnen, die alleen hun stamgod Jahweh tot enige God wilden uitroepen, zodat ze zich boven alle andere stammen verheven konden voelen. Het Nieuwe Testament is zorgvuldig uitgekozen uit een groot aantal geschriften en sterk veranderd in de derde eeuw om daarmee de macht van de kerk en de paus, als plaatsvervanger van Petrus, stevig te verankeren en uit te breiden.
De koran komt er in dit boek geen haar beter af. De auteurs laten zien dat Mohammed aanvankelijk een mysticus was die in visioenen zag dat hij als profeet geroepen was door God. Hij erkende de Joodse profeten, zag Jezus ook als een profeet en zichzelf als de laatste profeet die nu de hele waarheid zou onthullen. Toen hij zowel door de Joden als door de christen werd verworpen, ontwikkelde Mohammed zich 'van mysticus tot bendeleider'. Onder zijn leiding werd het Arabische schiereiland veroverd en op gruwelijke wijze gezuiverd van Joden en christenen. De stamgod Allah werd aanvankelijk naast 350 andere Stamgoden vereerd in de Ka'aba in Mekka, maar Mohammed slaagde erin de concurrentie volledig uit te schakelen, tot tenslotte Allah als enige God overbleef. Naarmate de strijd zich uitbreidde, werd de toon van de openbaringen die Mohammed doorkreeg grimmiger. Meer dan dertig jaar na zijn dood werden alle geschriften verzameld en in een merkwaardige volgorde (van de kortste tot de langste) achter elkaar gezet tot wat toen de Koran werd.
In heb de Bijbel gelezen en ik heb de Koran gelezen en ik kan niet anders dan de auteurs gelijk geven. Beide boeken zijn een propagandistisch geschrift dat oproept tot volkerenmoord en absolute gehoorzaamheid aan een wrede en onberekenbare God. In de Bijbel wordt de moord op de Palestijnse buurvolkeren uit naam van God gerechtvaardigd. In de Koran worden de Joden soms het uitverkoren volk genoemd en soms, samen met de christenen, beschreven als ongelovigen die uitgeroeid moet worden en eeuwig in de hel zullen branden. Macht is de drijfveer achter de grote religies, versluierd achter zogenaamde openbaringen en de wil van God.
Soms gaan de auteurs wat kort door de bocht. Zo stellen ze dat de aartsvaders als Abraham en Isaac nooit bestaan hebben en zijn bedacht als propagandastunt in de eerste eeuwen voor Christus. Ze gaan daarbij voorbij aan, of zijn onwetend van, het feit dat veel van deze verhalen veel ouder zijn dan de Bijbel. Zo zijn rond 1500 v.Chr., dus 1000 jaar voordat de eerste boeken van het Oude Testament werden opgetekend, al verhalen over Abraham opgeschreven, die in Embla, nu noordelijk Syrië, zijn teruggevonden.
De auteurs gaan ervan uit dat Jezus als historische persoon nooit heeft bestaan en dat zijn dood en wedergeboorte door de gnostici symbolisch werd opgevat. Dat lijkt heel aannemelijk. Veel gnostische geschriften geven aan dat ieder die het pad van Jezus heeft bewandeld, gelijk aan hem zal worden. Het kwam de machthebbers in de kerk niet te pas dat mensen het Goddelijke in zichzelf gaan ontwikkelen. Daarom zijn de gnostici wreed onderdrukt en vervolgd. In mijn recensie van de Nag Hammadi-geschriften, elders op deze pagina, ga ik hier dieper op in.
In het tweede deed van het boek geven de auteurs aan dat er ook een andere manier is om met spiritualiteit om te gaan dan door je te onderwerpen aan de machthebbers die hun macht op heilige boeken baseren. Daarbij maken ze gebruik van het begrip polariteit. De Literalisten gaan uit van een dualiteit, waarbij de eigen religie als de enig juiste wordt afgezet tegen de leugens of het verdorvene van andere inzichten. Bij een polariteit is er voortdurend sprake van verschillende gezichtspunten en opvattingen die elkaar aanvullen. Zo ben je als mens een in plaats en ruimte bestaand object, maar tegelijk maak je deel uit van een allesomvattend bewustzijn. Vanuit dit universele bewustzijn is het leven een droom. In die levensdroom kun je zeer waardevolle en aangename ervaringen opdoen. Veel gnostische geschriften stellen de materie als minderwaardig voor, een gevangenis waaruit je ziel moet proberen te ontsnappen. Freke en Gandy stellen dat je kunt genieten van het leven en je toch kunt openstellen voor het bewustzijn waarvan je deel uitmaakt. Ze geven de vergelijking met het kijken naar een film op tv. Als je je daar helemaal in verliest, kun je fijne, maar ook gruwelijke ervaringen opdoen. Als je voordurend tegen jezelf zegt dat het maar een film is en dat het werkelijke leven pas begint als de film is afgelopen, dan heb je er ook niets aan.
Een briljant boek, dat me op bepaalde punten wel aan het denken heeft gezegd. Een aanrader voor iedereen die een open oog heeft voor spiritualiteit in de meest brede zin van het woord. (Ko)

De Weg Naar De Oude Mysteriën

inleiding tot de westerse mysterietraditie
Door Ina Cüsters-van Bergen
383 blz. € 32,50
Akasha, 2007
ISBN 978 90 77247 60 0

Ina Cüsters volgde het studieprogramma van de Servants of the Light Schools of Occult Science, ooit, onder de naam Fraternity of the Inner Light opgericht door Dion Fortune en nu geleid door Dolores Ashcroft-Nowicki. Als derdegraads adept van deze traditie richtte ze haar eigen school op, de Temple of Starlight en geeft daarnaast ook lezingen en workshops over de westerse mysterietraditie in verschilende Europese landen. De vrucht van vele jaren theoretische en practische training is nu voor iedereen beschikbaar in haar boek De weg naar de oude mysteriën.
Tussen 1970 en 1980 heb ik me vrij intensief beziggehouden met de kabbala en andere vormen van de westerse mysterietraditie. Destijds zou ik dit boek met rode oortjes gelezen hebben en ik moet toegeven dat het er beter uitziet dan de meeste boeken die ik op dit gebied heb gelezen. Ina heeft de gave ingewikkelde en vage begrippen duidelijk en overzichtelijk uit te leggen. Veel boeken over de kabbala beperken zich min of meer tot een beschrijving van de levensboom met zijn tien sferen, sefiroth genaamd. Daar kun je veel van leren, maar die boom blijft dan een beetje in de lucht hangen. Door Ina wordt de boom stevig geworteld in de westerse mysterietraditie. Basisbegrippen als pathworking, de elementen, magie en Hermetische kennis worden uitgelegd. Basisoefeningen leren je op een praktische manier met deze materie om te gaan en niet te blijven steken in theoretische bespiegelingen. Dat gevaar ligt altijd op de loer en daarom ben ik destijds ook weer met de kabbala gestopt, omdat het me allemaal te mentaal en te intellectueel was. Ik dacht dat het simpeler moest kunnen, dat ik het goddelijke moest kunnen ervaren zonder de ballast van al die kennis. Ik denk dat de westerse mysterietraditie gewoon niet mijn pad is en dat ik daar altijd in een doodlopende steeg was beland. Voor talloze anderen biedt deze traditie wel een perspectief en het boek van Ina Cüsters kan je daar uitstekend bij helpen om dat af te tasten. En als het je aanspreekt kun je ook voor de praktijk terecht bij www.templeofstarlight.eu. Ik hou het maar bij Wicca, maar ben toch wel blij met dit mooie overzichtelijke boek.Een sterke aanrader, dit boek. (Ko)

Empedokles: Aarde, Lucht, Water en Vuur

Vertaling, inleiding en commentaar Rein Ferwerda
253 blz. € 19,90
Damon, 2006
ISBN 90 5573 729 1

Bijna iedereen kent wel de theorie dat de kosmos is opgebouwd uit de elementen Aarde, Lucht, Water en Vuur. Niet veel mensen weten dat de Griekse schrijver Empedokles deze theorie heeft uitgewerkt. En bijna niemand weet er het fijne van. Dankzij de classicus Rein Ferwerda (geboren 1937) heeft iedereen nu de gelegenheid daar kennis van te nemen. Empedokles is een intrigerende persoon. Hij werd rond 492 v.Chr. geboren in Akragas, het huidige Agrigento op Sicilië. Hij was arts en hield zich ook met de plaatselijke politiek bezig. Na de val van de tiran Thrasydaios in 470 verzette hij zich tegen pogingen van de aristocratie om de macht te grijpen. Bij de plaatselijke bevolking werd hij zo populair dat hem werd gevraagd koning te worden. Dat aanbod sloeg hij af. Liever hielp hij de mensen als arts en door velen werd hij als een wonderdoener gezien. Ook was hij filosoof, dichter en acteur. Hij schreef zijn ideeën over hoe de wereld volgens hem uit de vier elementen was ontstaan op in een gedicht dat hij regelmatig voordroeg, uitgedost als een God, met een purperen mantel, een gouden riem, bronzen sandalen en met een lauriertak in de hand. Na zijn vertrek uit Akragas grepen personen die hem vijandig waren gezind de macht en hij was niet langer welkom in zijn geboortestad. Hij stierf rond 432 v.Chr. onder mysterieuze omstandigheden. Hij zou in de krater van de Etna zijn gevallen, of erin gesprongen om te bewijzen dat hij een God was. Volgens anderen zou hij op de Peloponnesus van een paard zijn gevallen. Volgens nog weer anderen zou hij in zee zijn gevallen en verdronken.
Het gedicht van Empedokles is niet bewaard gebleven. Wel zijn er citaten uit zijn werk in de geschriften van andere Griekse en Romeinse schrijvers bewaard gebleven. Er zijn vele pogingen ondernomen die fragmenten tot een samenhangend geheel samen te voegen, maar de geleerden zijn het nooit eens geworden over de volgorde van de fragmenten en zelfs niet over de vraag of het nu één gedicht was, getiteld Over de Natuur of dat sommige fragmenten uit een ander gedicht van Empedokles afkostig zijn, getiteld Zuiveringen. In 1905 werd in Egypte een vrijwel vergane papyrusrol ontdekt die als hoofdsteun voor een mummie was gebruikt. De universiteitsbibliotheek van Straatsburg kocht de rol aan, maar pas in 1999 werd de tekst van de papyrusrol zo goed mogelijk gerestaureerd en werd ontdekt dat het ging om fragmenten uit het gedicht van Empedokles, deels bekende fragmenten, deels nieuwe. Rein Ferwerda schreef al eerder een gelijknamig boek over Empedokles, dat in 1997 door Athenaeum, Polak & Van Gennep werd gepubliceerd. Uitgeverij Damon vroeg Ferwerda een nieuwe versie van het boek te schrijven, gebruikmakend van de in 1999 ontcijferde papyrusfragmenten. Ferwerda voegde niet simpelweg een hoofdstuk aan het boek toe, maar herschreef het volledig, gebruikmakend van de sinds 1997 gepubliceerde studies over Empedokles. Het resultaat is een fascinerend en zeer goed leesbaar boek geworden. Nog steeds is veel onduidelijk. Van de tekst van Empedokles is waarschijnlijk slechts 10% bewaard gebleven en over de volgorde bestaat nog steeds een felle discussie tussen deskundigen, maar Ferwerda geeft, gegeven deze beperkingen, een alleszins aannemelijke analyse.
Hij begint met een glashelder hoofdstuk over de leer van Empedokles. Eerdere filosofen hadden pogingen ondernomen de oorsprong van de kosmos tot één begrip te herleiden. Volgens Herakleitos kwam alles voort uit Vuur, volgens Thales uit Water, volgens Anaximedes uit Lucht en volgens Xenophanes uit Aarde. Empedokles was de eerste die het ontstaan van de kosmos afleidde uit het samengaan van de vier elementen. Stoicheia, de Griekse naam voor de elementen is door latere auteurs bedacht. Empedokles zelf spreekt van rhizoomata, wortels. Daarmee geeft hij het vermogen aan van de elementen om zich te ontwikkelen en te groeien. Naast de vier elementen spelen twee andere begrippen een grote rol in de theorie van Empedokles. Door Liefde, in het gedicht ook wel aangeduid als de Godin Aphrodite, worden de elementen aangemoedigd zich met elkaar te vermengen en te verbinden. Door Haat worden de elementen weer uit elkaar gedreven en tegen elkaar opgehitst. Ferwerda vermoedt, uit de schaarse overgeleverde fragmenten, dat Empedokles een cyclisch gebeuren voor ogen had. Door Liefde aangespoord vormen de elementen een kosmos die zou eindigen in een volmaakt en harmonisch, maar uitermate statisch geheel. Door Haat wordt de harmonie verstoord en vallen de elementen weer uit elkaar - om daarna weer toenadering te zoeken. Zo blijft de kosmos voortdurend in beweging, een voortdurende afwisseling van schepping en afbraak.
Het lijkt me aannemelijk dat Empedokles inderdaad iets dergelijks voor ogen heeft gehad. In zijn gedicht geeft hij weer hoe het leven op aarde ontstond en hoe hieruit planten, dieren en mensen ontstonden. En de mens is niet de kroon op deze schepping. Alles wat leeft heeft volgens Empedokles het goddelijke in zich en ieder mens heeft het vermogen een demon of een God te worden. Maar die goddelijke status kun je weer kwijtraken. Een God of demon die zich misdraagt, valt weer terug op aarde en moet weer van voren af aan proberen de goddelijke status terug te krijgen. Niets staat vast in het wereldbeeld van Empedokles. Alles beweegt, zoals Herakleitos vóór hem al had gezegd. Het is een gewaagd en fascinerend wereldbeeld dat wellicht nog fascinerender zal worden als ooit nog eens een papyrusrol met het volledige gedicht zal worden gevonden. De wonderen zijn de wereld nog niet uit.
Ferwerda geeft in het hoofdstuk Het voortleven van Empedokles aan hoe de ideeën van deze filosoof-dichter door latere auteurs zijn overgenomen of becritiseerd. Zo geeft hij de commentaren van Plato, Aristoteles en de Neoplatonici, maar ook de toneelstukken van Friedrich Hölderlin, Matthew Arnold en Friedrich Nietzsche over Empedokles weer, evenals de werken van 20e eeuwse dichters als Hans Andreus. Een hiaat in dit interessante overzicht is dat met geen woord wordt gerept over de rol van de elementen in magische stromingen als The Golden Dawn, opgericht in 1888 en nog steeds actief. Evenmin wordt gewag gemaakt van de grote rol die de elementen spelen binnen de Wicca, door professor Ronald Hutton omschreven als de enige religie die ooit op Engelse bodem is ontstaan. Binnen dit moderne heidendom worden de elementen serieus genomen als de vier krachten die de kosmos vormen. Als Empedokles vandaag had geleefd was hij waarschijnlijk hogepriester binnen de Wicca geworden. Al weet je natuurlijk nooit wat hij in al die verdwenen stukken van zijn gedicht nog heeft gezegd. Toch maar kopen dat boek. (Ko)

Naar overzicht

'Aristoteles': Over Kleuren

Redactie Rein Ferwerda en P. Struycken
175 blz. € 14,50
Damon, 2001
ISBN 90 5573 129 3

Aristoteles (384-322 v.Chr., een van de bekendste Griekse filosofen, was o.a. een leerling van Plato, de leermeester van Alexander de Grote en de stichter van een belangrijke school in Athene. Hij heeft veel werken nagelaten die na zijn dood zijn verzameld en grotendeels bewaard gebleven. De verhandeling Over Kleuren is hierbij opgenomen, maar moderne wetenschappers gaan ervan uit dat het werk vrijwel zeker niet door Aristoteles is geschreven en wellicht door een leerling is opgesteld. Daarom staat de naam Aristotels op het boek tussen aanhalingstekens. Anderen kiezen voor de benaming Pseudo-Aristoteles. Rein Ferwerda is een classicus die zich uitgebreid met de Griekse Oudheid heeft beziggehouden. P. Struycken is een beeldend kunstenaar die zich bijzonder heeft verdiept in het gebruik van kleuren vanaf de Oudheid. Beiden schreven een essay als toelichting op de verhandeling over kleuren, die hier eveneens vertaald is opgenomen.
Die toelichting is geen overbodige luxe, want de verhandeling is tamelijk duister en stelt zelfs wetenschappers en experts op dit gebied nog steeds voor raadsels. Omdat de symboliek van kleuren, die binnen het Moderne Heidendom en de New Age-beweging een grote rol speelt, mij intrigeert, leek dit boek mij een goede handleiding om vast te stellen in hoeverre deze symboliek is voortgekomen uit de Oudheid. De korte, duistere en wat slordig geschreven verhandeling zelf stelt in dat opzicht wat teleur, maar de bijdragen van beide redacteuren zijn juweeltjes. Ferwerda is zeer goed thuis in de geschriften van de Griekse Oudheid en geeft een overzicht van de betekenis van kleur bij de Griekse dichters en filosofen vanaf Homeros. Hij wijst erop dat een echte kleurenleer in de oudste Griekse geschriften ontbreekt. De oudste filosofische geschriften gaan uit van de tegenstelling wit-zwart of glanzend-dof en proberen langs duistere paden de andere kleuren hiervan af te leiden. In onze tijd worden wit en zwart meestal niet als kleuren gezien. Wit is een mengsel van alle kleuren en zwart de afwezigheid van enige kleur. Voor de Grieken waren wit en zwart onveranderlijk de basiskleuren. Vanaf de 4e eeuw wordt rood eveneens als basiskleur genoemd, met geel of groengeel als vierde kleur. Uit dit viertal zouden alle andere kleuren afgeleid kunnen worden. Toch blijft de Griekse kleurenleer grotendeels onbesproken in de Oudheid en moet veel uit zijdingse opmerkingen van diverse auteurs worden afgeleid. Zo is er, ondanks vele pogingen daartoe, geen bevredigende verklaring te geven voor het feit dat geen van de Griekse schrijvers vóór Aristoteles iets noemt dat als de kleur blauw kan worden geïdentificeerd.
De Grieken worden vaak geprezen om hun nauwkeurige bestudering en analyse van natuurverschijnselen. De kleuren lijken daarbij het ondergeschoven kindje te zijn geweest. Anaximenes (6e eeuw v.Chr.) zag slechts de kleuren rood en zwart in de regenboog, Xenophanes (6e v.Chr.) zag de kleuren purper, rood en groen en pas Aristoteles beschreef de kleuren die wij er nu ook nog in zien. Toch komen de beschrijvingen van Aristoteles vaak ook niet met de werkelijkheid overeen. Zo beschreef hij nabeelden van iets waar je lang naar gekeken hebt als dezelfde kleur en het ontging hem dat dit een contrasterende kleur was. Pas Goethe wees op dit fenomeen (zie mijn recensie van de kleurenleer van Goethe elders op deze pagina). En zo zijn er meer uitglijders in het werk van Aristotels aan te wijzen. In zijn essay in dit boek geeft Struycken het volgende citaat van Aristoteles: 'Het komt bij heel erg schone spiegels voor dat, als vrouwen tijdens de menstruatie in de spiegel kijken, het oppervlak van de spiegel een soort bloederige nevel wordt. Als de spiegel nieuw is, is het niet gemakkelijk die vlek weg te wissen, maar als hij ouder is, is het gemakkelijker.' Hoewel Struycken daar verder niet op ingaat, wat Aristoteles een meester in het interpreteren van wat hij als feiten weergeeft om zijn eigen ideeën te boekstaven. Zo ging hij ervan uit dat vrouwen mislukte mannen zijn. Als de ontwikkeling van een menselijk embryo goed verloopt, aldus Aristoteles, wordt het een jongetje. Gaat er iets fout en wordt de ontwikkeling van het embryo gestoord, dan wordt het een meisje. Met dat uitgangspunt heeft hij vervolgens de vrouwelijke anatomie beschreven als een mislukte mannelijke anatomie. Zo zou de vagina niets anders zijn dan een mislukte penis, die zich niet heeft ontwikkeld en daarom in het lichaam is blijven hangen, in plaats eruit te steken, zoals het hoort. Deze bijzonder vrouwonvriendelijke ideeën zijn door de westerse medische wetenschap tot de 17e eeuw slaafs nagevolgd, omdat Aristoteles nu eenmaal als een onfeilbare wetenschapper werd beschouwd.
Ferwerda legt in zijn inleiding de vinger op de zere plek en geeft aan waarom de Griekse kleurenleer in onze ogen in veel opzichten niet voldoet. Struycken belicht als beeldend kunstenaar de Griekse kleurenleer vanuit het perspectief van een practiserend schilder en komt dan tot onthutsende conclusies.De kleurenleer van de Griekse filosofen en dichters komt voort uit absracte bespiegelingen over het wezen en de oorsprong van de verschillende kleuren die weinig of niets met de realiteit van doen hebben. Zo beweert Democritus: wit + zwart + rood = purper. Struycken merkt hierover op: 'In de ogen van een schilder is dit mengsel ondenkbaar.'Het zou 'een licht grijzig bruin opleveren, maar nooit purper.'
Struycken geeft aan dat mengen van kleuren, zoals hedendaagse schilders dat op het palet doen, pas in de 19e eeuw mogelijk is geworden. Voordien waren kleuren niet op elkaar afgestemd en leverde vermenging van kleuren meestal een lelijke, fletse kleur op. Tot de 19e eeuw werkten schilders daarom met zo'n 24 verschillende kleuren, waarmee ze schilderden, zonder deze kleuren te vermengen. Daarom was het effect van het vermengen van kleuren om nieuwe kleuren te maken tot de 19e eeuw ook voor schilders een vrij abstract begrip.
Struycken geeft een helder en interessant overzicht van de praktijk van het werken met kleuren en de onderliggende ideeën die daarbij vaak een rol speelden. Zo geeft hij, net als Ferwerda, weer op welke wijze kleuren vanaf de Oudheid met de vier elementen (Aarde, Water, Vuur en Lucht) zijn verbonden. In het essay Over Kleuren werd wit verbonden met de elementen Lucht, Water en Aarde, terwijl lichtgeel met vuur werd verbonden. Andere Griekse auteurs geven soortgelijke of iets andere indelingen, waarbij ik me weinig kan voorstellen. Door moderne heidenen worden kleuren vaak als volgt verbonden met de elementen: geel met Aarde, groen met Water, blauw met Lucht en rood met Vuur. Struycken geeft aan dat Leonardo da Vinci deze zelfde indeling hanteerde.
Hoewel de moderne opvattingen over kleuren weinig gemeen hebben met de Griekse theorieën hierover, is dit toch een bijzonder interessant boek, met name door de bijdragen van beide redacteuren, die mij voor het eerst de Griekse opvattingen over kleuren duidelijk hebben kunnen maken. Een aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in de betekenis van kleuren vanaf de Oudheid tot onze tijd. (Ko)

Van Karmijn, Purper en Blauw

Over kleuren in de Middeleeuwen en daarna

door Herman Pleij
171 blz. € 18,50
Prometheus, 2002 (2e druk)
ISBN 90 446 0100 8

Herman Pleij is hoogleraar Middelnederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. In dit boek geeft hij een fascinerend overzicht van het gebruik en de betekenis van kleuren in de Middeleeuwen en hoe deze betekenis sindsdien is blijven hangen of juist veranderd. In de Middeleeuwen werd aan kleuren een religieuze betekenis toegekend, zowel in positieve als in negatieve zin. Wit werd gezien als de zuivere uitdrukking van het hemelse en verhevene. Daarom werden engelen in witte gewaden afgebeeld en werd een bleekwitte huid gezien als een teken van de reinheid en verhevenheid van goede vrouwen. Alleen hoeren en slechte vrouwen werden afgebeeld met rode wangen en in rode kleding. Rood werd gezien als tegenhanger van wit, als een kleur van de duivel, lustgevoelens en al het slechte in de mens. Zwart werd verbonden met vergankelijkheid en de dood.
Binnen de kerk werd stevig van leer getrokken tegen felle kleuren, die werden gezien als middelen waarmee Satan de mens wilde verleiden. Nadat lange tijd de Middeleeuwen zijn afgeschilderd als een sombere, grauwe tijd waarin alles leek stil te staan, is de laatste jaren het beeld ontstaan dat alles in de Middeleeuwen felle, vrolijke kleuren had. Volgens Pleij is dat beeld onjuist. Verf en kleurstoffen waren in de Middeleeuwen voor de gewone man onbetaalbaar, dus de meeste huizen en de kleren van de bewoners waren grauw en kleurloos. Kleur was een middel om uit te drukken dat je veel geld en veel macht bezat. Felle kleuren kenmerkten dus de adellijke huizen en kastelen en ook de kerken en cathedralen. Juist de kerk, die waarschuwde tegen wulpse en overdadige kleuren, liet met name de grote kerken en cathedralen in alle kleuren van de regenboog schilderen om de macht van de kerk ten toon te spreiden.
De betekenis die aan kleuren werd toegekend kon in de loop der eeuwen verschuiven. Geel was in de Oudheid, met name bij de Romeinen, een hoog gewaardeerde kleur. In de Middeleeuwen werd deze kleur juist een symbool voor al het slechte dat er maar te bedenken viel. Geel was alles wat niet goed, niet vertrouwd en niet christelijk was. In 1215 besloot het Concilie van Latheranen daarom dat joden een geel herkenningsteken moesten dragen, zodat deze onbetrouwbare buitenstaanders niet met christenen verward konden worden. Aan het Franse hof werd in 1269 een soortgelijk besluit genomen. Wie een jood aangaf die geen geel droeg, zou hiervoor beloond worden.
Van elke kleur weet Pleij wel een boeiend en vaak ook zeer vermakelijk verslag te doen. Ondanks de afkeer van geel werden blonde haren van vrouwen hoog gewaardeerd. Maar dan moest de dame wel bruine ogen hebben en liefst hele donkere. Want blauwe ogen hadden alleen de vrouwen van de barbaren uit het noorden. Vrijwel de enigen die aan dat schoonheidsideaal voldeden, waren vrouwen met donkere haren en donkere ogen die hun haren blondeerden. Er is weinig nieuws onder de zon. Het is maar een greep uit de vele voorbeelden die Pleij geeft. Het is een boek dat ik iedereen van harte kan aanbevelen. Zeer leesbaar en met veel kennis van zaken en veel gevoel voor humor geschreven. (Ko)

Naar overzicht

Kleurenleer

door J.W.Goethe
204 blz. € 24,90
Vrij Geestesleven, 2004 (4e druk)
ISBN 90 6038 267 6

Johann Wolfgang Goethe (1749-1832) wordt door velen gezien als de belangrijkste Duitse schrijver, die vooral bekend werd door zijn romans, gedichten en toneelstukken. Daarnaast bracht hij het ver in de politiek en werd in 1776 minister in de Weimarrepubliek en werd in 1782 in de adelstand verheven. Hoewel hij rechten had gestudeerd, was hij ook actief als natuuronderzoeker. Zelf beschouwde hij zijn in 1810 gepubliceerde boek over de kleurenleer als het belangrijkste dat hij ooit had geschreven. Dit driedelige boek beslaat meer dan 1000 bladzijden, waarvan het eerste deel waarschijnlijk voor de hedendaagse lezer het meest interessant is. Uit dit deel koos Bob Siepman van den Berg de in zijn ogen belangrijkste stukken, die toch een vrij volledig beeld van deze kleurenleer geven. Achterin het boek staat een samenvatting van de weggelaten stukken uit het eerste deel en de paragrafen zijn naar de indeling van Goethe genummerd, dus de lezer kan precies zien waar iets ontbreekt.
Hoewel het boek dus bijna 200 jaar oud is, geeft het toch nog steeds een fascinerende visie op de werking en de betekenis van de kleuren. Het is geen gemakkelijke kost, maar voor een aandachtig lezer toch zeer goed te volgen. Goethe onderscheidt fysiologische, fysische en chemische kleuren. Fysiologische kleuren zijn kleuren zoals ze door onze ogen worden waargenomen. Een grijs vlak tegen een witte achtergrond wordt als donkerder waargenomen dan datzelfde grijze vlak tegen een zwarte achtergrond. Het gaat dus om onze waarneming van de kleuren en om processen die zich in onze ogen afspelen. Dat de fysiologische processen van onze visuele waarneming zich vooral afspelen in de hersenen was destijds niet bekend en deze mogelijkheid wordt door Goethe zelfs niet geopperd, maar dat doet geen afbreuk aan zijn visie op onze waarneming van de kleuren.
Aan de hand van zijn eigen scherpzinnige waarnemingen en vele experimenten stelt Goethe vast dat alle kleuren een tegenpool hebben. Deze tegenpool wordt bij de waarneming van een kleur in de ogen (lees dus: door de hersenen) gevormd. Als we, bijvoorbeeld, lang naar een groene cirkel kijken en dan de blik op een wit vlak richten, zien we een rode cirkel nog enige tijd als nabeeld. Goethe spreekt van een 'vitaliteit van het netvlies, die tot oppositie is uitgedaagd en via het tegengestelde een totaliteit tot stand brengt.' (p 45) M.a.w. door de waarneming van een kleur raken we uit ons evenwicht. Ons netvlies (hersenen) vormt zelf de tegenpool, zodat het evenwicht weer is hersteld. Dat vind ik, om in stijl te blijven, een eye-opener. Polariteit is een belangrijk onderdeel van ons leven, maar dat het op die manier in onze visuele waarneming van de wereld een rol speelt, daar was ik niet opgekomen.
Fysische kleuren zijn voor Goethe 'kleuren waarbij om ze te produceren bepaalde materiële media nodig zijn, die echter zelf geen kleur hebben en waarvan sommige doorzichtig, andere troebel en doorschijnend en weer andere volkomen doorzichtig kunnen zijn.' (p 59) Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de vertekening die optreedt als we iets door water of weerspiegeld door glas waarnemen. De details zijn te ingewikkeld om kort en duidelijk samen te vatten.
Onder chemische kleuren verstaat Goethe de kleuren die in of aan het oppervlak van een voorwerp aanwezig zijn. Het hoeft dus niet te gaan om langs scheikundige weg vervaardigde kleuren. Het kan ook de kleur van natuursteen betreffen.
De kleuren, van welke aard dan ook, worden door Goethe in een cirkel weergegeven, zoals in de uit het boek overgenomen afbeelding rechts. Tegenoverliggende kleuren zijn elkaars tegenpolen. In het boek geeft Goethe van elk kleur een kenschets en geeft ook aan welke relaties de verschillende kleuren met elkaar kunnen vormen. Geel, blauw en rood zijn de hoofdkleuren, waaruit alle andere kleuren kunnen worden afgeleid. Twee hoofdkleuren vormen samen de tussenliggende kleur in de kleurencirkel. Zo ontstaat groen door het vermengen van geel en blauw en oranje door het vermengen van geel en rood. De beschrijvingen zijn heel interessant en vormen nog steeds de basis van de moderne kleurenleer.
In het tweede, niet vertaalde deel van het boek verzet Goethe zich tegen de kleurenleer van Newton, die hij als onjuist en verwerpelijk beschouwt. Ik heb dat deel niet gelezen en kan het dus niet beoordelen, maar ik betwijfel of het veel nieuwe gezichtspunten opent. Het is duidelijk dat Goethe zich fel afzet tegen het mechanische wereldbeeld dat de natuurwetenschap vanaf de 18e eeuw heeft geprobeerd vast te leggen in starre natuurwetten. Als hij zegt dat in de wetenschap veel overboord is gegooid omdat het niet in dat mechanische wereldbeeld past heeft hij natuurlijk gelijk. Zijn fenomenolische kleurenleer vormt daar een welkome aanvulling op. Maar zonder die kille en starre natuurwetenschap zou ik hier nu niet achter mijn mooie kleurenscherm deze recensie zitten te typen. Elke benadering van de werkelijkheid heeft haar voor- en nadelen. Ik kan iedereen aanraden kennis te nemen van deze visie van een zeer veelzijdig en begenadigd schrijver. (Ko)

De Sprookjeswereld van John Bauer

door John Bauer
240 blz. € 24,90
Christofoor, 2005
ISBN 90 6238 806 X

Een prachtige collectie Zweedse volksverhalen en sprookjes die geïllustreerd zijn door John Bauer. Hij is geboren in 1882 en kwam in 1918 om, samen met zijn vrouw en driejarig zoontje, toen ze de veerboot namen op het Vättermeer. Hij studeerde aan de koninklijke Zweedse Academie voor Schone Kunsten. Tussen 1907 en 1915 illusteerde hij sprookjes voor het jaarlijks met de kerst uitgebrachte boek Onder Elfen en Trollen. Hiermee werd hij de meest geliefde illustrator in Zweden.
In De Sprookjeswereld van John Bauer staat het natuurbeleven en zijn gevoel voor de wereld van het onzichtbare volkje centraal. Ze bevolken de uitgestrekte Zweedse bossen en het gebied rond de grote meren. Elfen, trollen, feeën en kabouters werden door hem in Jugenstil en in een heel eigen, geestige en dromerige stijl weergegeven. Het is een prachtige stijl, die mij erg aanspreekt. De verhalen zijn o.a. van Elsa Beskow (zie onder), Anna Wahlenberg, Helena Nyblom, Jeanna Oterdahl en P.A.Lindholm. Een prachtig boek om uit voor te lezen, maar zeker ook een aanrader om gewoon jezelf kado te geven. (Joke)

De Kabouterkinderen

door Elsa Beskow
32 blz. € 12,90
Christofoor, 2004 (8e druk)
ISBN 90 6238 1448

Elsa Beskow is op 11 februari 1874 geboren in Stockholm, Zweden. Ze tekende en schreef al toen ze nog heel jong was. Op haar zevende wist ze al dat ze sprookjesboeken wilde schrijven en illustreren. Ze volgde een opleiding tot tekenlerares, hoewel ze liever naar de kunstacademie was gegaan. Ze gaf les op een meisjesschool en werkte als illustratrice. In 1897 verscheen haar eerste boek en in dat trouwde ze met de dominee Nataniel Beskow. tussen het huishouden en de opvoeding van haar zes zonen door werkte ze verder aan haar boeken. Ze maakte 33 prentenboeken en acht sprookjesboeken.
In haar boeken staan de natuur en de sprookjesfiguren centraal. Planten en dieren tekende ze zo natuurgetrouw mogelijk. In haar boeken is het meestal zomer, maar soms bestrijken ze alle seizoenen, en de natuur is vrijwel altijd vriendelijk, licht en mooi. Vaak komen kabouters, elfjes en natuurverschijnselen in haar boeken voor. Ze beleven daar hun eigen avonturen of helpen de mensen.
Veertien van haar boeken zijn bij Christofoor uitgegeven, waaronder de Kabouterkinderen, die met hun ouders in het bos wonen en daar allerlei avonturen beleven in de herfst, de winter en de lente. Een van haar boeken die de seizoenen doorgaan en kleuters iets vertellen over het oogsten van paddestoelen, bessen, noten. Er zijn ook minder vriendelijke bewoners, zoals mieren en adders. Na de winter kunnen de kabouterkinderen weer fijn buitenspelen. Ik ben een echte fan van de boeken van Elsa Beskow en raad ze dan ook van harte aan! (Joke)

Geneeskrachtige stenen

door Michael Gienger
96 blz. € 7,95
Altamira-Becht, 2006
ISBN 90 6963 721 9

Ongeveer een jaar geleden verscheen Handboek Geneeskrachtige Stenen van Michael Gienger. Dit boek heb ik elders op deze pagina al uitgebreid beschreven en bejubeld. Voor mij ligt nu een boekje van veel bescheidener formaat van dezelfde auteur. Een klein boekje, dat wel, maar daarom niet minder indrukwekkend. Ik heb tenminste niet eerder zo'n toegankelijk en duidelijk overzicht over dit onderwerp gezien. Het boekje is alfabetisch, van Aardbeienkwarts tot Zwavelkwarts. Als er een handelsnaam is, dan is deze in blauw afgedrukt en de wetenschappelijke naam in zwart. Hierna volgt een korte mineralogische beschrijving. Bij de geneeskrachtige beschrijving worden als aanduidingen gebruikt G (op geestelijk of spiritueel gebied), O (onbewuste of de ziel) en V (verstand of mentaal gebied). L staat voor het lichamelijk gebied, waaronder ook de zintuigen, organen en functies worden gerekend. Handig is ook dat de beschikbaarheid bij iedere steen wordt aangegeven, van Beschikbaar tot Rariteit en alles wat daar tussenin zit. Bij iedere beschrijving staat een duidelijke foto in kleur. Ik kwam veel informatie tegen waar ik veel aan heb. Nooit geweten dat bergkristal 18 onderverdelingen heeft, die allemaal verschillend van uiterlijk zijn, verschillende namen hebben en op verschillende gebieden werken. Een aanrader! (Joke)

In het land van de Waterfeeën

door Daniela Drescher
20 blz. € 10,90
Christofoor, 2006
ISBN 90 6238 815 9

In het land van de waterfeeën is een prachtig prentenboek, waarin het water centraal staat. Je ziet vissen, salamanders en waternimfen en boven het water vliegt een elfenkind. Als de zon opkomt, komen de feeën water uit de bron halen en er spettert een waterspreeuw in het water. Elders in het boek dromen feetjes op een waterlelieblad. Op de laatste bladzij is het water veranderd in ijs, waarop je kinderen ziet schaatsen.
In dezelfde serie schreef Daniela Drescher ook het boekje Kom mee naar Elfenland (zie mijn recensie elders op deze pagina). Het zijn leuke boekjes, heel mooi van sfeer, met leuke, simpele teksten. Ook voor de voorlezer is er veel te zien. (Joke)

Geneesheiligen in de Lage Landen

door Jo & Alfons Claes & Kathy Vincke
334 blz. € 29,95
Kok-Davidsfonds, 2005
ISBN 90 808290 8 0

In rooms-katholieke kringen zijn heiligen vanouds aangeroepen voor het genezen van lichamelijke en geestelijke kwalen. Protestanten komen er met Sint Nicolaas, die alleen gescheneken brengt (die je ook nog zelf moet kopen) wat dat betreft bekaaid af. Geneesheiligen in de Lage Landen richt zich op de heiligenverering in Vlaanderen en Nederland. Het boek is niet ingedeeld naar de heiligen, maar naar kwalen. Bij elke kwaal wordt de heilige die hier het meest voor aangeroepen wordt uitgebreid beschreven. Het leven en de legenden rond de heilige worden kort samengevat. Vaak levert dat kostelijke verhalen over de meest fantastische wonderen op. De auteurs geven als regel wel aan wat feiten zijn en wat dubieus of veel later bedacht is. Uit de levensbeschrijvingen komt vaak al naar voren waarom de heilige men een bepaalde kwaal geassocieerd werd en wordt. Zo zou Agatha van Catania in de derde eeuw wegens haar bekering tot het christelijke geloof gemarteld zijn door een van haar borsten met een tang af te knijpen. Door tussenkomst van Petrus zou de borst de volgende ochtend weer aangegroeid zijn. Daarom werd Agatha aangeroepen om gezwellen of tumoren in de borsten te genezen.
Van elke heilige wordt onder het kopje Voorstellingswijze beschreven hoe de heilige meestal werd afgebeeld. Met veel prachtige in kleur afgedrukte afbeeldingen wordt dit ook visueel verduidelijkt. De afbeeldingen zijn devotieprenten, bedevaartvaantjes en beelden of gebrandschilderde ramen in kerken. De afbeeldingen maken het boek een lust voor het oog en geven een goed beeld van de vaak wat naïeve, maar altijd gepassioneerde verering van de heiligen. Onder het kopje Verering wordt uitgezet op welke manieren de betreffende geneesheilige werd vereerd en hoe zijn of haar hulp voor een zieke werd gevraagd.
Na deze uitgebreide beschrijving van de belangrijkste heilige worden nog andere heiligen genoemd die met de betreffende kwaal geassocieerd werden. In het Register van Heiligen achterin het boek kan snel worden gevonden waar iets over een bepaalde heilige wordt gezegd, terwijl het Register van Ziekten de lezer snel verwijst naar de informatie over iedere genoemde kwaal.
Geneesheiligen in de Lage Landen is een bijzonder interessant en leeswaardig boek. Misschien is het juist voor niet-katholieken interessant omdat het boeiende informatie geeft over een belevingswereld waar je meestal slechts zijdelings mee in aanraking komt. Hoewel de auteurs dat verband niet leggen, is de heiligenverering voortgekomen uit de verering van Goden en Godinnen in het heidense Romeinse Rijk. Met name in de eerste eeuwen van onze jaartelling was er een enorme behoefte om naast de officiële staatscultus een persoonlijk contact met een Godin of God te zoeken, om hulp te vragen bij ziekten en andere problemen. Zo brachten vrouwen die kinderloos bleven een offer aan Juno Lucina met het verzoek ze vruchtbaar te maken. Ook de hulp van Diana werd vaak ingeroepen voor problemen met vruchtbaarheid en vrouwenkwalen. Na de genezing werd vaak een votiefoffer achtergelaten in of bij de tempel, in de vorm van een kleimodel van het genezen lichaamsdeel. In ons boek Encyclopedie van Westerse Goden en Godinnen geven we talloze voorbeelden waarin een Godin of God werd aangeroepen voor hulp en genezing. Na de kerstening van het Romeinse Rijk vielen deze helpers weg en kwamen uiteindelijk terug in de gedaante van vele heiligen. Het principe was hetzelfde gebleven. In de aan hen toegeschreven wonderen deden de heiligen niet onder voor de eerder vereerde Goden en Godinnen. Zonder meer een aanrader dit boek. (Ko)

Helden en Goden

door Lucia Impelluso
384 blz. € 19,95
Ludion, 2006
ISBN 90 5544 616 5

De inhoud van dit boek is veel breder dan de titel doet vermoeden. Niet alleen worden er natuurlijk ook Godinnen en heldinnen besproken, maar ook andere bovenaardse wezens en ook mensen die in mythen voorkomen of in de Griekse en Romeinse geschiedenis een rol hebben gespeeld. In het hoofdstuk Mythen, goden en helden zijn de belangrijkste personen uit de Griekse en Romeinse mythen alfabetisch gerangschikt. Historische personen zijn ondergebracht in twee korte hoofdstukken, getiteld Verhalen en personages uit de Griekse oudheid en Verhalen en personages uit de Romeinse oudheid. Hier vinden we personen als Aristoteles, Plato, Alexander de Grote en Zenobia, de koningin van Palmyre.
Ik vind Helden en goden een fantastisch boek dat ik iedereen kan aanraden. Uitgangspunt vormen de afbeeldingen, meest in schilderijen, maar ook wel in beeldhouwwerken van de besproken personen. Die afbeeldingen zijn zonder meer prachtig, goed gekozen en mooi afgebeeld op glanzend papier. Op de eerste bladzij van elke lemma wordt kort uitgelegd wie de betreffende persoon is en hoe deze door kunstenaars werd afgebeeld. Met verschillende foto's van vooral schilderijen wordt dit geïllustreerd. Bij elke foto wordt duidelijk vermeld de naam van de kunstenaar, de titel van het kunstwerk, de datum wanneer het is gemaakt en waar het kunstwerk zich bevindt. Bijzonder verhelderend zijn de korte teksten om de foto heen die details van de afbeelding toelichten. Met een zwarte lijn en een klein bolletje wordt de betreffende plaats op de afbeelding aangegeven. Hierdoor word je gewezen op details die anders snel aan de aandacht ontsnappen of onduidelijk blijven. De inleidende tekst bij het betreffende lemma plaatst de afbeelding in een duidelijke context, zodat je begrijpt wat de kunstenaar heeft willen uitdrukken. Vooral bij de wat minder bekende mythologische figuren kan dit bijzonder verhelderend werken. Als je wilt nakijken welke afbeeldingen er in het boek staan van een bepaalde schilder of beeldhouwer, kan het Register van kunstenaars je goede diensten bewijzen.(Ko)

De natuur en haar symbolen

door Lucia Impelluso
384 blz. € 19,95
Ludion, 2005
ISBN 90 5544 585 1

Van dezelfde auteur als Helden en goden is in de reeks Kunstbibliotheek van uitgeverij Ludion verschenen het boek De natuur en haar symbolen. In zeven hoofdstukken wordt de natuur ingedeeld in bomen en gewassen, bloemen, vruchten, dieren van de aarde, dieren van de lucht, dieren van het water en fabeldieren. Op de eerste bladzij van elk hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de behandelde onderwerpen. Die onderwerpen zijn niet alfabetisch gerangschikt, dus als je wilt weten of er, bijvoorbeeld, iets over de Jeneverbes in staat, moet je gewoon even het alfabetische register achterin het boek raadplegen. Ieder lemma begint met een inleiding van een bladzij, waarin wordt uitgelegd welke symbolische betekenis het betreffende onderwerp door de eeuwen heen heeft gehad en hoe dit door kunstenaars is afgebeeld. Ook hier weer korte teksten om de foto's heen die details in de afbeelding toelichten. Daardoor gaan niet alleen de afbeeldingen leven, maar kom je ook veel te weten over de symboliek van het betreffende onderwerp. Een naslagwerk dat je kunt raadplegen als je iets wilt weten over de symboliek van een bepaalde plant of een bepaald dier. Of gewoon een boek om af en toe open te slaan op een willekeurige plaats en te genieten van de mooie afbeeldingen en de toelichtingen. Een sterke aanrader. (Ko)

Wie is Wie

De Godenwereld van A-Z

door Ditte en Giovanni Bandini
262 blz. € 19,50
Elmar, 2006
ISBN 90 855 3004 0

Dit boek is geschikt als eerste kennismaking met de godenwereld van de heidense religies vanaf de Oudheid. Het boek richt zich op de bekendste Goden en Godinnen en geeft daarvan in een goed leesbare en pakkende stijl de belangrijkste verhalen. De Goden en Godinnen zijn van A tot Z gerangschikt, met achter de naam een vermelding van de cultuur of culturen waarin deze Godheid verveerd is. In het register achterin het boek worden de Goden en Godinnen ingedeeld naar de volgende groepen: Afrika, Australië en Oceanië, Germanen, Grieken, Romeinen en Etrusken, Kelten, Oost-Azië en Oude Oriënt en Centraal-Azië. Kortom: de hele wereld. Elke God of Godin wordt in 1-3 bladzijden besproken. Er komen daarom niet meer dan zo'n 200 Goden en Godinnen aan de orde en dat is niet veel voor de hele wereld. Als naslagwerk zul je dus vaak misgrijpen omdat de God of Godin er niet in staat. Wel kun je af en toe door het boek bladeren en een verhaal lezen dat je aanspreekt. De illustraties zijn deels in kleur, deels in zwart-wit. Soms wordt de afbeelding toegelicht, soms ook niet. Zo moet je van de afbeelding op pagina 102 maar aannemen dat het Hera betreft omdat de afbeelding in dat artikel staat. Een aanrader voor wie wat meer wil weten van de heidense Goden en Godinnen uit met name de Oudheid en hier nog niet zoveel over heeft gelezen. (Ko)

De droom van Poliphilus

Hypnerotomachia Poliphili

door Francesco Colonna
640 blz. € 59,95
Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2006
ISBN 90 253 0668 3

In 1499 werd dit boek in Venetië voor het eerst gedrukt en sindsdien hebben de vragen wie het heeft geschreven, wie de illustraties heeft gemaakt en waar het boek over gaat de gemoederen beziggehouden. Het is geschreven in het Italiaans, maar er zijn ook teksten opgenomen in het Latijn, Grieks, Toscaans en Venetiaans. In de oorspronkelijke uitgave werd geen auteur genoemd, maar de beginletters van de 38 hoofdstukken vormen een Latijnse zin, die betekent: "Broeder Franciscus Columna hield zeer veel van Polia." De dominicaner monnik Francesco Colonna wordt daarom door de meeste deskundigen als auteur aangewezen. Hij leefde van 1433-1527 en was broeder in een dominicanenklooster in Venetië. Het boek is waarschijnlijk geschreven tussen 1479 en 1499.
In het eerste deel van het boek beschrijft Poliphilus hoe hij droomt over de door hem bewonderde Polia, de mooiste vrouw die hij ooit heeft gezien, met een volmaakt lichaam, een beeldschoon gezicht en lange blonde haren. De droom vindt volgens het boek plaats op 1 mei 1467. Op zoek naar Polia zwerft Poliphilus door een soms lieflijk, soms woest landschap, waar hij talloze heidense tempels en ruïnes tegenkomt en vele nimfen en tenslotte de Godin Venus en haar zoon Cupido ontmoet. De heidense achtergrond is opmerkelijk als het boek is geschreven door een dominicaner monnik. Nergens wordt verwezen naar het christendom. In de Renaissance werden motieven uit het heidendom vaak als speelse achtergrond binnen een christelijke samenleving gebruikt, maar deze samenleving is in dit boek dus echt heidens. Polia was eerst priesteres van de kuise Godin Diana en wijst Poliphilus af, maar Eros krijgt medelijden met hem en zorgt ervoor dat Polia verliefd wordt op Poliphilus, waarna Venus hun liefde bekrachtigt. In het tweede deel van het boek beschrijft Polia hoe ze Poliphilus hardvochtig afwees tot ze hem tenslotte voor dood achterliet en hoe ze dan toch uiteindelijk in liefde voor hem ontstak.
De dominicaner achtergrond van de auteur kan verklaren waarom Poliphilus op zoek gaat naar de zuivere liefde van Polia en alle gelegenheden die hem onderweg geboden worden tot sekusele uitstapjes onbenut laat. Speelse nimfen proberen hem te verleiden. Ze gaan met hem in bad en smeren zijn lijf in met een olie die hem een erectie bezorgt, maar hij weet zijn opwinding in bedwang te houden omdat hij zich alleen aan Polia wil geven. De erotiek speelt ook een rol in de beschrijving van de beelden van nimfen en Godinnen die Poliphilus onderweg tegenkomt. Al moet ik daaraan toevoegen dat Poliphilus alle beelden en bouwwerken die hij ziet zeer gedetailleerd beschrijft. Dat doet hij met een fenomenale beheersing van de taal, waarin hij steeds heidense mythen in de vorm van vergelijkingen in zijn verhaal weet te vlechten. Colonna heeft duidelijk de boeken van Plinius, Ovidius en andere auteurs uit de Oudheid goed bestudeerd en verwijst niet alleen naar bekende, maar ook naar zelden opgeschreven mythen. Soms zijn de beschrijvingen van heidense beelden en gebouwen zo uitgebreid en gedetailleerd dat er geen eind aan lijkt te komen. Meermalen verontschuldigt Poliphilus zich na een dergelijke verbale uitbarsting voor het feit dat hij zo beknopt is geweest in zijn beschrijving omdat zijn gedachten steeds naar Polia afdwaalden.
Aan Ike Cialona alle eer dit taalkundige hoogstandje slagvaardig vertaald te hebben in een mooi en prettig lezend Nederlands. Ook alle lof voor Athenaeum, Polak en Van Gennep, die er alle moeite voor heeft gedaan dit boek zo mooi mogelijk uit te geven. De eerste uitgave werd destijds beschouwd als het mooiste drukwerk dat er ooit was verschenen. In die tijd werden initialen, fraai versierde beginletters, gewoonlijk opengelaten en later met de hand ingetekend. In dit boek waren ze voor het eerst gedrukt. Het boek was verlucht met 172 houtsneden, die taferelen uitbeelden die in het boek beschreven worden. Waarschijnlijk heeft Colonna die zelf ontworpen. Ook deze afbeeldingen zijn soms zeer vrijmoedig. In de bibliotheek van het Vaticaanmuseum bevinden zich twee exemplaren van het boek waarin een aantal tekeningen gekuist zijn. Zo werd de al te duidelijk zichtbare vagina van Venus geretoucheerd. In deze eerste Nederlandse uitgave uiteraard de oorspronkelijke, ongekuiste illustraties. Aan het eind van een hoofdstuk werden in de oorspronkelijke uitgave de regels steeds korter gedrukt zodat een naar beneden gerichte piramide wordt gevormd. In de Nederlandse uitgave is ook dit toegepast. De tekst van het boek is fraai gedrukt in een gebonden uitgave van 466 pagina's. In een tweede, eveneens gebonden deel van 174 blz. voorziet de vertaler het boek van een degelijke inleiding en vele uitstekende voetnoten die de heidense verwijzingen in de tekst toelichten. In een register worden de genoemde namen toegelicht met een verwijzing naar de pagina's waarin ze te vinden zijn. Beide delen passen in een kartonnen cassette. Bijna € 60 is niet goedkoop, maar gezien de geleverde kwaliteit beslist niet teveel.
Iedereen die belangstelling heeft voor het oude heidendom en met name voor de visie in de Renaissance hierop, kan ik dit boek van harte aanbevelen. De strekking van het boek laat verschillende opties open. Was Polia een bestaande vrouw die door Colonna van een afstand bewonderd werd? Was ze een Godin, zoals in het boek een aantal keren wordt gezegd? Het is ook mogelijk dat Polia was overleden voordat Colonna het boek schreef. Het eindigt met het grafschrift op haar graf, waarin o.a. staat: "Vraag je wie Polia was? Zij was een schitterende, geurige bloem, gesierd met elke deugd. Hier in dit oord kan zij, ondanks de tranen van Poliphilus, nimmermeer opnieuw opntspruiten.' (Ko)

Lentefeest

Verhalen, liedjes, knutsels en recepten

door Diana Monson & Maren Briswalter
80 blz. € 16,50
Christofoor, 2e druk 2006
ISBN 90 6238 636 9

Rudolf Steiner was Theosoof voordat hij zijn eigen ideeën uitwerkte in de Antroposofie. Dat hij zich daarbij, ook in zijn visie op de Jaarfeesten, vooral baseerde op het christendom, is bekend. Hij deed dit omdat men makkelijker zou aansluiten bij zijn visie op de kringloop van het jaar als de feesten een christelijke basis zouden hebben. De wereld waarin hij zijn ideeën ontvouwde was immers bijna uitsluitend een christelijke. Ik was dan ook blij verrast dat het uit het Duits vertaalde boek Lentefeest wel degelijk aandacht aan die vóór-christelijke wortels besteedt. In de inleiding wordt verwezen naar wat Jacob Grimm in zijn Deutsche Mythologie zegt over Ostara, dat het een belangrijke Godin moet zijn geweest, wier verering zo diep geworteld zat dat haar naam aan een van de belangrijkste Jaarfeesten gegeven werd en dat ook heidense gebruiken in het Lentefeest zijn opgenomen. Verschillende van deze gebruiken worden in het voorwoord nader toegelicht.
De hoofdpersoon in dit boek is Sonja, een meisje van een jaar of acht, dat met haar oma en haar ouders de natuur beleeft vanaf Imbolc (2 februari) tot Ostara (21 maart). Ook leert ze de verhalen kennen en hoe ze de oude gebruiken in deze tijd vorm kan geven. Haar oma praat met bomen en weet veel over deze oude gebruiken. Ze heeft zelfs een verzameling Godinnenbeeldjes. Ostara is daar niet bij, vertelt ze haar kleindochter, maar ze kan haar herkennen in iedere plant die in de Lente ontluikt.
Een heel leuk boek, met mooie verhalen en veel recepten, liedjes, traditionele gebruiken en leuke dingen om te doen met de kinderen. De illustraties zijn mooi getekend in tere lentekleuren. In het nawoord verwijst Diana Monson kort naar de onderdrukking van de heidense feesten binnen het christendom en laat daarbij opnieuw Jacob Grimm aan het woord. Ook wordt verwezen naar het omvangrijke Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens, een van Ko's favoriete bronnen voor volksgebruiken in met name het Duitstalige gebied. Lentefeest is een aanrader voor iedereen die dit feest met de kinderen wil vieren. (Joke)

Kom mee naar Elfenland

door Daniela Drescher
20 blz. € 10,90
Christofoor, 2e druk, 2005
ISBN 90 6238 786 1

Elfen en kabouters zijn 'in' op dit moment en er komen dan ook veel boeken uit over dit onderwerp. Veel daarvan vind ik slordig gemaakt of niet mooi getekend en/of 'geleend' bij anderen. Zo niet dit boek uit de serie Kom mee naar ..., waarin prentenboeken zijn verschenen bij Christofoor. Dit deel vertelt de kleuters over de kringloop van het jaar bij de elfen. Het begint met het voorjaar, gaat de zomer en herfst door en eindigt bij de winter. Een sprookjesachtig boek om samen met de kinderen te genieten van de prachtige tekeningen en de versjes die erbij staan. Een aanrader! (Joke)

Grimm

Volledige uitgave van de 200 sprookjes
verzameld door de gebroeders Grimm

558 blz. € 29,95
Lemniscaat, 2005
ISBN 90 5637 528 8

Hier is hij dan: de nieuwe vertaling van alle 200 sprookjes die de gebroeders Grimm hebben opgeschreven. We moeten daarbij wel bedenken dat de broers niet, zoals iedereen denkt, sprookjesverzamelend door het land trokken en de verhalen opschreven die eenvoudige mensen hun vertelden. Meestal kregen ze hun informatie van ontwikkelde vrouwen, die de broers in hun woonplaats ontmoetten of waarvan ze de verhalen op schrift kregen. Toch is de basis van al deze sprookjes wel degelijk een mondelinge volkse overlevering. De Grimms ontdekten deze schoonheid in een tijd dat iedereen er nog op neerkeek. De Grimms hebben deze ruwe volkssprookjes in de achtereenvolgende zeven drukken bewerkt. De verschillende varianten werden samengevoegd tot één geheel en seksuele aktiviteiten werden "bruiloft vieren"of "elkaar vriendelijk aankijken". Ook ontwikkelden de broers hun bekende sprookjesstijl, bijv. met standaarduitdrukkingen als "Er was eens" en "Ze leefden nog lang en gelukkig." Het gebruik van tegenstellingen, bijv lief kind tegenover boze stiefmoeder, is ook een gegeven dat de Grimms graag gebruikten. Verschillende volkse uitdrukkingen als "spijs en drank"of "huis en hof" zijn via de sprookjes van Grimm tot ons taaleigen gaan behoren. Getallensymboliek, zoals 7 x 7, werd door de Grimms in de sprookjes verwerkt en zijn daar deel van gaan uitmaken.
De eerste uitgave uit 1812 omvatte 86 sprookjes. Een tweede deel, in 1814 uitgegeven, gaf 70 nieuwe sprookjes.In de daarop volgende drukken zijn steeds sprookjes toegevoegd, maar er werden ook wel sprookjes geschrapt, omdat ze te wreed waren of omdat de herkomst niet Duits was.Meer dan 30 jaar geleden publiceerde Lemniscaat de volledige uitgave van de sprookjes van Grimm, gebaseerd op de laatste druk uit 1857 die de Grimms verzorgd hadden. Die uitgave van Lemniscaat was in de loop der jaren een begrip geworden. Ik hoorde dat er op de Vrije Scholen verontruste ouders vragen stelden aan juffie over de nieuwe vertaling. Vragen in de trant van: "Klopt dit wel? Stond dit er wel?" Het maakte, net als de nieuwe bijbelvertaling, veel los.
Eigentijds vertaald dus en opnieuw geïllustreerd, heel mooi en sfeervol. Maar liefst 400 afbeeldingen zijn er in het boek opgenomen. Achterin het boek, bij de aantekeningen, wordt bij ieder sprookje informatie gegeven de streek waar het vandaan komt, wie het heeft opgeschreven en wat de eerdere versies en bewerkingen van dit sprookje zijn. Ook wordt er informatie gegeven over de aard van het sprookje en de verwantschap met andere sprookjes, sagen, legenden en mythen. Als laatste worden er belangrijke en parallelle motieven genoemd. Bijzonder waardevolle informatie, die je in bewerkingen van de sprookjes helaas niet tegen komt en die dit boek extra waardevol maken. Ik wil Lemniscaat dan ook feliciteren met deze uitgave en de wens uiten dat deze vertaling wederom dertig jaar mee zal gaan en 7 x 7 herdrukken zal beleven. (Joke)

Groene magie

De verborgen krachten van het plantenrijk

door Scott Cunningham
344 blz. € 19,90
Altamira-Becht, 2005
ISBN 90-6963-672-7

Groene Magie is de vertaling van Cunningham's Encyclopedia of Magical Herbs, het boek dat Cunningham in 1985 schreef en dat in 1986, toen Joke het kocht, al aan zijn een vierde druk toe was. Al die jaren is het boek populair gebleven en nu dan door Altamira-Becht in het Nederlands uitgebracht. Elder op deze pagina heeft Joke Cunningham al ingeleid bij haar bespreking van vier van zijn boeken, die eveneens door Altamira-Becht zijn uitgegeven. De Encyclopedie van Cunningham is door de jaren heen een belangrijke leidraad geweest voor Joke bij het bepalen van wat de magische eigenschappen van kruiden zijn en onder welke planeet en element een kruid valt. Als zodanig heeft het boek haar vele diensten bewezen, maar het heeft haar een enkele keer ook wel op een dwaalspoor gebracht want Cunningham is soms, zoals Joke in haar inleiding ook zegt, erg slordig en geeft regelmatig onjuiste informatie. Het afgelopen jaar heeft de Encyclopedie vrijwel onafgebroken op mijn bureau gelegen om dienst te doen als vraagbaak tijdens de research voor ons nieuwe boek, De Magie van Wierook, dat in september 2006 gepubliceerd zal worden. Ik kwam er al snel achter dat Cunningham's Encyclopedie door velen na hem is gebruikt en vaak klakkeloos overgeschreven. Dat onderstreept het belang van dit boek, maar het is ook wel een geval van slecht voorbeeld doet slecht volgen. Maar laat ik eerst het boek zelf beschrijven.
Na een korte, maar lezenswaardige inleiding over kruiden, magie, planeten en elementen, volgt het encyclopedische gedeelte, dat driekwart van het boek beslaat en waarin ruim 400 planten en bomen worden beschreven. Hierin geeft Cunningham achtereenvolgens voor elke plant de volksnamen, het geslacht, de hiermee verbonden planeet, het element, de krachten van de plant en het magische gebruik ervan. Voor veel planten noemt hij, onder het kopje Goden ook Goden en Godinnen die hiermee in verband worden gebracht. Waar hij zich op baseert bij zijn indelingen, daar laat hij zich niet over uit. In de Engelse uitgave staat een lijst van geraadpleegde boeken, zo'n 125 titels, waarvan hij de meeste van een kort commentaar voorziet. Deze literatuurlijst is in de Nederlandse uitgave weggelaten, wat jammer is, want het geeft toch wel een indruk van de bronnen die Cunningham raadpleegde. Dat zijn veel boeken over volksgebruiken, oude en nieuwe hekserij, kruiden en magie. Het enige oude kruidenboek dat in de lijst voorkomt is Culpeper's Complete Herbal uit 1652. Hij noemt dit "het populairste en helaas minst betrouwbare kruidenboek". Culpeper was, zullen we maar zeggen, de Cunningham van de 17e eeuw. Culpeper was de eerste die planeten aan alle kruiden koppelde en als je je even verdiept in de geschiedenis van de kruidenkunde, dan valt op dat Culpeper zeer slordig te werk is gegaan. Hij respecteerde de traditie, die in zijn tijd al 1600 jaar bestond, waarin kruiden aan elementen werden gekoppeld. Om precies te zijn waren dat de kwaliteiten warm of koud en vochtig of droog, waaruit de elementen af te leiden zijn. De kwaliteiten nam hij klakkeloos over en koppelde daar dan vaak planeten aan die daar absoluut niet bij pasten. Zo noemt Culpeper het Citroenkruid, de traditie volgend, warm en droog (dus het element Vuur) en plaatst het kruid toch onder de planeet Mercurius, terwijl die planeet in zijn eigen astrologische indeling onder het element Aarde valt. Cunningham neemt de planeet Mercurius over en plaatst hem onder het element Lucht, waar Mercurius door moderne astrologen onder gerekend wordt. Moderne kruidenkundigen als Paul Beyerl en Steven Smith volgen Cunningham hierin. Toch is Citroenkruid voor een goed verstaander een kruid dat veeleer bij het element Vuur en bij de planeet Mars hoort. In volksgebruiken werd Citroenkruid vooral gebruikt voor bescherming en voor liefdesmagie. Dat weet Cunningham ook wel, want de krachten die hij noemt zijn: "liefde, lust, bescherming". Die horen typisch bij Mars en echt niet bij Mercurius.
De Marjolein (Majoraan) is een ander voorbeeld. In de oude kruidenboekn werd het warm en droog genoemd (Vuur). Culpeper neemt dit over en kiest toch voor Mercurius. Cunningham neemt Mercurius over en kiest voor het element Lucht. De Goden die hij hieraan koppelt zijn Venus en Afrodite. De krachten die hij noemt zijn "bescherming, liefde, geluk, gezondheid, geld.". Hiervan past alleen geld bij Mercurius, of misschien bij Venus, maar dat is dan het element Aarde. Volgens mij hadden de oudjes het bij het juiste eind en past Marjolein bij het element Vuur, waarbij ik dan kies voor de Zon, op grond van volksgebruiken en de medische werking van het kruid. De krachten die Cunningham noemt, passen eerder bij de Zon dan bij Mercurius.
Cunningham legt niet uit waarom hij bepaalde Goden en Godinnen bij een kruid plaatst. Uit zijn keuzen leid ik af dat het vermelden van een kruid en een Godheid in dezelfde mythe voor Cunningham voldoende is om ze aan elkaar te koppelen. Zo plaatst hij de Appel onder de planeet Venus en het element Water en noemt als Goden: "Venus, Dionysus, Olwen, Apollo, Hera, Athene, Afrodite, Diana, Zeus, Iduna." Hera, Athena (niet Athene! - foutje van de vertaler) en Afrodite spelen een rol in de twistappel die tussen ze in geooid werd met het opschrift "voor de schoonste". Iduna bewaakte de gouden appelen in de IJslandse Edda. Cunningham noemt deze mythen echter niet. Wat Dionysos, Apollo en Zeus met de Appel gemeen hebben? Geen idee en Cunningham maakt ons niet wijzer.
In het boek worden bij veel kruiden zaken aangedragen die niet bij elkaar passen en nooit een eenheid worden. Zo deelt hij de Kaneel in als Mannelijk, en passend bij de Zon en het element Vuur. Okee. De enige Goden die hij hierbij geeft zijn echter Venus en Afrodite. Veel informatie wordt als los zand bij de betreffende plant neergelegd. Daarbij gaat hij zeer losjes met astrologische correspondenties om. Soms koppelt hij de Maan, Venus en Saturnus aan het element Aarde, soms aan Water. Mercurius en Jupiter zijn soms Lucht en soms Vuur.
Cunningham bezit duidelijk niet de gave te schiften tussen degelijke informatie en onzin of halve waarheden. Wat hij toevallig tegenkomt en hem aanspreekt neemt hij op. Zelden horen we waar de informatie vandaan komt of hij volstaat met vaagheden. Zo noemt hij een recept om kuis te blijven. Je moet dan bij de nieuwe maan vóór zonsopgang ijzerhard plukken, uitpersen en opdrinken. Cunningham zegt dan: "Volgens de oude beschrijvingen zul je voor een periode van zeven jaar je behoefte aan seks verliezen." Dan denk ik: Welke beschrijvingen? Waar vandaan en hoe oud? Tien jaar? Honderd jaar? Drieduizend jaar?
Vaak geeft Cunningham wel goede informatie en meermalen heeft hij me bij een kruid op het juiste spoor gezet, waardoor ik bijvoorbeeld verder ging zoeken wat dit kruid bij de Grieken betekende. Maar als ik bij anderen geen bevestiging vindt van wat Cunningham beweert, leg ik het naast me neer. Ik neem niets aan op zijn gezag. Vaak heeft hij het bij het juiste eind, maar vaak ook niet. Bij de Linde gaat hij bijvoorbeeld absoluut de fout in. Hij noemt de boom mannelijk en plaats hem onder Jupiter en het element Vuur. De enige Goden die hij noemt zijn Venus en Lada. Ik ken Lada alleen als bijnaam van Leto, de moeder van Artemis en Apollo en weet niet wat ze hier doet of wat Cunningham ermee bedoelt. Venus past wel bij de Linde. Vanaf de Oudheid is de Linde een boom geweest die bij de Godin paste en wel de vruchtbare, jonge Godin. De Grieken noemden de Linde Phylira, naar de naam van deze Godin. De Romeinen verbonden de boom met Flora en Venus, de Germanen met Freya. De boom kan dan ook met zekerheid worden ondergebracht bij de planeet Venus en het element Aarde, niet bij Jupiter en Vuur.
Als je serieus geïnteresseerd bent in de geschiedenis van de kruidenkunde is Groene Magie een klassieker die niet in je verzameling mag ontbreken. Gebruik het boek om inspiratie op te doen en om ideeën te vinden in welke richting je verder zou kunnen zoeken, maar gebruik het boek niet als kruidenbijbel, waar je klakkeloos dingen uit over kunt nemen. Dan word je net een keertje te vaak het bos in gestuurd. Cunningham neemt vaak de foute informatie (de Planeet) over uit Culpepeper en gooit de goede informatie uit Culpeper (het element) in de prullenbak. Voor alle duidelijkheid: dit is mijns inziens, ondanks al zijn fouten en tekortkomingen, wel het beste boek dat je op dit gebied kunt kopen. Als je hogere eisen stelt zul je, net als ik dat gedaan heb, honderden moeilijke wetenschappelijke boeken door moeten worstelen en oude kruidenboeken moeten bestuderen, vaak met Gotische letters geschreven in het Middelnederlands of 16e eeuws Duits. Uit al die publicaties zul je de juiste informatie moeten afleiden. Als je dat niet wilt of kunt, is Groene Magie een goede koop. Rest me nog te zeggen dat het boek mooi is uitgegeven, met de originele illustraties, en over het algemeen goed is vertaald. De volksnamen zijn geen letterlijke vertalingen van de Engelse folk names, maar Nederlandse volksnamen die aan het betreffende kruid zijn gegeven. (Ko)

Het Epos van Gilgameš

vertaald door Herman Vanstiphout
302 blz. € 24,90
Sun, 2002 (2e druk)
ISBN 90-5875-101-5

Het Epos van Gilgamesj is voor het eerst opgetekend door de Soemeriërs rond 2100 v.Chr. en tot 500 v.Chr. zijn er nieuwe variaties op dit epos verschenen. Herman Vanstiphout is docent algemene semistiek en Assyriologie aan de Universiteit van Groningen. Hij heeft de verschillende versies bestudeerd en uit de grondtekst vertaald. De laatste jaren is er zoveel nieuw materiaal ontdekt of vertaald dat wetenschappelijke vertaling van voor 1980 volgens Vanstiphout alleen nog historische waarde hebben. De teksten zijn geschreven in spijkerschrift op kleitabletten. Vanstiphout geeft zeer nauwgezet aan waar teksten ontbreken of vrijwel onleesbaar zijn, zodat bepaalde woorden of zinsdelen min of meer uit de context geraden moeten worden. Hij gebruikt voor zijn vertaling de internationale wetenschappelijke notitie, waarbij de sj-klank geschreven wordt als š en oe-klanken als u, zoals in Sumerisch en Uruk. Omdat ik gewend ben aan de Nederlandse notatie (Gilgamesj, Soemerisch en Oeroek) zal ik die hier ook maar gebruiken.
De oudste versie, de Soemerische, is gevonden in zes los van elkaar staande verhalen die in het Nieuw-Soemerische Rijk (2112-2004) zijn opgetekend. In het Oud-Babylonische Rijk (1894-1595 v.Chr.) zijn rond 1700 v.Chr. een aantal van deze verhalen in het Babylonisch (Akkadisch) opgetekend. In later eeuwen zijn de verhalen over Gilgamesj opnieuw bewerkt. Rond 1100 v.Chr. namen deze verhalen vaste vorm aan en ontstond wat Vanstiphout De Standaardversie noemt. Hiervan zijn 70 exemplaren gevonden, waarvan de helft afkomstig is uit de bibliotheek van Asjoerbanipal in Ninevé. Hoewel deze versie dus een millenium na de Soemerische versie ontstond, begint Vanstiphout zijn boek hiermee, en laat de andere versies hierna volgen.
Volgens de Standaardversie is Gilgamesj een koning die zijn onderdanen onderdrukt. Hij is de zoon van Loegalbanda, de legendarische koning van Oeroek, en de Godin Ninsun. Hij is zo groot en sterk dat niemand het tegen hem op kan nemen. Zijn onderdanen gaan zich bij de Goden beklagen en die besluiten een wezen te scheppen dat het tegen Gilgamesj kan opnemen. Dit wezen, Enkidoe, trekt echter alle wilde dieren naar zich toe. Een jager, die zich hierdoor benadeeld voelt, weet een meisje met hem in contact te brengen. Na zeven dagen en nachten de liefde met haar bedreven te hebben is Enkidoe getemd en keren de dieren zich van hem af. Enkidoe gaat de confrontatie met Gilgamesj aan. Ze vechten, maar zijn aan elkaar gewaagd en sluiten vriendschap.
Samen met Enkidoe gaat Gilgamesj naar het Cederwoud in Libanon. De heilige bomen in dit woud worden bewaakt door Hoembaba, door Vanstiphout omschreven als "een monsterachtig wezen". De Zonnegod Sjamasj staat de helden bij in de strijd en verblindt Hoembaba met dertien winden, zodat ze hem kunnen overwinnen en doden. Op "de Cederberg, zetel van Goden en Godinnen" vellen ze de mooiste boom en maken er een deur uit voor de tempel van Ellil (meestal Enlil genaamd). Getroffen door de schoonheid en dapperheid van Gilgamesj doet de Godin Isjtar hem een aanzoek. Gilgamesj wijst dit botweg af en zegt dat het met al haar vorige geliefden slecht afgelopen is. De woedende Isjtar gaat naar haar vader, An of Anum genaamd en vraagt hem de Hemelstier los te laten om Oeroek te straffen en de helden te doden. Gilgamesj en Enkidoe weten echter de stier te doden. Enikdoe gooit de bil van de Hemelstier in het gezicht van Isjtar en ze is niet in staat hem hiervoor te straffen. Als straf voor het doden van de Hemelstier besluiten de Goden dat Enkidoe moet sterven. Gilgamesj zwerft alleen verder en weet tot in de onderwereld door te dringen. Daar ontmoet hij Oetnapisjtim, die de mensheid na de Grote Vloed van de ondergang redde en als enig mens onsterfelijkheid kreeg. Gilgamesj keert terug uit de onderwereld, maar weet nu dat hij ooit zal sterven.
Tot zover de Babylonische versie die door Vanstiphout eerbiedig wordt aangeduid als "de grootse standaardversie" (p 298) en "de monumentale standaardversie" (p 300). In de commentaren op de oudere versies die hij hierna heeft opgenomen, geeft Vanstiphout herhaaldelijk blijk van een onvermogen deze oudere versies op hun waarde te schatten en juist te interpreteren. Dat Inanna (door Vanstiphout Inana genoemd) bij de Soemeriërs veel meer aanzien had dan de uit haar voortgekomen Isjtar bij de Babyloniërs wil er bij hem gewoon niet in. In het eerste Soemerische verhaal staat: "Gilgameš, de heer van Kulab/ Die zijn vertrouwen stelt in Inana..." Vanstiphout zet hier een voetnoot bij waarin hij zich afvraagt: "Is dit een lichtelijk ironische verwijzing naar de moeilijkheden die Gilgameš later met Inana zal krijgen?" Ik denk het niet. Die moeilijkheden zouden pas duizend jaar later in de Babylonische versie breed uitgemeten worden. Gilgamesj heeft in deze versie een bediende Enkidoeg (Enkidoe) en samen gaan ze de strijd aan met Hoewawa (Hoembaba). Gilgamesj belooft Hoewawa zijn zuster en weet hem met valse beloften over te halen elk van de zeven stralen die hij bezit af te geven. Gilgamesj krijgt medelijden met de arme Hoewawa die hij door zijn listen en leugens in zijn macht heeft gekregen, maar Enkidoeg is mededogenloos en hakt het hoofd van Hoewawa af. Als ze dit hoofd naar de God Enlil brengen valt deze woedend tegen ze uit. Ze hadden hem moeten eren, want zijn zeven stralen gaf hij aan de velden, de stromen, de rietbedden, de leeuwen, aan het paleis, aan de wouden en de laatste aan Nungal, de dochter van Eresjkigal, die over de onderwereld heerst. Hoewawa, dat is duidelijk, is de Vegetatiegod die vruchtbaarheid brengt en alles laat groeien. In de oude Soemerische mythen stierf de Vegetatiegod om steeds weer in de nieuwe vegetatie herboren te worden. Dat verband wordt door Vanstiphout niet gezien of doelbewust verzwegen.
De Hemelstier was een andere verschijningsvorm van de Vegetatiegod. Doemoezi, de geliefde van Inanna, werd zo genoemd. De dood van Doemoezi, waaruit de nieuwe vegetatie ontsproot, werd ook wel voorgesteld als de dood van de Hemelstier. In een van de Soemerische fragmenten noemt Inanna Gilgamesj haar wilde stier als ze hem vraagt haar te beminnen. Gilgamesj beledigt haar niet, zoals in de Standaardversie, maar wimpelt haar aanzoek beleefd af en zegt dat hij liever gaat jagen. Inanna laat ook hier de Hemelstier op hem en op zijn stad Oeroek los. De stier eet al het gras en andere gewassen van Oeroek op, drinkt de rivier leeg en begint de stad te verwoesten. Gilmamesj doodt de stier. De tekst luidt: "Als regendruppels spatte hij uiteen; als kaf vervluchtigde hij." Opnieuw een beeld van de Vegetatiegod die sterft om vruchtbaarheid te brengen. Inanna kijkt toe als de stier in stukken wordt gesneden: "Hij trof Inana met het lendenstuk, deed haar wegvliegen als duif." De duif is een verschijningsvorm van de Godin als jonge vrouw. Er staat niet dat Gilgamesj het lendenstuk naar haar toe gooide (zoals in de Standaardversie), alleen dat hij haar ermee trof. De tekst vervolgt: "Staande bij het hoofd van de Stier weende de koning (=Gilgamesj) bittere tranen./ "Zoals ik jou vernietigd heb, zo kan ook mij gebeuren."" Gilgamesj weet dat hij nu de jonge Vegetatiegod is die de oude verslaat en dat hem zelf als hij ouder is datzelfde lot zal treffen. Vanstiphout heeft daar niets van begrepen. Hij plaats bij deze tekst de voetnoot: "Het is niet duidelijk waarom Gilgameš hier begint te wenen." Het verhaal eindigt met: "En de beide horens maakte hij tot flacons om in het Eana (de grote tempel van An en Inanna in Oeroek, kl) fijne olie aan Inana te plengen./ Omwille van de dood van de Hemelstier is het zoet jou te prijzen, Inana." Op dit eerbetoon van Gilgamesh aan Inanna, dat absoluut niet in de "grootse Standaarversie" past, gaat Vanstiphout gewoon niet in.
Het vijfde Soemerische verhaal in deze vertaling kende ik uit het boek Inanna - Queen of Heaven and Earth (1983), waarin Samuel Noah Kramer, een van de meest vooraanstaande geleerden op het gebied van de Soemerische literatuur, samen met dichteres Diana Wolkstein uiteenzet hoe belangrijk Inanna in de Soemerische religie is geweest. In het verhaal The Huluppu-Tree wordt een prachtige scheppingsmythe verteld waarin de jonge Inanna een boom verzorgt die de hemel met de onderwereld verbindt. De boom dreigt zich aan haar gezag te onttrekken, tot Gilgamesj haar te hulp schiet en de boom omhakt. Een uitgebreidere en veel dieper gravende beschrijving van dit verhaal vind je in het artikel over Inanna in ons boek Encyclopedie van Westerse Goden en Godinnen. Kramer en Wolkstein weten hier ook rake dingen over te zeggen. Hun boek is trouwens nog steeds te koop via Proxis (€ 13,75) en beslist een aanrader. Vanstiphout raffelt deze mythe zonder veel commentaar af. In zijn inleiding en voetnoten negeert hij Inanna volkomen. Lilith die in de boom zit noemt hij "duivelin Lilitu" en maakt er verder geen woord aan vuil om haar toe te lichten. Toch is Lilith een fascinerende Godin. In onze Encyclopedie hebben we een artikel aan haar gewijd. Het prachtige, duistere scheppingsverhaal in deze mythe, wordt door Vanstiphout niet op waarde geschat en afgedaan met: "Het gaat te ver deze inleidingen te interpreteren als een ernstig bedoelde kosmogonie. Het zijn traditionele en waarschijnlijk in oorsprong volkse, wellicht zelfs mondelinge inleidingstechnieken." Zo bagatelliseert hij alles wat niet in het keuslijf van "De Standaardversie" past. We kunnen Herman Vanstiphout dankbaar zijn dat hij de mythen over Gilgamesj heeft verzameld en nauwgezet vertaald. Zijn pogingen de Babylonische versie als standaard voor te stellen en de verschillen met de oudere Soemerische versie weg te moffelen kan ik minder waarderen. Lees zelf de mythen na en vel je eigen oordeel. Vanstiphout heeft de verschillende versies netjes gesplitst, dus de verschillen kunnen voor zich spreken. De vertaling leest prettig, als je je niet stoort aan oubollige woorden als "deerne" of "woonst" die Vanstiphout af te toe meent te moeten gebruiken. De belangrijkste in het boek voorkomende Soemerische en Babylonische namen en begrippen worden achterin het boek verklaard, maar een register ontbreekt helaas. (Ko)

Het Dierenorakel der Druïden

Werken met de heilige dieren uit de traditie van de Druïden

door Philip & Stephanie Carr-Gomm
179 blz (met 33 kaarten) € 29,90
Altamira-Becht, 2005 (3e druk)
ISBN 90-230-1008-6

Oorspronkelijk verscheen dit orakel, een boek met bijbehorende kaarten, in het Engels in 1994. Het werd in 1998 in het Nederlands uitgegeven. Gelukkig ziet Uitgeverij Altamira-Becht anno 2005 nog plaats voor een derde druk van dit al lang uitverkochte boek. In hun inleiding zeggen de schrijvers dat de wijsheid van de Druïden voortleeft in de verhalen en mythen, steencirkels, heilige plaatsen en volksgebruiken. Als je dit samenvoegt met de geschiedenis en het verenigt met gezond verstand en intuïtie, dan kun je de leer van de Druïden opnieuw tot leven brengen. En dat gebeurt ook overal op de wereld! Voor de Druïden was de dierenwereld erg belangrijk. Diverse stammen zouden van dieren afstammen - de Katmensen uit Schotland bijvoorbeeld. De meeste stammen hadden totemdieren, die naar voren kwamen in de naam, het wapen of de traditie van die stam. Dieren-achternamen kwamen ook uit deze gebruiken voort, denk bijvoorbeeld aan Vos. Net als de tradities van de Indianen kenden zij ook namen als Kleine Wolf of Zoon van Vos. De Carr-Gomms geven nog vele andere voorbeelden van de belangrijke plaats die dieren in het leven van de Kelten en volkeren ver daarvoor hadden. Onze Joods-Christelijke cultuur heeft ons geleerd bang te zijn voor dieren en om "de aarde te onderwerpen".Daardoor zien we ze alleen nog maar in onze dromen als wilde dieren en in verhalen over, bijvoorbeeld, weerwolven. We moeten opnieuw leren dat we onze eigen dierlijke aard niet moeten onderwerpen, maar omarmen om volledig mens te kunnen zijn.
Op onze laatste Maanviering, de Jachtmaan, hebben we met onze Coven gebruik gemaakt van dit orakel. We hebben een legging voor het hele jaar gedaan. We gebruikten daar de legging Het Wiel van Arianrhod (pag. 161) voor. In het midden kwam de kaart voor de Coven. Ik ga natuurlijk niet de legging voor onze Coven verklappen, maar ik wil wel kwijt dat we deze kaart, hoe hij door de auteurs wordt beschreven, heel treffend vonden. Er omheen legden we acht kaarten, een voor elk van de Jaarfeesten. We schreven de legging op in ons Covenlogboek en zullen over een jaar evalueren inhoeverre elk van de kaarten het betreffende Jaarfeest typeerde. We waren erg onder de indruk van de kaarten en van de mooie woorden die bij elk dier in het bijbehorende boek staan. Ik vergeet bijna te zeggen dat na de inleiding de kaarten besproken worden, zoals ik al zei, in treffende bewoordingen en dat hierna diverse leggingen gegeven worden. De kaarten zijn erg mooi getekend door Bill Worthington en spreken je intuïtie goed aan. Je kunt heel gemakkelijk de kaart binnengaan. Het is ook een goed idee om er een meditatie mee te doen, de kaart binnen te gaan en er rond te lopen. Samen met het boek zitten ze in een doos, waar ook nog een Keltisch kleed om ze op te leggen in zit. Een aanrader. (Joke)

De Oude Religie

door Vivianne Crowley
288 blz. € 18,90
Spirit, 2005
ISBN 90-215-8152-3

Dit is een herdruk van het in 1995 uitgekomen Terug naar het Heidendom?, een vertaling van Phoenix from the Flame (1994). In haar inleiding vertelt Vivianne dat dit boek haar persoonlijke visie is en niet een algemeen aanvaarde zienswijze, omdat het heidendom vele varianten en opvattingen kent die niet allemaal in één boek te vatten zijn. Ook vertelt ze over haar jeugd en haar zoektocht en visoenen waarin ze onder andere een roodharige hoofdman ontmoette, die de volgende woorden sprak: "Ik ben geen God," zei hij. "Ik ben de stem van mijn volk en jullie stem ook, als dat jullie wens is. Aanbid in jullie tempels de Grote Geest, de hemel en de wind, die Goden en mensen verenigen. Vereer geen vorst die sterfelijk is." Toen verscheen de Godin tot haar, met zwart haar en grijsgroene ogen en ze ervoer in een droom dat ze over de ijsschotsen uit het noorden kwam. Voor Vivianne verscheen dus eerst de God en daarna de Godin, wat opmerkelijk is, want veel moderne heidenen vertellen dat voor hen eerst de Godin verscheen en daarna de God. Soms blijft de God helemaal achterwege.
Hierna geeft Vivianne haar visie op wat het heidendom inhoudt en dat er geen centrale autoriteit is, geen bisschoppen en kerken, maar wel organisaties, zoals de Pagan Federation, die ook in Nederland actief is en workshops en open dagen organiseert. In deze organisaties wordt niet geprobeerd je over te halen hun zienswijze te delen. Je wordt verondersteld zelf je weg te vinden. Vivianne belicht de verschillende richtingen binnen het heidendom: de Keltische, Noordse en Germaanse tradities. Ook belicht ze de Finse tradities, zoals die in de Kalevala beschreven zijn en de Letse en Litouwse mythologie. Hierna schrijft ze over Wicca en de Godin en de God die hierin worden vereerd.
Via een deel over overgangsriten en de zin hiervan betrekt ze ook de Jungiaanse psychologie erbij, wat niet zo verwonderlijk is als je weet dat ze toen doctor (en inmiddels professor) in de Jungiaanse psychologie was. In haar laatste hoofdstuk belicht ze hoe je zelf het heidendom kunt vinden en beleven, welke vorm je ook kiest: alleen of in een groep. Het boek is interessant en boeiend geschreven en het is moedig van de uitgever om het boek opnieuw een kans te geven. In 1994 zal de verkoop tegengevallen zijn. De omslag en de titel van die uitgave nodigden ook niet uit tot kopen. Deze druk ziet er in ieder geval veel aantrekkelijk uit. (Joke)

Het verslag van mijn onderzoek

door Herodotos
782 blz. € 24,90
Sun, 2000 (3e druk)
ISBN 90-6168-583-4

Het hier besproken boek is een klassieker in meer dan één betekenis. Herodotos voltooide het boek rond 430 v.Chr. De Nederlandse vertaling dateert van 1995 en deze derde druk van 2000. Omdat het boek nog steeds te koop is en de uitgeverij zo vriendelijk was me alsnog een recensie-exemplaar te sturen, wil ik deze vertaling gaarne onder de aandacht van de bezoekers van onze site brengen. De afgelopen jaren heb ik gebruik gemaakt van de Engelse vertaling, Herodotus: The histories. Deze vertaling van Aubrey de Sélincourt dateert uit 1954 en doet soms wat gedateerd aan. Bovendien bestaat de inleiding uit welgeteld 4 pagina's en ontbreekt een alfabetisch register, zodat ik zo'n beetje het hele boek moest doorbladeren als ik iets wilde opzoeken. Welnu, de Nederlandse vertaling van Hein van Dolen geeft een grondige inleiding van 35 pagina's over de auteur, het boek en de achtergrond van het Grieks-Perzische conflict dat door Herodotos wordt beschreven. Meer dan 150 pagina's zijn ingeruimd voor landkaarten, stambomen en een zeer gedetailleerd register. Ik ben onder de indruk!
Zo'n stoffig boek, 2435 jaar oud, dat het conflict tussen de Grieken en Perzen beschrijft; het lijkt alleen interessant voor historici en archeologen, maar niets is minder waar. Herodotos is een rasverteller die zijn publiek van het begin tot het eind weet te boeien. In Athene bewoog hij zich in de hoogste kringen. Hij was een vriend van de staatsman Perikles en de toneelschrijver Sofokles. In deze kringen bereikte hij grote faam door het voorlezen van hoofdstukken uit zijn boek. Hij is geboren in Halikarnassos, het tegenwoordige Bodrum aan de Turkse zuidwestkust. Hij reisde door Klein-Azië (nu West-Turkije), Fenicië (nu Libanon), Griekenland, de gebieden rond de Zwarte Zee en Egypte. Zijn boek is grotendeels gebaseerd op gesprekken met alle personen die hij tijdens zijn reizen ontmoette. Ook maakte hij wel gebruik van, inmiddels verloren gegane reisverslagen van anderen. Zo wordt betwijfeld of hij in Babylon is geweest en waarschijnlijk heeft hij zich hier op anderen gebaseerd, maar meestal geeft hij zijn eigen indrukken weer en dat is wat het boek zo interessant maakt. De wereld die hij beschrijft is de heidense wereld van ver voor het Christendom, van voor de opkomst van het Romeinse Rijk, een eeuw voordat Alexander de Grote het conflict tussen de Grieken en Perzen beslechtte. De tempels en paleizen die Herodotos beschrijft zijn nu verdwenen of hooguit als ruïne te bezichtigen. Voor hem waren ze in volle glorie te zien. De Griekse, Babylonische en Egyptische Goden en Godinnen waren voor hem geen vergane glorie, maar onderdeel van heidense cultusgebruiken, die hij gedetailleerd beschrijft. Hein van Dolen heeft de tekst in prettig leesbaar Nederlands vertaald. Een absolute aanrader voor wie de oude heidense culturen in volle glorie wil ervaren. (Ko)

Handboek Geneeskrachtige Stenen

door Michael Gienger
416 blz. € 24,90
Altamira-Becht, 2005
ISBN 90-6963 663 8

Dit boek is in 1994 in het Duits verschenen onder de titel Die Steinheilkunde en is nu door Altamira-Becht in het Nederlands uitgebracht. De auteur is al op jonge leeftijd geboeid geraakt door stenen en begon met het verzamelen van kiezels tot hij "bij toeval" een granaat mee naar huis nam en toen met het boekje Mijn kleine mineralenwereld op zak zijn omgeving in de bergen begon te verkennen. Toen hij acht was, had hij al een flinke kennis over mineralen en werd een verwoed verzamelaar. Hij ging scheikunde studeren, maar werd daarin erg teleurgesteld en stopte met zijn studie. Er volgde een moeilijke periode in zijn leven en hij werd door ziekten achtervolgd, tot iemand hem zei dat hij zichzelf eens met een mineraal moest behandelen en hij ontdekte dat het werkte. Hij ging alles lezen over de helende werking van mineralen en edelstenen en studeerde aan de School for Natural Healing. Hij deed mee aan een onderzoeksgroep die de helende eigenschappen van stenen bestudeerde. Vanaf dat moment wijdde hij zijn leven aan de stenen en dit resulteerde in deze gids, die hier nu voor me ligt.
Gienger behandelt hierin het ontstaan van mineralen en gesteenten en hoe het komt dat stenen geneeskracht hebben. Hierna gaat hij in op de kristallen, hun structuur en de samenhang met levensstijlen van de mens. Ik vond dit een erg boeiend gedeelte en vond het interessant te zien dat je op deze manier een steen kunt vinden die voor jou op een bepaald moment geneeskracht heeft. Op je intuïtie vertrouwen om een steen uit te zoeken is hiernaast ook wel belangrijk. Gienger gaat ook in op de elementen en de verschillende mineralen die we nodig hebben om gezond te blijven. Hij legt uit wat minraalkleuren zijn en hoe je ermee kunt genezen. Ook gaat hij niet voorbij aan onze intuïtie en hij legt uit hoe je intuïtief een steen kunt uitzoeken die je nodig hebt. Hij geeft een leuke en praktische manier om stenen uit te zoeken en legt uit hoe het komt dat je de juiste steen pakt. Hierna legt hij uit hoe je kunt behandelen met stenen, waarna het alfabetische gedeelte volgt. Hierin worden per steen de mineralogie, mythologie, heling en toepassing behandeld. Bij elke steen staat op de rechterbladzijde een prachtige foto van de ruwe steen. Een interessant en goed uitgevoerd boek! (Joke)

Mysterienkulte der Antike

door Hans Kloft
128 blz. € 7,90
C.H.Beck, 2003 (2e, herziene druk)
ISBN 3-406-44606-X

Hans Kloft is professor Oude Geschiedenis aan de Universiteit van Bremen. Met Mysterienkulte der Antike heeft hij een glashelder en zeer lezenswaardig boek geschreven over het fascinerende verschijnsel van de Mysteriecultus, ook wel aangeduid als Mysteriereligie. Onder een cultus wordt gewoonlijk verstaan de verering van één bepaalde God of Godin, terwijl een religie breder wordt opgevat en de verering van alle Goden en Godinnen in een bepaalde cultuur omvat. Zo spreken we, bijvoorbeeld, van "de cultus van Afrodite op Cyprus" en van "de Griekse en Romeinse religie in de Oudheid." Daarbij kan ik aantekenen dat in het Oude Griekenland geen staatsreligie bestond en wat daaronder wordt verstaan in feite een grote verzameling van losstaande culten was. In het Romeinse Rijk bestond wel een door de staat geleide en gefinancierde religie, die overigens eveneens via talloze cultuscentra functioneerde. Dit even om de gedachten te bepalen.
De oudste mysteriereligies ontstonden tussen de 10e en 5e eeuw v.Chr. in Griekenland en pas in de 5e eeuw n.Chr. slaagde de Rooms-katholieke kerk erin de laatste cultusplaatsen te sluiten of te verwoesten. Kloft beschrijft de vijf belangrijkste mysteriereligies die in het grootste gedeelte van deze periode van 1500 jaar een rol hebben gespeeld. Dit zijn de religies ter ere van Demeter, Dionysos, Isis, Kybele en Mithras. Deze culten zijn zeer verschillend van aard en Kloft maakt deze verschillen duidelijk. Maar er zijn ook een aantal gemeenschappelijke elementen, die maken dat hier sprake is van een Mysteriereligie. Er is sprake van de verering van een bepaalde God of Godin, meestal in samenhang met de partner van deze Godheid. Deze verering wordt vormgegeven door rituelen, waarin teksten en handelingen gebruikt worden. Als onderdeel van de rituelen wordt meestal een mythe voorgelezen, of uitgebeeld in toneel, zang en dans, waarin de aard van de Godheid en het verband met de cultus duidelijk wordt. Toetreden tot de cultus is alleen mogelijk door inwijding. Een deel van de rituelen, bijvoorbeeld een plechtige of uitbundige processie door de stad, kan door iedereen worden bijgewoond, maar een ander deel van de rituelen vindt plaats in een afgeschermde ruimte. Alleen wie is ingewijd, of zal worden ingewijd, heeft hier toegang toe. De inwijding was het ultieme kenmerk dat een Mysteriecultus onderscheidde van alle andere vormen van religie. In de Helleense en Romeinse samenleving vonden religieuze activiteiten plaats op het plein voor de tempel en iedereen kon daar getuige van zijn. Sommige plechtigheden waren alleen voor mannen, of alleen voor vrouwen, of alleen voor bepaalde ambachtslieden, etc., maar het was voldoende tot de doelgroep te behoren om de rituelen bij te wonen. Alleen in een mysteriereligie kon men worden ingewijd. Van de ingewijden werd absolute geheimhouding geëist en daaraan hield iedereen zich ook strikt. In de Mysteriën in Eleusis, ter ere van Demeter, werden gedurende 1500 jaar jaarlijks tussen de 1000 en 3000 mensen ingewijd en geen van hen heeft ooit uit de doeken gedaan wat er tijdens de inwijding precies gebeurde. Tijdens de inwijding werd een eed afgelegd, waarin de geheimhouding beloofd werd. Kloft geeft als voorbeeld een eed uit de Isis-mysteriën, uit de 3e eeuw n.Chr. die bewaard is gebleven. In een Mysteriereligie werd dus strikt onderscheid gemaakt tussen het openbare gedeelte (buiten) en het gedeelte voor ingewijden (binnen). Het Griekse woord Mysterion is afgeleid van het werkwoord myein (sluiten). De ingewijden werden aangeduid als mystes.
Elke cultus werd geleid door priesters en/of priesteressen. Daarnaast waren er verschillende functionarissen, die tijdens rituelen en processies bepaalde taken op zich namen, bijvoorbeeld het dragen van een kist met de heilige cultusvoorwerpen. Als onderdeel van het ritueel werden deze heilige voorwerpen gewoonlijk aan de ingewijden getoond, om ze zo deel te laten hebben aan het goddelijke. Dit werd epopteia (aanschouwen) genoemd. Er waren ook ingewijden die geen specifieke taken hadden en alleen de rituelen bijwoonden.
Door buitenstaanders in de Oudheid, en door de eerste Christenen, werden de rituelen van de Mysteriereligies vaak bespottelijk gemaakt of gebagatelliseerd. Zo werd van de Mysteriën in Eleusis neerbuigend gezegd dat massa's mensen van heinde en ver kwamen om als hoogtepunt van de inwijding en het ritueel een korenaar te mogen aanschouwen. Misschien was dat ook wel zo, maar waar het om ging was dat de inwijding een persoonlijk contact tussen de ingewijde en de Godin tot stand bracht en het aanschouwen van de korenaar was dan een tastbaar symbool voor de alomtegenwoordige aanwezigheid van de Godin. Het ritueel bracht de aanwezigen in een verhoogde staat van bewustzijn, die orgia (extase) werd genoemd. Deze persoonlijke band tussen de mens en het goddelijke speelde in de officiële culten van de Oudheid een zeer ondergeschikte rol. Het ritueel in een officiële cultus had vaak het karakter van een contract tussen de Godheid en de stad of staat. Als de mensen hun verplichtingen nakwamen, zouden de Goden dat ook doen. Daar ging men vanuit. Er was binnen de Grieks-Helleense en Romeinse religie altijd wel de mogelijkheid je met een verzoek tot een God of Godin te richten en een dankoffer achter te laten, of een votiefaltaar op te richten, als je verzoek was ingewilligd. Maar dit was nooit onderdeel van de officiële cultus. Tijdens de officiële rituelen kon de massa alleen maar toekijken en zich er verder buiten houden. De Mysteriereligies voorzagen in een groeiende behoefte om ook actief deel te nemen aan de rituelen en een band met de Godheid tot stand te brengen.
Vanaf het begin van de 20e eeuw hebben wetenschappers de Mysterieculten vaak geïnterpreteerd als een aanloop tot het christendom. Ik heb me doodgeërgerd aan het boek The Mystery-Religions van S. Angus uit 1925, waarin Angus betoogt dat deze religies strict monotheïstisch waren en iedereen die zich wilde laten inwijden verlossing uit dit aardse en zondige tranendal en hoop op het hiernamaals boden. Volgens Angus was dit valse hoop en kon alleen het christendom deze belofte ook daadwerkelijk inlossen. Andere auteurs over dit onderwerp hebben de Mysteriereligies evenzeer afgedaan als een ruwe aanzet tot het christendom, of juist geprobeerd de Mysteriereligies in te passen in de heidense tradities en zodoende het eigen karakter van de Mysterie-tradities weggemoffeld. Het strekt Hans Kloft tot eer dat hij de drie tradities - heidendom, Mysateriereligies en Christendom - in hun waarde laat en objectief beschrijft hoe ze elkaar hebben beïnvloed. Binnen de Mysteriereligies in het Romeinse Keizerrijk bestond inderdaad de tendens andere Goden of Godinnen te zien als verschijningsvormen van de cultusgodheid. Kloft geeft hiervan een haarscherpe analyse, waarbij hij de oorsprong van elke Mysteriereligie ziet in de verering, zo tussen 1000 en 500 v.Chr. van een plaatselijke Vegetatiegod en -Godin. De God wordt daarbij vereenzelvigd met de vegetatie die elk jaar afsterft en het volgend jaar in de nieuwe vegetatie wordt herboren. In de Mysteriën van Isis was dit de Vegetatiegod Osiris, die door zijn broer Seth in stukken werd gesneden. Op magische wijze weet Isis de stukken weer bij elkaar te voegen en zijn zaad op tewekken, waaruit de God Horus wordt geboren. Ook Dionysos werd volgens de mythen in stukken gescheurd en werd daarna opnieuw geboren. Op sommige plaatsen nam de magiër-dichter Orpheus zijn plaats in. Ook Orpheus werd in stukken gescheurd door razende Menaden, de vrouwelijke volgelingen van Dionysos. In de Mysteriën van Kybele was het Attis die deze rol vervulde. In het Romeinse Rijk werd tijdens het Voorjaarsfeest de dood en wedergeboorte van Attis uitgebeeld. In de cultus van Mithras beeldde de door Mithras gedode stier de dood en wedergeboorte van de God uit. Binnen de Mysteriereligies, stelt Kluft, was de inwijding een rituele dood en wedergeboorte, waardoor de ingewijde met de God vereenzelvigd werd.
De dood en wedergeboorte van de Vegetatiegod maakt onderdeel uit van de oudste vormen van religie. De verering van Isis en Osiris kan in Egypte tot 3000 v.Chr. herleid worden. Kybele is voortgekomen uit de Anatolische Grote Godin die in de Nieuwe Steentijd al werd vereerd. Mithras is voortgekomen uit de Persische God Mitra die vanaf de 7e eeuw v.Chr. is vereerd. In het Romeinse Rijk werd Mithras gelijkgesteld aan de Zon, die elk jaar sterft en tijdens het Midwintersolstitium herboren wordt. De cultus van de aanvankelijk plaatselijk vereerde Vegetatiegod en -godin verspreidde zich over grotere gebieden toen in de Helleense en Romeinse tijd steeds grotere gebieden onder een gemeeschappijk bestuur werden geplaatst. Dit leidde tot een veelheid van Goden en Godinnen, die vaak min of meer dezelfde betekenis hadden. In de loop der eeuwen kregen de meeste Goden en Goninnen een beperkter gebied toegewezen. Zo werd Afrodite verbonden met vruchtbaarheid en Hekate met ouderdom, dood en de onderwereld. In het Romeinse Keizerrijk ontstond een tendens de verschillende Goden en Godinnen te zien als verschijningsvormen van één God en één Godin. In de Mysteriereligies ontstond, in overeenstemming hiermee, de neiging de in de cultus vereerde God en Godin breder op te vatten en andere Goden en Godinnen te zien als verschijningsvormen van deze God en deze Godin.
Het Christendom had aanvankelijk alle kenmerken van een Mysteriereligie. Het Christendom bood, net als de Mysteriereligies, de mogelijkheid een persoonlijke band met het goddelijke tot stand te brengen. De dood en opstanding van Jezus viel geheel binnen de traditie van de Vegetatiegod in de andere Mysteriereligies. De doop, die ook werd gezien als een wedergeboorte, nam de plaats van de traditionele inwijding in. Tot de 5e eeuw werd van Christenen ook strikte geheimhouding verwacht. Binnen het Gnostische Christendom werden andere Goden en Godinnen nog steeds als een realiteit gezien. Pas in de 5e eeuw werd de Gnostische stroming uitgeroeid en overwon de Rooms-katholieke visie dat er maar één God was. Het sterven en de opstanding van die God werd gezien als een eenmalige gebeurtenis, niet als een cyclische opeenvolging van groei, bloei, afsterven en opnieuw groei. De mens werd beschreven als een met zonden beladen wezen in een verdervelijke wereld, die daar pas door de dood aan kon ontsnappen. In de Mysteriereligies had het begrip zonde nooit een rol gespeeld. Als onderdeel van het ritueel in verschillende Mysteriereligies namen alle aanwezigen deel aan een gemeenschappelijk maaltijd. Hiermee had men deel aan de eenwording van de God en de Godin en at de vruchten die hieruit waren voortgekomen. Binnen het Christendom werd de gemeenschappelijke maaltijd tot de Eucharistieviering, waarin de gelovigen God dankten voor de goede gaven en opnieuw met God werden verzoend. Door verschillende redenen, die door Kloft worden aangestipt, wist het Christendom boven de andere Mysteriereligies uit te groeien en haar concurrenten langzaam maar zeker dood te drukken.
Hoewel Kloft dat niet noemt, is duidelijk dat de Wicca veel overeenkomsten vertoont met de traditionele Mysteriereligies. Wicca is een religie waarin het goddelijke wordt gezien in de vegetatie die elk jaar weer afsterft en opnieuw ontspruit. De inwijding binnen de Wicca is een wedergeboorte, waarin je een andere naam aanneemt. Door het afleggen van een eed verbind je je onherroepelijk aan deze religie. De geheimhouding die in de eed wordt geëist, lijkt weinig zinvol nu vrijwel alle traditionele teksten en rituelen zijn gepubliceerd. Toch is de eed een verbintenis, waarmee je aangeeft te willen worden opgenomen in de gemeenschap. En dat is precies de kern van een mysteriereligie. Daarmee is Wicca de enige Mysteriereligie die in de afgelopen 2000 jaar is ontstaan.
Als je de Duitse taal machtig bent, kan ik je dit boek van harte aanbevelen. Het is te bestellen in de boekhandel, of rechtstreeks bij de uitgever, via www.beck.de of via www.bol.de. (Ko)

De Gnostische Evangeliën

door Elaine Pagels
224 blz. € 19,50
Servire-Kosmos, 2004
ISBN 90-215-8251-1

Elaine Pagels, hoogleraar theologie aan de Columbia University in New York, promoveerde in 1970 aan de Harvard University met een proefschrift over de controverse tussen het gnostische en orthodoxe christendom. De in 1945 gevonden Nag Hammadi-geschriften (zie mijn recensie elders op deze pagina) boeiden haar zeer omdat er veel onbekende gnostische geschriften tussen zaten, die meer licht konden werpen op dit onderwerp. Een complete fascimile uitgave van deze geschriften is tussen 1972 en 1977 verschenen, terwijl de eerste Engelse vertaling in 1977 het licht zag. In 1975 bracht Pagels geruime tijd door in Caïro om de originele Koptische manuscripten te bestuderen. Vier jaar later publiceerde ze The Gnostic Gospels, dat in 1980 in het Nederlands verscheen. Door de eeuwen heen hadden de Rooms-Katholieke kerkleiders altijd volgehouden dat zij de zuivere leer van het oorspronkelijke Christendom vertegenwoordigden, terwijl de gnostici daarvan afgeweken waren en daarom als ketters waren gebrandmerkt en uitgeroeid. In haar boek toonde Pagels aan dat er in de eerste eeuwen van onze jaartelling een even sterke orthodoxe als Gnostische stroming in het Christendom had bestaan en "dat het christendom zich in geheel andere richtingen had kunnen ontwikkelen, of dat het christendom, zoals wij dat kennen, geheel had kunnen verdwijnen." (p 186) Het boek sloeg in als een bom, ook in Nederland, waar het in '82, '85 en '92 werd herdrukt. Anno 2005 acht uitgeverij Servire de tijd rijp voor een vijfde druk en geeft daar op de achterflap de volgende toelichting op: "Door het ongehoorde wereldsucces van De Da Vinci Code is de belangstelling voor wat zich heeft afgespeeld in de tijd van het vroege christendom enorm gegroeid. Dan Brown heeft bij de research voor zijn bestseller gebruik gemaakt van verschillende bronnen, waaronder De Gnostische Evangeliën. Alsof dit commercieel meeliften op de hype van een geheel gefantaseerd boek - een roman, toch? - nog niet erg genoeg is, is de cover nog voorzien van een opvallende cirkel waarin we lezen: "De waarheid achter De Da Vinci Code". Alsof dit een van de vele boeken is die de misvattingen van Dan Brown aan de kaak stelt. Fans van Dan Brown zullen hier weinig van hun gading vinden, maar wie echt geïnteresseerd is in de fascinerende wereld van de gnostiek, kan ik dit boek van harte aanbevelen.
In de Inleiding licht Pagels toe wat de verschillen zijn tussen het orthodoxe (=Rooms-Katholieke) en het gnostische geloof. Katholieken zien God als "de totaal andere", d.w.z. er is een onoverbrugbare kloof tussen de mensheid en haar schepper. Gnostici, daarentegen, gaan ervan uit dat alles goddelijk is, ook de wereld en ook de mens. Wie zichzelf kent, kent God. Een tweede verschil is dat Jezus in het katholicisme benadrukt dat de mens zondig is en alleen door Hem verlost kan worden. In de gnostische geschriften spreekt Jezus "over illusie en verlichting", d.w.z. wie leert de waarheid achter de illusie te zien, wordt verlicht en heeft niemand meer nodig, ook Jezus niet. Ter derde blijft Jezus in het katholicisme altijd fundamenteel anders dan de rest van de wereld, want hij is de Zoon van God, in wezen God zelf, en daarom fundamenteel anders dan de mensheid. Gnostici gaan ervan uit dat ieder mens het goddelijke in zich heeft en daarom gelijk kan worden aan Jezus.
In het eerste hoofdstuk, De controverse over de opstanding van Christus: historische gebeurtenis of symbool? licht Pagels toe waarom de orthodoxe christenen erop stonden de opstanding letterlijk op te vatten als een fysieke wedergeboorte en de gnosticische opvatting, dat Jezus na de kruisiging slechts in visioenen aan zijn volgelingen was verschenen, fel bestreden. De orthodoxe christenen gingen ervan uit dat Jezus daadwerkelijk was opgestaan, veertig dagen als mens had geleefd en daarna naar de Hemel was vertrokken om pas bij het Laatste Oordeel weer naar de aarde terug te keren. In die veertig dagen had hij namelijk Petrus verteld dat die zijn plaatsvervanger op aarde moest zijn. Petrus was daarmee de eerste bisschop en alle na hem gewijde bisschoppen konden zodoende hun absolute autoriteit uiteindelijk baseren op de woorden van Jezus. De gnostici, daarentegen, gingen ervan uit dat de apostelen Jezus in een visoen hadden gezien en er waren er onder hen die eveneens in een visioen Jezus zagen. En die vertelden hele andere dingen dan er in de kraam van bisschoppen te pas kwam. Die vertelden dat ze de waarheid en het goddelijke in zichzelf hadden en dat ze Jezus helemaal niet meer nodig hadden om verlicht te worden. Vele in Nag Hammadi gevonden geschriften getuigen van deze fascinerende visioenen.
Hoofdstuk 2, Eén God, één bisschop: de politiek van het monotheïsme werkt dit thema verder uit. De gnostici gingen uit van het goddelijke in heel de kosmos. Ieder mens heeft het goddelijke in zich en is in wezen een God zelf. De bisschoppen, daarentegen, stonden erop een stricte hiërarchie in stand te houden, waarbij de bisschoppen onder de paus vallen, de priesters onder de bisschoppen, en het gewone volk zich had te voegen naar de wil van de priesters. De leer van de kerk, laat Pagels zien, is niet gebaseerd op het streven het geloof zuiver te houden, maar op het vergaren en behouden van zoveel mogelijk macht.
Het derde hoofdstuk, God de Vader - God de Moeder gaat in op de onderdrukking van het vrouwelijk aspect in het orthodoxe christendom. Waar gnostici God zagen als tweeslachtig, benadrukte de orthodoxe tak dat God geslachtsloos was, maar toch wel veel mannelijke trekjes vertoonde. De rol van Maria Magdalena als belangrijkste apostel komt in de gnostische geschriften duidelijk naar voren, maar is in de geschriften die in het Nieuwe Testament mochten worden opgenomen weggefilterd. Weliswaar staat in twee van de vier canonnieke evangeliën dat Maria Magdalena de eerste was die Jezus na de opstanding zag, maar binnen de kerk is dit altijd gewoon genegeerd. Bij de wijding van een bisschop werd en wordt nog steeds gezegd dat Petrus de eerste was die de opgestane Heer zag, die de leiding aan hem overdroeg.
Op dit punt, halverwege het boek, is Elaine Pagels haar ei wel kwijt en heeft hier eigenlijk weinig meer aan toe te voegen. Ze valt in herhalingen of legt uit wat de lezer (ik in ieder geval wel) al gesnapt had. Orthodoxe christenen, legt ze in hoofdstuk 4 uit, vonden het een eer als martelaar te sterven, omdat ze daarmee in Jezus' voetsporen traden. Gnostici gingen ervan uit dat de mens Jezus weliswaar gestorven was, maar dat de spirituele leidsman nog altijd aanwezig was, al was het alleen maar in jezelf. Die waren er dus niet zo happig op de marteldood te sterven. Daarmee is dat hoofdstuk wel verteld. De details over processen en vervolgingen die Pagels geeft, heb je niet nodig om de bootschap op te pikken. Hoofdstuk 5 beschrijft het touwtrekken tussen orthodoxen en gnostici wie nou "De ware kerk" vertegenwoordigde. Maar dat had ze al uitgelegd. Hoofdstuk 6, Gnosis: zelfkennis als kennis van God had ze ook al uitputtend toegelicht.
Koop het boek, al is het alleen maar om de eerste drie hoofdstukken, want er staan belangrijke dingen in - voor christenen en voor moderne heidenen. (Ko)

De Nag Hammadi Geschriften

Een integrale vertaling van alle teksten uit de
Nag Hammadi Codices en de Berlijnse Codex

Vertaald door Jacob Slavenburg & Willem Glaudemans
1200 blz. € 59,50
Ankh-Hermes, 2004 (herziene 2e druk)
ISBN 90 202 1964 2

Eind 1945 groef een boer bij Nag Hammadi in Egypte op zijn land een grote kruik op met daarin een aantal in leer gebonden boeken, gemaakt van in het Koptisch beschreven papyrusbladen. Een geestelijke leider die hij de boeken liet zien, zei dat ze waardeloos waren. De boer nam ze weer mee naar huis en zei hier later over:"Sommige zijn verbrand en ik heb geprobeerd er een paar van te verkopen." In 1952 wist professor Gilles Quispel, die had gehoord dat er in Egypte oude geschriften waren gevonden, dankzij de hulp van Carl Jung, een van deze boeken in Egypte te kopen. De andere boekdelen van de vondst van Nag Hammadi werden door verschillende handelaren opgekocht In de loop der jaren wisten onderzoekers de zoekgeraakte delen weer op te sporen. In totaal werden er dertien Codices in 12 leren banden teruggevonden. Hoeveel boeken er verbrand of verdwenen zijn, is niet duidelijk. Het zou tot 1977 duren voordat al deze geschriften in het Engels vertaald werden uitgegeven. De tractaten waren in de 1e en 2e eeuw in het Grieks geschreven en in de 3e of 4e eeuw vertaald in het Koptisch - de taal van de Egyptische christenen. De geschriften zijn ontstaan in dezelfde tijd als de boeken van het Nieuwe Testament - vaak zelfs eerder - maar geven een heel ander beeld van het jonge Christendom dan uit de Bijbel naar voren komt. In de 4e eeuw begonnen de kerkleiders zich te beraden over welke boeken nou wel en welke niet tot het Nieuwe Testament gerekend moesten worden. De boeken die deze toets niet konden weerstaan werden verboden en als ze werden aangetroffen werden ze verbrand. Naar wordt aangenomen zijn de Nag Hammadi-geschriften afkomstig uit het nabijgelegen klooster en zijn ze rond 350 door kloosterlingen in een kruik gestopt en begraven, om te voorkomen dat ze verbrand zouden worden. En dat is gelukt - op een paar na dus. In 1994 en 1995 bracht Ankh-Hermes in twee delen de Nag Hammadi-geschriften uit, vertaald en van uitgebreide commentaren voorzien door Jacob Slavenburg en Willem Glaudemans. In tien jaar werden er 25.000 exemplaren verkocht. Voor Ankh-Hermes aanleiding om eind 2004 beide delen op dundrukpapier in één band opnieuw uit te brengen, geheel naar nieuwe inzichten herzien door de vertalers.
De kruik van Nag Hammadi bevatte een fascinerende verzameling geschriften, waarvan er slechts enkele al bekend waren. Van sommige tractaten waren alleen fragmenten op andere plaatsen gevonden. Van andere geschriften was alleen uit verwijzingen bekend dat ze ooit geschreven waren. Veel geschriften uit de kruik waren tijdens de zuivering in de 4e eeuw kennelijk zo grondig verwijderd dat zelfs hun bestaan niet meer bekend was. Behalve de vier evangeliën uit de Bijbel waren er nog meer op schrift gesteld. De Nag Hammadi-geschriften bevatten er vier, maar die pasten niet in de behoudende visie van de kerkvaders. Alleen de Openbaring van Johannes kon de toets doorstaan, maar de kruik van Nag Hammadi toonde aan dat er nog vele andere openbaringen opgeschreven waren. Scheppingsverhalen, geheime boeken en inwijdingsteksten deden in besloten kring de ronde in de eerste eeuwen van onze jaartelling - maar werden niet in de Bijbel opgenomen.
Wat de Nag Hammadi-geschriften zo fascinerend maakt, is dat ze een geheel ander licht werpen op het ontstaan van het Christendom. Het was al langer bekend dat er gnostische geschriften bestaan hadden, maar door de kerkvaders werden ze afgedaan als een ketterij die in de 4e eeuw gelukkig de kop was ingedrukt. De Nag Hammadi-vondst toont aan dat de gnostische visie op het christendom een authentieke stroming is geweest, die zich kort na de dood van Christus in Palestina heeft ontwikkeld en daarna in Egypte de eerste christengemeenschappen heeft gevormd voordat hij door de behoudende kerkleiders buitenspel werd gezet en uitgeroeid. Gnostiek is ouder dan het christendom, maar heeft in de 1e en 2e eeuw een ongekende bloei gekend, gepaard gaande met een wervelende vitaliteit die nog steeds uit de oude geschriften spreekt. Volgens de gnostische zienswijze is de God uit de bijbel niet de schepper van het heelal, maar slechts een onbelangrijke schakel in een veel groter geheel. Gnostiek is te ingewikkeld om in een paar woorden samen te vatten, maar ik zal een voorzichtige poging wagen. Er is een universeel wezen waar alles uit voortgekomen is, maar dat wezen staat zo ver van de mens af dat we eigenlijk alleen kunnen zeggen wat het niet is, omdat het elk voorstellingsvermogen te boven gaat. Verschillende geschriften in deze bundel geven aan hoe uit dat onkenbare wezen andere wezens voortkomen die weer andere wezens voortbrengen. Steeds geven ze iets van het oneindige licht van het onkenbare wezen aan hun schepselen door, maar steeds gaan er meer dingen fout en hoe dichter we bij de ons bekende wereld komen, hoe moeilijker het wordt om deze fouten - onvolkomenheden of ondeugden - te herstellen.
In het Bijbelse scheppingsverhaal vond ik het altijd onbegrijpelijk en onverteerbaar dat een volmaakte en almachtige God zo stom zou zijn om een slechtige en zondige wereld te scheppen. In de Gnostische scheppingsverhalen wordt aanschouwelijk gemaakt hoezeer geest en materie elkaar nodig hebben om werkelijk te bestaan. Weliswaar worden de gelovigen herhaaldelijk opgeroepen zich aan de banden van de materie te ontworstelen om het goddelijke licht dat elk mens in zich heeft te laten schijnen, maar toch zijn licht en duister geen dualiteit. Het doel van de kosmos is niet dat het licht het duister vernietigt. Het Evangelie volgens Filippus vertelt ons: "Licht en duisternis/leven en dood/ de rechtsen en de linksen/ zijn broers van elkaar./ Ze kunnen niet van elkaar worden losgemaakt." Het goddelijke is misschien volmaakt, maar het is tegelijk leeg en statisch. Om deel te hebben aan het leven, moet het goddelijke zich verbinden met de materie. Maar de materie is tegelijk een barrièrre, een kerker, die de geest opsluit. Om deel te hebben aan het leven moet de mens zich daarom verbinden met de geest en het goddelijke nastreven. Dit krachtveld tussen geest en materie is wat de kosmos heeft geschapen en doet voortbestaan. De schepping heeft niet ver in het verleden plaatsgevonden. De schepping vindt hier en nu plaats, in jezelf, als je er open voor staat.
Dit dynamische wereldbeeld, dat uit de gnostische geschriften naar voren komt, vertoont veel overeenkomst met het heidendom dat algemeen bestond voordat de grote godsdiensten het verdreven. De gnostische scheppingsverhalen zijn niet wezenlijk anders dan heidense scheppingsverhalen. In elke scheppingsmythe is er een Oerwezen dat uit zichzelf wezens voortbrengt die weer andere wezens voortbrengen, die uiteindelijk de wereld scheppen. De polariteit man-vrouw speelt daarin een grote rol: uit de eenwording van Goden en Godinnen komt nieuw leven voort. In de Bijbel is het vrouwelijke element verdrongen en schept Jehova op zijn eentje de hele wereld. In de gnostische geschriften speelt het vrouwelijke aspect een wezenlijke rol. Uit het volmaakte en onkenbare goddelijke wezen komen de Vader en de Moeder voort, die samen de Zoon voortbrengen. De Moeder wordt soms Barbelo genoemd, soms Epinoia. De Zoon heeft het goddelijke Christuslicht in zich, maar hij is niet Jezus. Jezus is een mens van vlees en bloed, die het Christuslicht ontvangt en doorgeeft. Uit de Vader, de Moeder en de Zoon komen talloze wezens voort, die je kunt beschouwen als Machten, Krachten, of Goden en Godinnen. Een van deze Godinnen, Sophia (Wijsheid), steelt het goddelijke licht van de Vader en schept hiermee op eigen houtje een wezen dat Jaldabaoth wordt genoemd en ook met andere namen wordt aangeduid. Jaldabaoth schept op eigen houtje verder, maar hij is blind voor het goddelijk licht waarmee Sophia hem heeft geschapen en daarom denkt hij dat hij de enige God is, die de hele wereld heeft geschapen.
Het vrouwelijke speelt ook op andere manieren een grote rol in de Nag Hammadi-geschriften. In de Bijbel is Eva slechts voortgekomen uit Adam en verleidt ze hem tot de zonde. In de Gnostische geschriften is Eva een goddelijk wezen, dat in veel opzichten een verschijningsvorm van de Moeder is, net als Adam de Vader vertegenwoordigt. De fysieke Eva is niet meer dan een flauwe afspiegeling van de goddelijke Eva, net als de fysieke Jezus een flauwe afspiegeling van de goddelijke Zoon is. Een ander voorbeeld van de grote plaats van het vrouwelijke in de Nag Hammadi-geschriften is Maria Magdalena. In de bijbel wordt ze afgespiegeld als een vrouw die door Jezus van zeven demonen wordt verlost, waarna ze een trouwe volgeling wordt. Paus Gregorius de Grote (540-604) stelde haar gelijk aan de voormalige prostituee die Jezus' voeten zalfde en zette haar daarmee neer als een minderwaardig wezen, dat van Jezus genade ontving voor haar zonden. In de Nag Hammadi-geschriften, daarentegen, is Maria Magdalena een volwaardige leerling, die door Jezus hoger wordt aangeslagen dan alle andere discipelen bij elkaar. Als ze Jezus vragen waarom hij meer van Maria houdt dan van hen, zegt hij dat Maria kan zien en dat zij blind zijn.
Ik hoop dat deze voorbeelden volstaan om een beeld te scheppen van de fascinerende en wervelende wereld waarmee de Nag Hammadi-geschriften ons laten kennismaken. Slavenburg en Glaudemans hebben deze geschriften op een wetenschappelijk verantwoorde en toch zeer leesbare manier vorm gegeven. De uitgebreide en glasheldere inleidingen bij elk van de geschriften maken de soms cryptische tekst duidelijk en plaatsen hem in een grote context. De vele voetnoten geven informatie over moeilijke begrippen of onduidelijkheden in de tekst. Het uitgebreide register van Henk Spierenburg zorgt voor een uitstekende functie als naslagwerk. Er is nog veel meer over deze geschriften te zeggen, over de Hermetische, Valentiaanse en Sethiaanse teksten in het boek, maar Slavenburg en Glaudemans vertellen je dat wel als je het boek hebt aangeschaft. (Ko)

Gnosis

De derde component van de Europese cultuur traditie

redactie Gilles Quispel
276 blz., € 28,50
Rozekruis Pers, 2005 (2e druk)
ISBN 90 6732 290 3

In oktober 1986 vond in Amsterdam een driedaags congres plaats waarin achttien sprekers, onder voorzitterschap van professor Gilles Quispel, op hun eigen wijze een aspect van de verschillende Gnostische tradities belichtten. De toehoorders waren zo enthousiast dat in 1988 de Rozekruizers Pers de teksten van de lezingen als boek uitgaf. In april 2005 is hiervan een herdruk verschenen, een kans om alsnog kennis te nemen van deze fascinerende lezingen. In mijn recensie (zie hierboven) van de Nag Hammadi Geschriften heb ik een poging gedaan het begrip Gnosis uit te leggen. In de verschillende lezingen wordt de Gnosis als derde stroming afgezet tegen de Griekse filosofie en het Joods-Christelijke geloof. In zijn inleiding stelt Quispel dat Gnosis altijd uitgaat van een innerlijke ervaring en zich uitdrukt in beelden. In mijn recensie van de Nag Hammadi Geschriften heb ik opgemerkt dat de beeldentaal van de Gnostische geschriften soms niet of nauwelijks van heidense mythen te onderscheiden is. Uit het onkenbare, onnoembare en ondenkbare goddelijke oerwezen komen andere wezens voort die als archonten, engelen en demonen worden benoemd, maar in een heidense context niet zouden misstaan als Goden en Godinnen.
Jarl Fossum legt in zijn lezing uit hoe de Godin Helena in de eerste eeuwen n.Chr. werd beschreven als de "Eerste Gedaante" die was voortgekomen uit God. Door de magiër Simon werd Helena overgehaald de engelen te scheppen. De engelen wilden haar bij zich houden en hielden haar in de materie gevangen, zodat ze niet terug kon keren naar het goddelijke dat haar had geschapen. In het Nieuwe Testament (Handelingen 8) wordt Simon genoemd als een groot magiër die in Samaria velen versteld had doen staan, maar tenslotte door Filippus gedoopt werd. In de verhalen die rond Simon ontstonden, werd hij begeleid door een vrouw die soms Helena en soms Sophia werd genoemd. In Gnostische geschriften werd Sophia soms voorgesteld als de dochter van God, maar ook wel als zijn geliefde. Fossum ziet Helena en Sophia als beiden voortgekomen uit de Godinnen Isis, Astarte en Afrodite.
Wat door diverse sprekers wordt benadrukt is hoe de Gnostici worstelden met het begrip materie, waartegen het goddelijke als geest werd afgezet. Mani heeft als geen ander een stempel gedrukt op de afkeer van alles dat naar materie, lichaam en begeerte zweemt. Hij werd in 216 geboren in de buurt van Baghdad en groeide op in een Babylonische Christelijke sekte in een door de Perzen overheerste wereld. Rond 240 ontwikkelde hij op grond van mystieke visioenen een eigen religie, waarin hij zichzelf als profeet in zekere zin boven Christus verheven achtte. In deze religie stond het kwaad als een eeuwige duistere macht tegenover God en het licht. Doel van deze religie was de krachten van licht en duisternis van elkaar te scheiden en dat kon alleen worden bereikt door zich los te maken van de materie en van alle begeerten. Deze strijd tussen licht en duisternis was in zekere zin gebaseerd op de leer van Zoroaster (Zarathoestra), die in de 7e eeuw v.Chr. met name in Perzië wortel had geschoten, waarin de strijd tussen Ahura Mazda, de Heer van het Licht, en Ahriman, de Heer van het Duister, als kosmisch en religieus principe was ontwikkeld. Mani vermengde deze leer met elementen ontleend aan het Christendom, het Boeddhisme en de Gnostiek. Door de Perzen werd hij als een oproerkraaier en een ketter beschouwd en ze brachten hem in 276 ter dood, maar anderen namen zijn ideeën over en stichtten een wereldreligie die zich tot in China toe verspreidde. Kerkvader Augustinus bracht tien jaar onder de Manicheërs door en verwierp toen deze religie omdat het inherente dualisme de eenheid van God ontkende. Door de kerk werd Manicheïsme als ketterij veroordeelden bestreden. Toch nam Augustinus de Manichese afkeer van materie en begeerten over en gaf die een plaats binnen het Christendom. Seksualiteit werd door Mani en Augustinus gezien als een kwaad dat overwonnen diende te worden.
Het Manicheïsme heeft in de Middeleeuwen binnen verschillende groeperingen wortel geschoten. De meest extreme gelovigen in dit opzicht waren de Katharen, die Gnostische scheppingsmythen koppelden aan een fanatieke strijd tegen de materie. Alleen Katharen die deze strijd hun hele leven lang gestreden hadden, zouden in het paradijs worden toegelaten. Ze beschouwden zichzelf als "Perfecti" (Volmaakten). Veel Katharen gingen ervan uit dat een mens negen kansen kreeg om als Volmaakte te sterven. Achtmaal kon je sterven en in een nieuw lichaam herboren worden. Als je de negende incarnatie nog geen Volmaakte werd, was je reddeloos verloren. Volmaakten, daar gingen de meeste Katharen vanuit, waren alleen mannen. Een vrouw kon nooit het paradijs binnentreden en alleen hopen dat ze de volgende keer als man herboren werd.
Niet alle Gnostici zagen de materie als een kwaad dat bestreden diende te worden. Roel van de Broek belicht in zijn lezing dat veel Gnostici het goddelijke zagen als androgyn, een wezen dat zowel mannelijk als vrouwelijk was. Uit dit Oerwezen vloeiden andere androgyne wezens voort. Sophia was de vrouwelijke kant van een van deze wezens, een bevruchtende God de mannelijke kant. Goden en mensen vloeien in deze mythen in elkaar over en vormen een altijd voortdurende schepping. Valentinus, omstreekt het jaar 100 in Egypte geboren, zag materie en seksualiteit als waardevolle elementen in de kosmos. Hij werkte van 135-165 in Rome en werd in 140 bijna tot paus gekozen, maar de kerk koos de conservatieve Pius en Valentinus werd de kerk uitgewerkt. Van de Broek vat de ideeën van Valentinus als volgt samen: "Voortbouwend op het werk van vroegere gnositici heeft Valentinus het gnostische godsbegrip op zijn zuiverste formule gebracht: God is niet een statisch zijn, maar een androgyne, vruchtbare oerkracht, die niet andere kan dan zich vermenigvuldigen, een eeuwig overstromende bron, een Zijn-in-beweging." Boudewijn Koole belicht in zijn bijdrage hoe ideeën over de androgyne mens en de androgyne godheid terug te vinden zijn bij de mysticus Jacob Boehme (1575).
Andere bijdragen belichten de gnostische elementen in de filosofie van Hegel, de theosofie van Blavatsky, de anthroposofie van Rudolf Steiner en nog andere onderwerpen. Ik zal ze niet allemaal bespreken. Wat me in deze bundel heeft getroffen is hoe de Gnostiek een opvolger van het heidendom uit te Oudheid had kunnen worden als niet de gewelddadige onderdrukking van de materie, ten koste van het vrouwelijke element in deze religie, de boventoon was gaan voeren. Wellicht ligt hier voor Moderne Heidenen een kans om terug te grijpen op de "vruchtbare oerkracht", zodat de "eeuwig overstromende bron" weer zal vloeien.
Het enige dat ik miste in dit boek was een beknopte inleiding over elk van de boeiende sprekers, over wie helemaal niets wordt gezegd. Een register van trefwoorden was ook wel handig geweest. Evengoed een absolute aanrader. (Ko)

De Hermetische Gnosis

In de loop der Eeuwen

redactie Gilles Quispel
672 blz., € 37,50
Rozekruis Pers, 2003 (4e druk)
ISBN 90-6732-284-9

In 1990 vond in Amsterdam, onder voorzitterschap van prof. dr. Gilles Quispel, een congres plaats waar een groot aantal wetenschappers een uiteenzetting gaf van de Hermetische Gnosis, zoals die door de eeuwen heen een rol had gespeeld in de westerse cultuur. De 18 auteurs die een bijdrage hebben geleverd aan dit boek, waren meest de sprekers op dit congres. De 1e druk is in 1992 verschenen, de 4e druk in 2003. Het boek vormt een uitstekende aanvulling op Gnosis - de derde component van de Europese cultuur traditie (zie mijn recensie hierboven), maar kan uiteraard ook los daarvan gelezen worden. In bovenstaande recensie heb ik uitgelegd wat Gnosis is. Hermetische geschriften zijn voortgekomen uit de traditie rond Hermes Trismegistos. In mijn recensie van De Hermetische Schakel van Jacob Slavenburg, elders op deze pagina, heb ik uitgelegd wat de Hermetische traditie is. Veel van de geschriften uit deze traditie gaan uit van een Gnostische levensvisie en geven ook Gnostische scheppingsverhalen. Ze zijn Hermetisch omdat Hermes er een rol in speelt. Slavenburg richt zich vooral op de geschriften uit het Corpus Hermeticum, dat in de Helleense periode in Egypte ontstond en hun invloed op de westerse cultuur door de eeuwen heen. De artikelen in De Hermetische Gnosis richten zich niet zozeer op het Corpus Hermeticum als wel op alle geschriften vanaf de Oudheid tot de moderne tijd die elementen van de Hermetische traditie in zich opgenomen hebben.
Het is een lijvig boek, 672 pagina's, maar ik heb het zeer geboeid gelezen. Elke auteur neemt een bepaald facet onder de loep en weet daar zeer interessante details over te vertellen. Roelof van den Broek, hoogleraar in de geschiedenis van het Christendom aan de Universiteit van Utrecht, neemt ons mee naar het kosmopolitische Alexandrië uit de eerste eeuwen van onze jaartelling, waar Joden, Christenen en Heidenen in deze bonte samenleving elk hun plaats hadden. Alexandrië was de bakermat van het Corpus Hermeticum en deze geschriften tonen de veelzijdigheid van uiteenlopende levensvisies. In Alexandrië bestond een sterke ascetische stroming, die ook in de Hermetische Gnosis een grote rol speelt, maar andere geschriften benadrukken juist dat de directe kennismaking met de materie noodzakelijk is om volledig mens te worden en zelfs dat God de wereld heeft geschapen om hierdoor zichzelf vollediger te kunnen ontplooien.
Jean-Pierre Mahé, hoogleraar Oosterse talen aan de Ecole Pratique des Hautes Etudes, belicht het godsbeeld dat in de Hermetische Gnosis is ontwikkeld. Vaak werd onderscheid gemaakt tussen Aardse Goden, die min of meer door de mens naar zijn evenbeeld geschapen zijn, en Sterregoden, die veel verder van ons af staan en waar we ons geen voorstelling van kunnen maken. Tussen de Sterregoden en de Aardse Goden bevindt zich een hele hiërarchie van Goden en Godinnen, die in de verschillende mythen worden beschreven. Mahé benadrukt dat Hermeticisme geen theorie was, maar een inwijdingsweg. Gnosis is geen boekenwijsheid, maar een diep doorvoelde ervaring, een innerlijk weten. Alleen de Geest (Nous) kan de waarheid bereiken. Het Verstand (Logos)kan de waarheid tot op zekere hoogte naderen, maar nooit bereiken.
R.A.Bitter, tot zijn pensionering wetenschappelijk medewerker aan de Theologische Faculteit van de Universiteit van Utrecht, zet uiteen hoezeer de Hermetische Gnosis is doordrenkt van de gedachte dat het goddelijke van oorsprong androgyn (tweeslachtig) is en volmaakt. Zodra het mannelijke en vrouwelijke aspect zich van elkaar losmaken, is deze volmaakte eenheid verbroken. Ook de mens zou van oorsprong androgyn zijn. Zowel in het Jodendom als in de Helleense traditie werd de goddelijke en menselijke tweeslachtigheid benadrukt. Niemand minder dan Plato geeft de mythe van de androgyne mens, die aan de moderne mens voorafging. En het bijbelse scheppingsverhaal geeft natuurlijk aan dat Adam en Eva één wezen waren tot God de vrouw van hem losmaakte.
J.Zandee is in 1991 overleden. Hij was hoogleraar Egyptisch te Amsterdam en belicht in zijn bijdrage oude Egyptische elementen die in de Helleense tijd in de Hermetische Gnosis zijn opgenomen.Hij beschrijft o.a. hoe verscheidene Egyptische Goden als androgyn werden voorgesteld. Zo had Amon een vrouwelijk aspect dat Amounet werd genoemd en ook als afzonderlijke Godin werd vereerd. Zandee geeft ook een interessante uiteenzetting van de Egyptische astrologie, die in de Hermetische Gnosis is overgenomen. De Egyptische astrologie werkte oorspronkelijk niet met tekens van de Dierenriem, maar met Decanen (36 fragmenten van elk 10 graden, waarin de hemelbol verdeeld werd). In de Hermetische geschriften brengen de Decanen demonen voort, die de ruimte tussen God en mens overbruggen.
J. Mansveld, hoogleraar in de geschiedenis van de wijsbegeerte van Oudheid en Middeleeuwen aan de Universiteit Utrecht, belicht hoe in Gnostische en Joodse voorstellingen het goddelijke in de mens als schepper optreedt. Antropos, de mens als kind van God, daalt af naar de materie om de aarde te scheppen, maar wordt verliefd op de natuur en verliest zichzelf in de materie. Volgens het esoterisch Jodendom was het niet God zelf waaruit deze oermens voortkwam, maar de Kabod, de heerlijkheid of glorie van God. Zoals ook elders in de Gnostische geschriften zien we een poging de kloof tussen het goddelijke en menselijke te overbruggen door hier andere wezens tussen te plaatsen.
Jan Helderman, wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de Faculteit Godgeleerdheid van de Vrije Universiteit, analyseert op welke manieren er in de Gnostische geschriften tegen de Demiurg, de lagere scheppende Godheid, wordt aangekeken. Steeds gaat men ervan uit dat de schepper niet de hoogste Godheid is, maar een daarvan afgesplitst wezen. Sommige geschriften benadrukken de wezenlijke eenheid van de kosmos, waarbij alles dus in feite onderdeel van het goddelijke uitmaakt. Dit wordt wel pantheïsme genoemd. Andere geschriften gaan uit van een dualiteit van goed en kwaad, waarbij het kwaad overwonnen dient te worden. Veel Hermetici verwerpen de wereld en de materie daarom als slecht, iets waaraan de mens zich dient te ontworstelen.
J. van Oort, docent kerkgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, analyseert op welke wijze kerkvaders als Augustinus Gnostische ideeën hebben bestreden of gekerstend. In een ander artikel beschrijft hij op welke wijze de mysticus Jacob Boehme Gnostische ideeën in zijn geschriften heeft verwerkt. Maarten Zweers, voorheen directeur van de Twentse Schouwburg, zet uiteen hoe Gnostische elementen de kern vormen van Die Zauberflöte, het libretto van Schikaneder waarmee Mozart zijn volgens velen mooiste opera componeerde.
Het artikel over William Blake van Jos van Meus, voorheen docent Engelse en Amerikaanse letterkunde aan de Universiteit van Groningen, was voor mij een eye-opener. Zo'n dertig jaar geleden heb ik de gedichten van Blake (1757-1817) verslonden, geboeid door de wervelende mythologische wereld, die geheel zijn eigen schepping was. Ik heb er niet bij stilgestaan dat de lange gedichten van Blake in wezen sterk overeenkomen met de Gnostische scheppingsverhalen, zoals die bijvoorbeeld in de Nag Hammadi-geschriften te vinden zijn.
Quispel zelf analyseert hoe de figuur van Faust, die zijn ziel aan de duivel verkocht, door de eeuwen heen door verschillende auteurs is vormgegeven en op welke wijze Gnostische ideeën hierin een rol spelen. In een ander artikel beschrijft Quispel de Christelijke en Joodse achtergrond van de Gnosis.
Ik heb het boek geboeid gelezen en kan het aanraden aan iedereen die belangstelling heeft voor Hermetische en Gnostische ideeën en hun invloed op onze westerse cultuur. Van de verschillende auteurs wordt een duidelijke levensbeschrijving gegeven, zodat je als lezer weet vanuit welke invalshoek en met welk gezag de betreffende persoon zijn of haar uitspraken doet. De spaarzame illustraties zijn ter zake doend, maar komen soms niet goed tot hun recht, afgedrukt op gewoon papier. Een duidelijk minpunt van het boek is dat het slecht is gelijmd en enigszins uit elkaar begon te vallen tegen dat ik het uit had. En ik wil er toch nog wel eens in bladeren. Toch een aanrader. (Ko)

Het Evangelie van Thomas

Uit het Koptisch vertaald en toegelicht door Gilles Quispel

380 blz., € 32,50
In de Pelikaan, 2005
Distributie Rozekruis Pers
ISBN 90-71608-7

Het Evangelie van Thomas is een van de geschriften die in 1945 in een kruik bij Nag Hammadi in Egypte werd gevonden. Het is in de tweede of derde eeuw in het Koptisch geschreven, maar gebaseerd op een ouder Grieks manuscript, waarvan in 1900 al enkele fragmenten waren gevonden. Dit Grieks manuscript zou weer teruggrijpen op oudere bronnen, waarvan de oudste wellicht in het jaar 40 zou zijn opgesteld, dus voordat de vier Bijbelse Evangeliën werden opgeschreven. Het Koptische manuscript bestaat uit 114 Logoi (enkelvoud Logos), waarin uitspraken van Christus zijn opgeschreven. Het zijn alleen deze uitspraken. Er is geen enkele beschrijving van het leven en sterven van Jezus. Gilles Quispel heeft er persoonlijk voor gezorgd dat het manuscript in Egypte werd aangekocht en dat het in 1959 werd gepubliceerd. Toen ik de Nag Hamadi-geschriften las, vond ik het Evangelie van Thomas een van de minst interessante documenten en ik begreep eigenlijk niet goed waarom de publicatie ervan destijds voor zoveel ophef had gezorgd. Voor velen was het een schok zich te realiseren dat er behalve de in het Nieuwe Testament opgenomen boeken nog meer Evangeliën hadden bestaan. Op zich was dat al sinds de derde eeuw bekend, dus blijft over de vraag wat Thomas heeft toe te voegen aan de andere evangelisten. Naar mijn bescheiden mening niet veel, behalve dat het nog eens duidelijk onderstreept hoe vrouw-onvriendelijk en ascetisch een aantal vroege Christenen waren. Verschillende geschriften uit Nag Hammadi laten zien dat er ook anderen waren, die vrouwen op hun waarde wisten te schatten en dat Maria Magdalena een Apostel was die door Jezus boven de anderen werd geplaatst. Het Evangelie van Thomas behoort niet tot deze vrouwvriendelijke geschriften. Als Simon Petrus zich bij Jezus beklaagt en zegt: "Laat Maria (Magdalena) weggaan uit onze kring, want vrouwen zijn het Leven niet waard" is Jezus het kennelijk met hem eens. Hij antwoordt: "Ik zal haar zo leiden, dat ik haar mannelijk maak, dat ook zij een levende Geest wordt en zo de gelijke van jullie mannen. Want iedere vrouw, die zich vermant, kan ingaan tot het Koninkrijk der Hemelen." Dus vrouwen zijn het volgens het Evangelie van Thomas niet waard om naar de hemel te gaan en moeten eerst man worden voordat ze worden toegelaten.
Ik vroeg me af of Quispel met zijn uitzonderlijke belezenheid, uitgebreide inleiding en toelichtingen me duidelijk zou kunnen maken wat nu de waarde van dit Evangelie is. Daar is hij niet in geslaagd. Zijn specialisatie is de zogeheten bronsplitsing en het grootste gedeelte van zijn toelichting is erop gericht duidelijk te maken aan welke bron elke Logos van het Evangelie is ontleend. Hij onderscheidt daarbij een Judese bron, geschreven rond 40 n.Chr. en een Alexandrijnse bron van rond 100 n.Chr. De extreem ascetische en vrouwonvriendelijke Logoi zijn volgens Quispel vooral uit Alexandrië afkomstig. Een aantal uitspraken zijn in andere bewoordingen in de vier bijbelse Evangeliën terug te vinden, een aantal andere niet. Veel uitspraken komen ook in het Evangelie van Thomas zelf in verschillende bewoordingen tweemaal voor. Quispel noemt dit doubletten en probeert steevast de ene uitspraak tot de Judese bron terug te voeren en de andere tot de Alexandrijnse. Voor alle duidelijkheid: deze bronnen zijn puur hypothetisch. Misschien hebben ze bestaan, maar ze zijn (nog?) niet gevonden. Voor theologen en bijbelvorsers zijn de toelichtingen van Quispel ongetwijfeld waardevol, maar mij hadden ze niet zoveel te zeggen. Wat ik eruit opgemaakt heb is dat het Evangelie van Thomas kennelijk een bijeengeraapt zooitje is, met veel dubbele uitspraken, die nog eens goed uitgezocht en geschrapt hadden moeten worden.
Blijft over de vraag wat de verschillende uitspraken nu eigenlijk te zeggen hebben. Geven ze belangrijke informatie door? Getuigen ze van een levenswijsheid die je ter harte kunt nemen? Is het literair gezien waardevol? Voegt het iets belangrijks toe aan wat al in het Nieuwe Testament staat? Ik ben geneigd op alles ontkennend te antwoorden. Als ik tenminste de uitleg van Quispel overal volg. Bepaalde uitspraken lijken uit te gaan van de androgyne mens en de eenwording van man en vrouw aan te prijzen om volledig mens te worden. Maar Quispel verklaart dat steevast als verheerlijking van een ascetische levenswijze. Een voorbeeld is Logos 75: "Jezus zegt: Velen staan voor de deur, maar de eenlingen zijn het, die het bruidsvertrek zullen binnengaan." Quispel interpreteert dit als: "Hier staat werkelijk dat alleen vrijgezellen zalig worden." In Logos 22 zegt Jezus tot zijn leerlingen: "Als jullie de twee een maakt... en als je het mannelijke en vrouwelijke een maakt, zodat de man niet meer een man is en de vrouw niet meer een vrouw, als jullie het vleselijke oog vervangt door een innerlijke schouw... dan zullen jullie ingaan tot het Koninkrijk." Zelfs Quispel kan dit niet ascetisch verklaren en zegt: "het verkondigt de androgynie, het modernste van alle idealen. Als Jezus dit werkelijk gezegt heeft, dan zou het christendom in één klap zijn achterstand hebben ingehaald en de vijandschap van de vrouwenbeweging hebben overwonnen." Aan het feit dat deze Logos niet past bij de uitleg dat het hele Evangelie ascetisch is, gaat Quispel stilzwijgend voorbij. In plaats daarvan komt hij met een ingewikkelde uitleg die moet aantonen dat dit citaat in wezen alchemistisch is. Hij voegt eraan toe: "Alchemie is in oorsprong Hermetische Gnosis." Daarmee spreekt hij zijn eigen inleiding tegen, waarin hij zegt: "Het Evangelie van Thomas is niet gnostisch, maar zeer asketisch." In grote lijnen heeft hij daar gelijk in, maar het lijkt erop dat het Evangelie van Thomas uit verschillende bronnen heeft geput, bronnen die elkaar deels tegenspreken. Ik denk dan ook dat deze bonte verzameling niet onder één noemer te vangen is en Quispel heeft me er niet van kunnen overtuigen dat dat wel zo is.(Ko)

De Bezem Voorbij

door Boris en Bran
172 blz., € 13
Silver Circle, 2005

In De Bezem Voorbij geven Boris en Bran een overzicht van Wicca in Nederland, vanaf het prille begin in de jaren '70 tot heden. Voor beginners, die zich willen oriënteren op wat Wicca nou precies inhoudt, is het meeste waarschijnlijk niet zo interessant, maar wie al wat Wicca's en stromingen in Nederland kent, geeft dit boek een boeiende kijk achter de schermen. Vooral over de beginfase was weinig bekend. Bran heeft dit uitgeplozen en op een rijtje gezet in het hoofdstuk Een historische schets van Wicca in Nederland. Daar worden enkele zaken over het begin van Wicca in Nederland uit de doeken gedaan die ook mij niet helemaal duidelijk waren en ik heb me hier toch aardig in verdiept. Een waardevolle aanvulling aan de schaarse publicaties op dit gebied. Met foto's van enkele bekende Nederlandse Wicca's, waaronder ondergetekende.
In het tweede hoofdstuk, Verslag van de Enquête Wicca in Nederland, vat Boris de resultaten samen van een enquête onder 117 personen over hun ervaringen met Wicca, hun achtergrond, hun ideeën over het goddelijke en nog wat interessante zaken. Tenslotte, in het hoofdstuk Biografische en autobigrafische schetsen een profiel van een 7-tal Nederlandse Wicca's, waaronder Morgana, Elsy Kloeg en Francis, die trouw al onze boeken heeft nagekeken en vele waardevolle tips en opmerkingen heeft gegeven. Ook Boris vinden we hier, maar vreemd genoeg Bran niet. Valse bescheidenheid?
Een aanrader voor wie al iets meer over Wicca weet. Je kunt het boek bestellen door € 14,56 over te maken naar 45 64 08 401 tnv. Silver Circle in Zeist o.v.v. "Bezem Voorbij". (Ko)

ANWB Bomengids van Europa

door Owen Johnson & David More
463 blz., € 29,95
ANWB, 2004
ISBN 90 18 02027 3

Als (aankomend) heks of heiden heb je natuurlijk nooit genoeg bomenboeken, kruidenboeken en Flora's. Wat in het ene boek niet staat, vind je in het andere boek weer wel. De meeste van ons hebben er planken vol van - en terecht. Ze kunnen een goede hulp zijn als je buiten wilt zien wat voor plant of boom je voor je hebt. Het is niet een boek dat je buiten zult raadplegen - daar is het net iets te zwaar voor - maar thuis des te meer. In deze Bomengids van de ANWB gaat determineren aan de hand van "sleutelfiguren": het blad van coniferen en loofbomen en de figuren met winterloten staan voorin het boek. Als je een boom zo niet kunt vinden, kun je, zoals de schrijvers aanraden, het boek doorbladeren en gaan zoeken naar een boom die er het meeste op lijkt. De tekst verwijst dan naar alle bomen met vergelijkbare kenmerken. Op die manier moet elke boom snel gevonden zijn.
In de winter zijn bomen vaak moeilijk te herkennen. De pagina's "Winterloten van algemene of heel herkenbare bomen" kunnen dan van nut zijn, evenals de tekeningen van de kale boom, zoals die bij veel loofbomen staat afgebeeld. Een boek waar je veel naar zult kijken en jaren lang plezier van zult hebben. (Joke)

Flora van de lage landen

door Jan Marijnissen
703 blz., € 19,95
Tirion, 2003
ISBN 90 4390 075 3

Deze Flora is voortgekomen uit de Interactieve Flora van Nederland en Vlaanderen. Toen deze Flora werd gemaakt, viel het de samenstellers op dat er geen boek bestond met foto's van alle Nederlandse en Vlaamse plantensoorten. Wel met tekeningen en foto's van een aantal planten. De mooiste foto's vind je volgens de samenstellers terug in dit boek. Aan de hand van de foto's kun je de planten op kleur opzoeken en niet, zoals bij een "echte" Flora (van Heukels bijvoorbeeld), aan de hand van een moeilijke determineersleutel. Wel wordt in dit boek een eenvoudige determineersleutel gebruikt, maar de bloemkleur is de belangrijkste leidraad. Vervolgens zijn de soorten gerangschikt op het aantal bloemdekbladeren of het aantal kroonbladeren. Zo kom je al dicht bij de plant waar je naar op zoek bent. Daarna kun je de onderdelen van de plant vergelijken met de kolommen met plantgegevens en zo zul je meestal de naam wel kunnen vinden. Doordat de bloemen op kleur in het boek staan, is het ook leuk om er gewoon eens in te bladeren en je over de hoeveelheid soorten te verwonderen. Kijk bijvoorbeeld eens hoeveel gele bloemen er zijn, met voor de leek een bijna identiek uiterlijk. Als je beter kijkt, zie je toch dat ze onderling veel verschillen hebben. Kijk, bewonder en verwonder je wat de natuur je zoal te bieden heeft. Een boek waar je lang plezier van zult beleven. (Joke)

De Hermetische Schakel

door Jacob Slavenburg
414 blz., € 29,95
Ankh-Hermes, 2004 (2e druk)
ISBN 90 202 8320 0

In de Helleense en Romeinse periode (332 v.Chr. - 395 n.Chr.) ontstond in Egypte wat later de Hermetische Traditie genoemd zou worden. Deze traditie baseerde zich op de geschriften die zouden zijn geschreven door Hermes Trismegistos. Volgens de overlevering was hij een verschijningsvorm van de Egyptische God Thoth die door de Grieken Hermes werd genoemd. Toth werd door de Egyptenaren gezien als de bron van alle kennis en wijsheid, als een groot magiër en geneesheer en als de uitvinder van het hiëroglyfenschrift. In inscripties werd hij vol ontzag aangeduid als 'Thoth, de Grote, de Grote, de Grote'. De Grieken stelden hem gelijk aan hun God Hermes, die ze daarom als Hermes Trismegistos ('Driemaal Grote Hermes') aanduidden. Veel van de door Hermes geschreven teksten zijn verloren zijn tijdens de verwoesting van de bibliotheek van Alexandrië. Een aantal geschriften zouden bewaard zijn gebleven en doorgegeven door degenen die waren ingewijd in de Hermetische Mysteriën. Na de val van het Romeinse Rijk in 395 n.Chr. en onder invloed van het Christendom raakten de in het Grieks geschreven Hermetische geschriften in onbruik. Door de Arabieren werden verschillende boeken vertaald of in het Arabisch samengevat, maar in West-Europa waren ze niet bekend. In 1492 werden verschillende Hermische geschriften uit het Grieks in het Latijn vertaald door Marsilio Ficino (1433-1499), een filosoof en occultist, die onder de Florentijnse vorst Cosimo de Medici een school voor Neo-Platonische filosofie had gesticht. De door Cosimo vertaalde teksten, aangevuld met nog enkele later gevonden geschriften, uitgegeven als Corpus Hermeticum, zijn waarschijnlijk geschreven in de Romeinse tijd in Egypte, maar gebaseerd op oudere geschriften uit de Helleense tijd. Tijdens de Renaissance hebben deze boeken grote invloed op occultisten en wetenschappers gehad.
In De Hermetische Schakel maakt cultuurhistoricus Jacob Slavenburg de lezer vertrouwd met deze geschriften. Slavenburg bezit het vermogen zijn enorme belezenheid op dit gebied te benutten om de moeilijke materie op een boeiende en gemakkelijk leesbare manier voor ons te ontrafelen. Slavenburg is de schrijver van verschillende boeken en artikelen over Hermetische geschriften, gnostiek en esoterische stromingen. Hij is de mede-vertaler van de Nag Hammadigeschriften (zie mijn recensie van dit boek elders op deze pagina). In elk hoofdstuk wordt een bepaald thema uitgewerkt aan de hand van relevante achtergrondiformatie en goed gekozen citaten, die de lezer de sfeer van de Hermetische traditie laten proeven. Daarbij beperkt hij zich niet tot de geschriften zelf, maar geeft ook een beeld van de personen die deze traditie in de Oudheid vormgegeven hebben en de mensen die vanaf de Renaissance deze traditie levend hebben gehouden. Dat het Hermetisme de bron is geweest voor Rozenkruisers en Theosofen wordt overtuigend uitgelegd. Wie de indruk heeft dat deze geschriften 'Hermetisch gesloten' en vrijwel onleesbaar zijn, zal zich verbazen over het gemak waarmee Slavenburg je rondleidt in deze wereld. Geen moeilijke theoretische verhandelingen of ingewikkelde bespiegelingen over alchemie of kosmologie. De wereld van de Hermetische traditie, zoals die door Slavenburg beschreven wordt, is eigenlijk de gewone wereld, waar we nu nog in leven en de vragen die daarin gesteld worden, dat zijn de problemen waar we nog steeds mee worstelen. Zonder meer een aanrader voor ieder die geïnteresseerd is in de spirituele bronnen van onze beschaving. (Ko)

Geneeskrachtige Kruiden voor Dummies

door Christopher Hobbs
366 blz, € 27,95
Addison Wesley, 2003
ISBN 90 430 0794 3

De botanist, herbalist en acupuncturist Christopher Hobbs heeft meer dan 19 boeken over kruidengeneeskunde op zijn naam staan. Dit boek is de vertaling van Herbal remedies for dummies. Evenals de andere boeken in de Dummiesreeks is dit niet alleen voor dummies, integendeel zelfs. Het is een uitgebreid handboek, waar zowel de beginneling als de kruidengeneeskundige kennis uit kan halen. Het boek is als volgt ingedeeld: Deel 1 gaat over wat geneeskrachtige kruiden nu eigenlijk zijn en bevat o.a. een hoofdstuk over aromatherapie. Deel 2 vertelt over hoe je zelf kruiden kunt kweken, drogen en verwerken en hoe je zelf kruidenprodukten kunt maken. Vooral het onderdeel De geneeskrachtige keuken - genezen met kruiden vond ik erg leuk. Het leert je hoe je de kruiden die je allemaal in huis hebt om mee te koken ook geneeskrachtig kunt gebruiken, maar er staat ook een heerlijke pesto in en hoe je die, ook als er 's winters geen verse basilicum is, kunt maken. Het derde deel gaat over tien redenen om dagelijks kruiden te gebruiken, over tien krachtige kruiden en tien heerlijke soorten kruidenthee.
Het recept van Lieves kruidenthee geef ik hierbij: 1 gram goudsbloemen, 15 gram hopbellen, 10 gram muntblad, 15 gram braamblad, 15 gram Sint-Janskruid, 20 gram citroenmelisse en 24 gram valeriaanwortel. Twee eetlepels van dit mengsel 10 minuten laten trekken in 1/2 liter kokend water, dan zeven en verspreid over de dag drinken of vlak voor het naar bed gaan. Een heerlijke, rustgevende en ontspannende thee!
Het boek heeft een Symptomengids en een Kruidengids in een apart groen gedeelte. Gemakkelijk op te zoeken dus. Een prima en zeer aan te raden boek. (Joke)

De Magische Kracht van de Natuur

Ontdek de geheimen van eeuwenoude heksenwijsheid

door Marian Green
237 blz., € 14
The House of Books, 2005
ISBN 90 443 1242 1

Marian draagt dit boek op aan de 4 D's in haar leven: haar moeder Dora, die overleed terwijl ze boek schreef, haar in 2000 overleden partner Dick, de enige jaren geleden overleden Hogepriesteres Doreen Valiente, van wie ze veel leerde en Diane Demdike, de heks uit de Middeleeeuwen die ze door de jaren heen heeft gechanneled. Marian vertelde me dat dit boek, in 2001 in het Engels verschenen als Natural Witchcraft, een herschreven versie is van The Gentle Arts of Aquarian Magic, hier destijds bij Bres verschenen als Magie op eigen Kracht en daarna niet meer verkrijgbaar. Ik ben blij dat verschillende titels van Marian nu weer in het Nederlands verschijnen en ik hoop dat House of Books hier nog lang mee door zal gaan. Marian was, ten onrechte, hier alweer zo'n beetje vergeten en ik hoop dat ze hierdoor weer haar welverdiende bekendheid terug zal krijgen.
Wat me opviel toen ik begon met lezen, was dat ze veel positiever tegenover Wicca staat dan zo'n tien tot vijftien jaar daarvoor. In die tijd schilderde ze Wicca's vaak af als Heksen die niets weten van de natuur, slaafs hun Hogepriesteres napraten en vooral veel domme dingen zeggen en doen. Zo zie je maar. Volgens de oude heksenwet is alles aan verandering onderhevig. Marian neemt je mee langs maanmysteriën en zonnesymbolen. Ze ontvouwt de plantenkracht en de band met het landschap. Prettig en vooral inspirerend geschreven, met de haar typerende humor. Ik heb heel veel van Marian geleerd en zal haar daar altijd dankbaar voor blijven. De volgende, in het boek gegeven, limmerick wil ik jullie niet onthouden:
Lilith of the Enterprise Coven
At ritual, she wasn't a sloven
She said, 'Cauldron's outdated,
A sword's overrated.'
So they dance round a microwave oven.
In het boek wordt deze limmerick ook vertaald, dus als je hem niet vat: snel het boek aanschaffen. Een absolute aanrader. (Joke)

Naar overzicht

Schatgraven in Nag Hammadi

Een inleiding tot de gnostiek

Door Bram Moerland
197 blz., 2004, 4e druk
Synthese, € 16,95
ISBN 90 6271 922 8

Na het lezen van de soms duistere, maar altijd fascinerende teksten van de Nag Hammadi-geschriften (zie mijn recensie hierboven) vond ik Schatgraven in Nag Hammadi een afknapper. Bram Moerland doet zijn best de gnostiek te verweven in gemakkelijk leesbare, persoonlijke verhalen en anecdodes, maar hij weet me niet mee te voeren op zijn zoektocht naar het wezen van de gnostiek. Voor Moerland is gnostiek dat je leert op je eigen oordelen en ervaringen af te gaan en geen goeroes te volgen. Zijn ideaalbeeld van de gnosticus is: "een innerlijk vrij mens, bewogen door de liefde". Dat klinkt wel aardig, maar als Moerland gaat uitleggen waaruit die vrijheid voor hem bestaat, rijzen de haren me te berge. De hele wereld is volgens Moerland één groot strijdtoneel. Daarbij maakt hij onderscheid tussen een horizontaal dualisme en een verticaal dualisme. Het horizontaal dualisme omschrijft hij als de strijd tussen goed en kwaad, tussen waarheid en leugen, tussen licht en duisternis. Het verticaal dualisme is de strijd tussen geest en materie.
De grote helden van Moerland in deze strijd zijn Hammurabi en Zarathoestra. Hammurabi noemt hij iemand "die de mens tot een verantwoordelijk individu maakte". Zarathustra is voor Moerland zijn grote held omdat Zarathustra de waarheid en het goede duidelijk tegenover de leugen en het duister stelde en de mensheid leerde de waarheid te zoeken en de leugen te bestrijden. De oude heidense religies doet Moerman een beetje neerbuigend af als slaafse gehoorzaamheid en ondergeschiktheid aan de Goden. Als voorbeeld van zo'n "foute" heidense religie noemt hij de Griekse religie zoals die uit de Ilias van Homeros naar voren komt en zegt afkeurend: "Alles gebeurt zoals de Goden dat willen." Hier tegenover stelt hij de Griekse democratie, die hij liefkozend als "het Griekse wonder" aanduidt: "De nieuwe Griekse mens is vrij en onderwerpt zichtzelf."
Het is duidelijk dat Moerman zich niet echt heeft verdiept in de zaken die hij aanroert. De Ilias weerspiegelt niet de "oude religie" van de mensheid. Die moeten we zoeken in de Nieuwe Steentijd en daarin was er geen sprake van dualisme, strijd en onderdrukking. De religies van de Steentijd kenmerken zich door gelijkheid en polariteit. Bij een polariteit zijn er geen tegenstanders die elkaar op leven en dood bestrijden, maar polen die elkaar aanvullen en elkaar nodig hebben om te bestaan. Zonder duisternis ervaren te hebben, weten we niet wat licht is en beide zijn daarom nodig om deel te kunnen nemen aan het leven. God en Godin werden in de oude religies gezien als polariteiten. De kosmos is het spanningsveld tussen deze polen. De materie is te ingewikkeld om kort samen te vatten. In onze boeken, met name de Encyclopedie van Westerese Goden en Godinnen, hebben we dit uitgebreid beschreven en toegelicht. Waar het om gaat is dat je niet zoekt naar tegenstanders om te proberen ze te vernietigen. Wat de ander anders maakt dan jij is een polariteit, waarbij je elkaar aanvult. In de Brons- en IJzertijd ontstond een tendens om deze polariteit te gaan zien als een dualiteit. Daarbij werd de ander een tegenstander die overwonnen of vernietigd diende te worden. Hammurabi (1792-1750 v.Chr.), de machtigste koning van het Oud-Babylonische Rijk, heeft de mens niet "een verantwoordelijk individu" gemaakt, zoals Moerland stelt. Hammurabi heeft onduidelijke regels gestandaardiseerd en aangescherpt om de leiders van zijn immense rijk beter in staat te stellen hun macht uit te oefenen. De Oude Religie, gevormd door gelijkheid en polariteit, werd daarmee vervangen door een dualisme waarin goed van kwaad en recht van onrecht onderscheiden kon worden. En de machthebbers hadden altijd gelijk en het recht aan hun zijde. De religie van Grote Godinnen als Inanna moest daarbij het veld ruimen voor het recht van de sterke. In het godenrijk werd Marduk, de stamgod van Babel, dankzij Hammoerabi naar voren geschoven en de scheppende Oermoeder werd tot het monster Tiamat dat door Marduk gedood werd. In mijn recensie van de Enuma Elisj (zie elders op deze pagina) heb ik dit nader toegelicht. In het Perzische Rijk deed Zarathustra hetzelfde: door een scherp onderscheid te maken tussen goed en kwaad, gaf hij de machthebbers de wapens in handen om hun medemensen en buurvolkeren te onderwerpen of uit te moorden. In het Oude Testament kunnen we lezen hoe de bijbelse profeten Jehova gebruikten om, uit naam van het goede, de bewoners van Palestina stelselmatig uit te moorden. In Griekenland vond een zelfde ontwikkeling plaats als elders: de Oude Religie werd verdreven door op macht beluste leiders die dit dualisme op de religie projecteerden. De Ilias gaat niet over dat "alles gebeurt zoals de Goden dat willen." De Ilias gaat over de blinde woede van mensen die mooie idealen misbruiken om hun allesverterende zucht naar macht uit te leven. Voor Moerland was dit "het Griekse wonder". Dat dit alleen om macht ging en dat de stemloze vrouwen daar geen deel aan hadden, is hem kennelijk ontgaan.
De Nag Hammadi-geschriften gaan uit van een polariteit, waarbij het duister nodig is om het licht te kunnen zien, terwijl je pas weet wat de geest is als je de materie hebt leren kennen. Ik begrijp echt niet wat Moerland in de duistere, wervelende geschriften van Nag Hammadi aantrekt. Het tweedimensionale, dualistische zwart-witdenken van het Oude Testament is hem duidelijk op het lijf geschreven. De Griekse helden, die Moerland zo bewondert, streden niet voor het bestaansrecht van "een innerlijk vrij mens, bewogen door de liefde". Ze streden voor hun eigen glorie, ten koste van alles en iedereen. Dat is niet wat ik onder gnostiek versta. (Ko)

Heksenkruiden & Toverplanten

door Getrud Scherf
235 blz. € 29,95
Deltas, 2003
ISBN 90 447 0106 1

Dit uit het Duits vertaalde boek geeft een uitstekend overzicht van de aan vele planten toegeschreven toverkracht. In de eerste 50 bladzijden zet de schrijfster uiteen wat plantentoverij inhoudt en hoe vanaf de Oudheid mensen zich erop hebben toegelegd om deze toverkracht op te wekken en te gebruiken. Daarna geeft ze een uitgebreide beschrijving van 62 planten, ingedeeld naar geluksplanten, liefdestoverplanten, planten uit de sympathetische geneeskunde, beschermende en toverijafwerende planten, orakelplanten en heksen- en duivelsplanten. Goed gedocumenteerd geeft ze een samenvatting van de geschiedenis van elke plant en hoe deze voor magische en rituele doeleinden is gebruikt. Ook de botanische en geneeskrachtige aspecten van elke plant komen aan de orde. De vele prachtige illustraties geven het boek een prettig leesbaar en goed verzorgd uiterlijk. Het uitgebreide register maakt het even opzoeken van bepaalde planten of onderwerpen gemakkelijk. Een aanrader voor iedereen die belangstelling heeft voor de magische wereld van kruiden. (Ko)

Kwan Yin

De goddelijke moederfiguur in de Chinese volksreligie

door Chen-niang
158 blz., € 14,50
Ankh-Hermes, 2005
ISBN 90 202 8352 9

Chen-niang is in 1917 in het voormalige Nederlands Oost-Indië geboren uit Chinese ouders. Die maakten haar bekend met de leer van Confucius en wekten haar belangstelling voor oosterse wijsbegeerte en mythologie. Later maakte ze ook kennis met het boeddhisme en het rooms-katholieke geloof. Haar studie oosterse wijsbegeerte in Jakarta moest ze in 1942 door de oorlog afbreken. Haar man, met wie ze in datzelfde jaar trouwde, leerde haar veel over het boeddhisme, taoïsme en over oorsterse religies en wijsbegeerte. In 1965 verhuisden ze naar Nederland. In Indië had Chen-niang Kwan Yin leren kennen, de Chinese Moedergodin, die door veel mensen nog werd vereerd, zij het vaak versluierd onder een boeddhistische of christelijke dekmantel. Het viel haar op dat Maria binnen het christendom dezelfde functie vervult als Kwan Yin in het Verre Oosten: de belichaming van goddelijk mededogen en een schakel tussen mens en God.
In haar boek gaat Chen-niang nauwelijks in op de geschiedenis van de Kwan Yin-verering en richt zich vooral op de universele betekenis van deze Moedergodin, die haar vanaf haar jeugd direct had aangesproken. Door deze persoonlijke betrokkenheid weet Chen-niang Kwan Yin neer te zetten als een levende Godin, die hier en nu net zoveel zeggingskracht heeft als daar en toen. In Chine zijn trouwens nog steeds vele tempels en heiligdommen, die jaarlijks door duizenden pelgrims worden bezocht om er de Godin te aanbidden. De in het boek gegeven mythen over Kwan Yin, die nog verteld werden in Indië toen Chen-niang daar woonde, illustreren de genegenheid en warmte die deze Godin voor vele mensen is blijven uitstralen. Daar hebben het christendom, boeddhisme en de islam niets aan kunnen afdoen. Het boek is mooi uitgegeven, geïllustreerd met beelden van de Godin, naar ik aanneem uit de verzameling van de auteur, en door haar gemaakte tekeningen. Een aanrader. (Ko)

Natuurmagie en Hekserij

Een Wiccapriesteres onthult haar geheimen

door Vivianne Crowley
288 blz., € 19,90
Kosmos-Z&K, 2004
ISBN 90 215 4064 9

Vivianne Crowley is een alom gerespecteerde Hogepriesteres, ingewijd zowel in de Gardneriaanse als Alexandrian-traditie. We leerden haar vele jaren geleden in Engeland kennen op een door haar voor Wicca's georganiseerde bijeenkomst. Ze kwam op ons over als een integere, innemende persoonlijkheid, die door haar uitstraling en haar aanstekelijke gegiechel gemakkelijk in het middelpunt van de belangstelling staat. Vivianne heeft ook de gave een ritueel voor kleine of grote groepen op een boeiende en meeslepende manier vorm te geven. Door de jaren heen heb ik haar een aantal malen meegemaakt en soms ook met haar van gedachten gewisseld over bepaalde onderwerpen die ons na aan het hart lagen. Inmiddels is ze ook bij het grote publiek bekend geworden als de auteur van een aantal boeken, maar nog steeds is ze het giechelende meisje dat, als het moet, de rol van wijze vrouw en hogepriesteres overtuigend op zich neemt.
Natuurmagie en Hekserij is de vertaling van The Natural Magician en beter dan de wat melodramatische ondertitel doet vermoeden. Natuurmagie is een manier om te werken met de krachten van de natuur, krachten die je kunt opwekken en gebruiken door je af te stemmen op de krachten van met name de planeten en de vier elementen. In heldere bewoordingen laat Vivianne zien dat magie niet ingewikkeld, star of eng hoeft te zijn. Waar andere boeken, zonder nadere uitleg, vaak ingewikkelde teksten en handelingen voorschrijven, die je alleen maar slaafs dient uit te voeren, werpt Vianne je voortdurend terug op jezelf. Natuurmagie is voor Vianne iets dat doorleefd, oprecht en persoonlijk dient te zijn. Wat voor een ander goed is, hoeft voor jou niet te werken en wat voor jou werkt is goed - wat anderen daar ook over zeggen. Daarbij verliest Vivianne nooit de ethische kant uit het oog. Als je met magie bezig bent, moet je voortdurend je afvragen of het wel goed is wat je wilt doen en of je er geen anderen mee kunt schaden. In het boek worden theoretische bespiegelingen en vaak zeer humoristisch vertelde anecdotes afgewissend met oefeningen, die de lezer kunnen helpen practische vaardigheden op te doen op dit gebied, ook zonder dat je deel uitmaakt van een Coven of magische groepering die je daarbij kunnen helpen. Daarbij hoef je het niet in alle opzichten met Vivianne eens te zijn. Het vermengen van de westerse magische traditie met oosterse begrippen als chakra's en fengshui spreekt me niet zo aan, maar je bent vrij uit het boek te kiezen wat bij je past. Een aanrader voor ieder die zich serieus wil verdiepen in magie en niet uit is op sensationele effecten. (Ko)

De Macht van Magie

Ontdek de heksenkracht in jezelf

door Marian Green
222 blz.,€ 14
The House of Books, 2004
ISBN 90 443 0832 7

De oorspronkelijke Engelse uitgave, A Witch Alone, was het vijfde boek van Marian Green. Ik leerde haar zo'n achttien jaar geleden kennen tijdens een workshop op Den Alerdinck. Vele zomerweken volgden op deze workshop. De eerste jaren gaf ze die samen met Tony Willis, later alleen. Veel heb ik tijdens deze weken van haar geleerd. Samen met Ko heb ik vijftien jaar geleden de schriftelijke cursus Natural Magic bij haar gedaan.
De Macht van Magie is een doe-boek en is bedoeld als een curus die je in dertien manen leert natuurmagie te beheersen. Vreemd genoeg komt dat in de cover van de Nederlandse uitgave niet tot uitdrukking. Op de achterflap staat het niet ook vermeld. De Engelse uitgave heeft als ondertitel: "Thirteen moons to master natural magic - a practical handbook". En dat is precies hoe je het boek moet gebruiken. Na drie door Marian geschreven gedichten en een inleiding volgt het eerste hoofdstuk, getiteld: "Een nieuwe maan en een nieuwe droom". Hierin maakt Marian duidelijk wat natuurmagie voor onze voorouders was en wat het voor ons kan betekenen. Ze doet de suggestie om iedere les een dag na de nieuwe maan te beginnen, een magisch dagboek bij te houden, te lezen over gebruiken in de streek waar je woont, naar de maan te kijken en heilige plekken te bezoeken. Zo leer je iedere maan iets nieuws. Je leert het vooral jezelf. Je gaat een jaar lang op ontdekkingstocht, meegenomen door een altijd inspirerende Marian Green. Het cursusboek is bedoeld voor soloheksen, maar ik hoorde ook van een groep die haar boek gebruikt om het samen door te werken. Een absolute aanraden! (Joke)

Werken met het Levenswiel

Een sjamanistische visie

door Daan van Kampenhout
170 blz. € 12,50
Altamira-Becht, 2004
ISBN 90 6963 644 1

Daan van Kampenhout interesseert zich voor het sjamanisme sinds een bijna-doodservaring in 1981. Toen hij hiervan herstelde, kreeg hij in zijn slaap bezoek van leraren, die hem veel bijbrachten. Hierna las hij veel over sjamanisme, maar zijn dromen bleven een belangrijke inspiratiebron. In 1987 studeerde hij af aan de beeldende vakken van de nieuwe lerarenopleiding. Vanaf zijn afstudeerproject, waarin hij een jaar lang sjamenkostuums maakte, heeft hij les gegeven aan groepen waarin sjamanisme centraal staat. In die tijd kreeg hij zelf ook onderricht van traditionele sjamanen. Over sjamanisme heeft hij verschillende boeken geschreven, waaronder het Handboek Sjamanisme. De laatse jaren houdt hij zich vooral bezig met een combinatie van sjamanisme en familieopstellingen, een door Bert Hellinger ontwikkelde therapievorm. In zijn boek Beelden van de Ziel beschrijft hij het werken met deze familieopstellingen.
Met puur sjamanisme houdt Daan van Kampenhout zich nog nauwelijks bezig. Wel is dit het uitgangspunt van zijn nieuwste boek, Werken met het Levenswiel. Het is een werkboek, dat je op eigen houtje kunt doorwerken of samen met een groep, als je dat liever doet. Het boek leert om je eigen levenswiel te maken. Het geeft geen pasklare voorschriften of leerstellingen en leert je je eigen weg hierin te vinden. Het boek neemt je mee op een ontdekkingsreis in en buiten jezelf, een reis door de vier elementen, naar je voorouders en het dierenrijk. Het laat je voor jezelf ontdekken welke kleur je bij de elementen wilt en wat de andere punten op je levenswiel voor jou betekenen. Het boek is prettig en zeer inspirerend geschreven, zonder opgeheven vinger van wat je wel en niet moet en mag doen. Daan van Kampenhout heeft hier twaalf jaar aan gewerkt en dat is te merken. Wat hij zegt komt heel doorleefd en authentiek over. Een heel plezierig werkboek. (Joke)

Edda

Vertaling Marcel Otten

429 blz. € 18,95
Ambo, 2004 (6e, geheel herziene druk)
ISBN 90 263 1870 7

De Edda is onontbeerlijk voor ieder die is geïnteresseerd in de Noordse religie en mythen. Deze bundel IJslandse mythen werd in de 13e eeuw samengesteld uit gedichten die soms al eeuwen lang op IJsland werden doorverteld. In de 17e eeuw werd deze bundel toevallig gevonden in een IJslandse boerderij en staat sindsdien bekend als de Poëtische Edda, ter onderscheiding van de zogeheten Proza-Edda, die de IJslandse dichter en politicus Snorri Sturluson rond 1220 voltooide. Voor een deel grijpt Snorri terug op dezelfde mythen die in de Poëtische Edda zijn opgenomen, maar geeft hier ook een eigen, soms zeer christelijke interpretatie van. De Poëtische Edda is ook wel gekleurd door het feit dat IJsland in het jaar 1000 was overgegaan tot het christendom, maar zonder beide Edda's zou 90% van wat nu bekend is over de Noordse mythen en religie in de vergetelheid zijn geraakt. Vrijwel alle populaire verhalen over de godengeslachten Azen en Wanen zijn tot de Edda's te herleiden.
Bij de research voor ons boek Encyclopedie van Westerse God en Godinnen (2004) heb ik vooral gebruik gemaakt van de vertaling die Jan de Vries in 1938 van de Edda heeft gemaakt. Toen ik dat boek in 1994 voor mijn verjaardag kreeg, was het de enige Nederlandse vertaling die er was. Een paar maanden daarna verscheen de vertaling van Marcel Otten en als ik had mogen kiezen had ik daaraan in alle opzichten de voorkeur gegeven. Maar ja, ik had nou eenmaal die vertaling van De Vries. In 2004 verscheen de 6e, geheel herziene druk van de vertaling van Marcel Otten en ik heb toch maar een recensie-exemplaar opgevraagd om beide vertalingen eens goed te kunnen vergelijken. Nog steeds geef ik aan Marcel Otten de voorkeur boven De Vries. Jan de Vries was een eminent geleerde die op het gebied van de Germaanse religie wereldwijd vermaard is geworden door zijn diepgaande studies van de Germaanse en Noordse religies. Voor de Encyclopedie heb ik daar dankbaar gebruik van gemaakt. Maar een eminent wetenschapper maakt je nog geen dichter. En wetenschappelijk klopte zijn vertaling ook niet erg. De Vries ging ervan uit dat in de IJslandse gedichten een bepaald ritme gebruikt werd, waarbij het begin en eind van elke strofe de klemtoon kreeg, en dat ritme heeft hij in zijn vertaling consequent toegepast. In het Nederlands geeft dat ritme vaak een gekunsteld effect en dat maakt de vertaling van De Vries in veel opzichten houterig en onnatuurlijk. De Vries schreef zijn vertaling in 1938 en hedendaagse Germanisten onderschrijven niet langer zijn opvatting dat het door hem gebruikte Germaanse ritme algemeen gangbaar zou zijn geweest. Marcel Otten heeft dan ook geen pogingen gedaan een dergelijk ritme in zijn vertaling na te streven. Afgezien van het houterige ritme doet de vertaling van De Vries ook zeer gedateerd aan, ondanks pogingen in 1988 van prof. dr. J.A.Huisman om, samen met de weduwe van de in 1956 overleden De Vries, het taalgebruik wat te moderniseren. Om zijn strakke ritme te kunnen volhouden zag De Vries zich meermalen genoodzaakt strofen onvertaald te laten of zeer vrij te vertalen. Dat heeft Huisman maar zo gelaten. Ook heeft De Vries de volgorde van de verschillende verzen vaak naar eigen inzichten veranderd en ook dat heeft Huisman maar voor rekening van De Vries gelaten.
Marcel Otten heeft voor de zesde druk gebruikt gemaakt van de nieuwste wetenschappelijke inzichten over het IJslandse manuscript, dat voordien op bepaalde plaatsen vrijwel onleesbaar was, zodat verschillende autoriteiten hier hun eigen, vaak foutieve invulling van hebben gegeven. Dankzij de moderne wetenschap is het hele manuscript nu leesbaar geworden en Otten heeft zijn vertaling hiernaar aangepast. De Edda van Otten is prettig leesbaar, plechtig, zoals het een Middeleeuws epos betaamd, maar toch modern en heel natuurlijk aandoend Om een indruk te geven van de verschillende tussen beide vertalingen moge het eerste vers volstaan. Bij De Vries heet dat:

Stilte verzoek ik
de heil'ge geslachten.
de grote en kleine
kindren van Heimdal;
ik wil nu, Odin,
wijsheid verkonden;
de oude sagen,
die als eerste ik ken.

Marcel Otten geeft dit weer als:

Stilte! eis ik van jullie, goddelijke schepsels,
van hoog tot laag, nazaten van Heimdal.
Walvader, jij wil dat ik allen vertel
over de oudste verhalen uit ons verre verleden.

Bij een vertaling van een dergelijke verzameling oude gedichten is het altijd een open vraag of bepaalde namen vertaald moeten worden, omdat ze oorspronkelijk ook iets betekenden, of onvertaald gelaten. Zo kiest De Vries ervoor de reus Ymir gewoon zo te noemen en vertaalt Otten dit als Bruller, net als hij spreekt over de Zieneres, waar De Vries ervoor kiest Wolwa onvertaald te laten. Het is maar waar je de voorkeur aan geeft. Bij de vertaling van De Vries worden veel zaken in voetnoten toegelicht. Bij Otten zijn de uitgebreide en zeer waardevolle aantekeningen opgenomen achter de gewone tekst. Dat vraagt flink wat heen en weer bladeren tijdens het lezen als je de toelichting bij de tekst steeds wilt nalezen. Wel handig is de zeer uitgebreide index (37 pag.) die Otten geeft. Die had ik moeten hebben bij het schrijven van de encyclopedie. De Vries geeft namelijk helemaal geen index. Kortom: warm aanbevolen, de Edda van Otten. (Ko)

Lilith

Het donkere vrouwelijke

door Barbara Black Koltuv
136 blz.; € 15,50
Met 32 afbeeldingen
Symbolon, 2003
ISBN 90 74899 50 1

Lilith is een fascinerende verschijning. In onze Encyclopedie van Westerse Goden en Godinnen hebben we een artikel over Lilith opgenomen. In de Soemerische mythe van de hoeloepoeboom, die in 3000 v.Chr. werd opgetekend, wordt ze voor het eerst genoemd.Voor de Soemeriërs was Lilith de donkere kant van de Grote Godin Inanna. De scheppende en tegelijk vernietigende kracht van Lilith werd bewonderd en gevreesd. Ze werd afgebeeld met vleugels en de klauwen van een roofvogel. De Soemeriërs noemden haar Lil, wat 'storm' betekent. De Akkadiërs en Babyloniërs kenden haar als Lilitoe, maar ze is bekend geworden onder de Hebreeuwse vorm van haar naam, Lilith.
Lilith weigert zich aan wie dan ook te onderwerpen. In de Soemerische mythe woont ze in de hoeloepoeboom, tussen een slang, die zich in de wortels ophoudt en een vogel in de takken. Als de held Gilgamesj de boom omhakt, trekt Lilith zich terug in de wildernis. In de Bijbel wordt gezegd dat na de verwoesting die God in de stad Edom zal aanrichten, alleen Lith zich daar nog zal thuisvoelen. De Joodse traditie, zoals die in de Oudheid en vroege Middeleeuwen werd opgetekend in de gezaghebbende Rabbijnse geschriften van de Talmoed en in de mystieke geschriften van de Zohar, noemt Lilith vele malen. Barbara Koltuv geeft een uitstekend en gedetailleerd overzicht van deze verwijzingen. Ze laat zien hoe Lilith vereenzelvigd werd met de slang die Eva in het paradijs tot de zonde verleidde. Tegelijk was Lilith het vrouwelijke deel van Adam, dat zich van hem had losgemaakt toen hij haar probeerde te overheersen. Lilith en Eva werden in de Joodse traditie beiden als zondig gezien, omdat ze Adam ertoe hadden verleid ongehoorzaam aan God te zijn.
In de Middeleeuwen werd Lilith vaak samen met Eva afgebeeld, vertrapt onder de voeten van de Heilige Maagd, die als de nieuwe Eva zondeloos Christus op de wereld had gebracht. Barbara Kultov geeft hier een aantal voorbeelden van. Zelf hebben we andere voorbeelden gezien. In het noordelijke portaal van de St. Deniskathedraal in Parijs is, bijvoorbeeld, te zien hoe Eva gebeten wordt door Lilith, in de gedaante van een slang. Eva zelf is ook deels als monster afgebeeld, met de achterpoten van een roofvogel in plaats van benen, net als Lilith vaak werd afgebeeld. Op de door Joke genomen foto's hieronder is dit te zien.

Als klinisch psychole en Jungiaans analytica analyseert Barbara Koltuv hoe Lilith in feite de donkere kant van de vrouwelijke psyche is. Kennis maken met dit aspect kan een vrouw verrijken en verdiepen of haar te gronde richten. Op deze wijze wordt Lilith niet neergezet als een schrikbeeld in de verwrongen geest van mannen die het vrouwelijke zo ver mogelijk uit hun wereld willen banne, maar als een levende kracht, die je kunt gebruiken om een vollediger mens te worden. Dat geldt voor mannen net zozeer als voor vrouwen. Barbara Koltuv zet Lilith niet neer als alleen maar een psychologische kracht, maar laat ook ruimte open voor een religieuze interpretatie. "Lilith," zegt ze, "is het deel van de Grote Godin dat in de na-bijbelse periode is afgewezen en verdreven." Daar kan ik me helemaal in vinden. (Ko)

Luisteren naar dieren

Spirituele en magische lessen uit het dierenrijk
als sleutel tot zelfkennis en bewustzijnsverruiming

Door Ted Andrews
327 blz.,
Altamira-Becht, 2003 (6e druk)
ISBN 90 230 0929 0

Ted Andrews schreef dit boek in 1993 en de Nederlandse vertaling is alweer aan de zesde druk. Een bewijs dat dit goed geschreven en gedocumenteerde boek naar velen zijn weg heeft gevonden. Of je nu actief bent op het gebied van New Age, hekserij, sjamanisme of wat voor spiritueel gebied dan ook - kennelijk vindt ieder hier iets van zijn of haar gading. Waarschijnlijk is het verbindende element in al deze verschillende groeperingen dat ze proberen de eenheid met de natuur en het dierenrijk te herstellen. Het boek van Andrews kan daarbij een goede hulp zijn. Hij zegt zelf hierover: "Met zijn totemdieren als instrument streeft een sjamaan ernaar het bewuste leven van de mens opnieuw in harmonie te brengen met de natuur en de geestelijke wereld. Voorstellingen van het dier helpen hem boven zijn normale waakbewustzijn uit te stijgen, zodat hij of zij zich gemakkelijk kan afstemmen op meer etherische sferen en entiteiten. Wij kunnen hetzelfde doen." Door middel van kennis van het dierenrijk, dat Andrews indeelt in totemvogels, totemdieren en insecten, kunnen we dichter bij deze werelden komen en leren samen te werken met de dieren. Dit zal de aarde en haar bewoners te goede komen. De auteur geeft vele oefeningen om je af te stemmen op het dierenrijk. Aanbevolen! (Joke)

Witches, Druids and King Arthur

door Ronald Hutton
325 blz.; € 28,20
Hambledon & London, 2003
ISBN 1 85285 397 2

Door de jaren heen heeft Ronald Hutton zich geprofileerd als wetenschapper (professor in de geschiedenis aan de Universiteit van Oxford) en deskundige op het gebied van het Moderne Heidendom. Daarbij gaat het hem als historicus met name om de wortels van dit heidendom in de Oudheid en Middeleeuwen. In zijn in 1991 verschenen The Pagan Religions of the Ancient Britsh Isles kwam hij tot de conclusie dat het Moderne Heidendom niet is geënt op het Heidendom uit de Oudheid en dat ook Wicca een dergelijke claim niet heeft waargemaakt. In The Stations of the Sun (1996) ontmantelde hij de veronderstelling dat de Jaarfeesten, die door Wicca's en andere Heidenen worden gevierd, gebaseerd zouden zijn op oude, Heidense feesten. Op deze boeken kan men tegen hebben dat Hutton wel erg hoge eisen aan het beschikbare materiaal stelt en de oudheid ervan ontkent als dat ook maar enigszins betwijfeld kan worden. In The Triumph of the Moon - a History of Modern Pagan Witchcraft (1999) stelde Hutton zich veel positiever op naar Wicca toe. Hij ontkende nog steeds - op overigens goede gronden - dat Wicca vanuit de Oudheid ononderbroken was doorgegeven, maar liet nu veel duidelijker de essentie van Wicca, en het belang van deze religie voor de moderne tijd, zien. In zijn laatste boek, Witches, Druids and King Arthur, zet deze trend zich voort. Hij stelt dat Wicca niet kan worden afgedaan als een cultus en als een 'full-blown religion' (p 193) moet worden beschouwd. Wicca, zegt Hutton (p 279), is in feite de enige religie die Engeland de wereld ooit heeft geschonken.
Zoals de titel al doet vermoeden is dit geen boek, maar een verzameling van, deels al eerder gepubliceerde, artikelen, over verschillende onderwerpen. In 'Arthur and the Academics' veegt Hutton de vloer aan met de Arthurmythen, die door goedgelovigen voor waar worden aangenomen, zonder dat hier enige grond voor is. Het bedevaartsoort Glastonbury vaart wel bij de nog steeds voortdurende Arthurrage, maar volgens Hutton is er geen enkel bewijs dat Arthur hier iets mee te maken heeft gehad. Dat Arthur in de kathedraal van Glastonbury begraven zou liggen, is tijdens de reformatie onder Hendrik VIII bedacht door slimme monniken, die zo voorkwamen dat de kathedraal zou worden afgebroken.
De hoofdstukken 'The New Old Paganism' en'Paganism in the Missing Centuries' zijn naar mijn mening gemiste kansen. Hutton verliest zichzelf voortdurend in details, die te diep worden uitgespit voor een algemeen publiek, en slaagt er niet in de grote lijnen van het verband tussen het oude en het nieuwe Heidendom zichbaar te maken. Zo gaat hij voorbij aan het feit dat veel rituelen en gebruiken van het Heidense Romeinse Rijk door de Roomskatholieke kerk zijn aangepast en vervolgens door Moderne Heidenen teruggeplaatst in een heidense context. Ik denk bijvoorbeeld aan het gebruik van wierook, of het verrichten van rituele handelingen om de kracht van het oude op het nieuwe over te brengen.
In het hoofdstuk 'A modest look at Ritual Nudity' komt Hutton tot de conclusie dat rituele naaktheid door de eeuwen heen meer is verbonden met magie dan met religie en daarom wordt toegepast in de Wicca, waar magie een grotere rol speelt dan in andere religies.
In 'The Inklings and the Gods' laat Hutton zien dat Tolkien oorspronkelijk een mythologisch kader had ontworpen waarbinnen Goden en Godinnen de gang van zaken bepaalden in 'The Lord of the Rings'. Alleen was er in de 50-er jaren van de vorige eeuw geen uitgever te vinden die een dergelijk heidens epos wilde uitgeven. Tolkien gaf toe en plaatste zijn meesterwerk in een wereld zonder Goden of Godinnen. Pas later, toen 'The Lord of the Rings' al een bestseller was, werkte hij deze mythologie toch uit. Na zijn dood werd dit als 'The Silmarillion' door zijn zoon voltooid en uitgegeven.
Het hoofdstuk 'The new Druidry' geeft weinig aanvullende informatie over het doen en laten van moderne Druïden voor wie de boeken van Philip Garr-Gom heeft gelezen, maar misschien denken Druïden zelf hier anders over.
In het hoofdstuk 'Living with Witchcraft' geeft Hutton een zeer persoonlijk verslag van hoe het is om objectief een onderwerp als Wicca te beschrijven, waarbij hij door Wicca's zelf als te streng in de leer werd beschouwd, terwijl zijn vakgenoten het onderwerp liever negeerden. Dat hij, ondanks alle problemen en tegenwerkingen, Wicca's bewondert en waardeert en ook door hen op waarde wordt geschat, blijkt duidelijk uit dit hoofdstuk, dat oorspronkelijk in 'Triumph of the Moon' zou worden opgenomen, maar destijds te controversieel werd gevonden. Hutton heeft Wicca een plaats gegeven in de geschiedenis van de religie. Daarvoor kan elke Wicca hem dankbaar zijn. Een aanrader. Leuke cover trouwens. (Ko)

Eko Eko

Een halve eeuw Wicca

door Jan de Zutter
254 blz., fotokatern 16 blz.
Houtekiet, 2003.
ISBN 90 5240 733 9

Eko Eko is een bewerking van De schaduw van de maan, dat Jan in 1994 publiceerde. De tekst is hier en daar herzien en er zijn een aantal nieuwe hoofdstukken toegevoegd. In de hoofdstukken over Gerald Gardner en Alex Sanders vat Jan de informatie uit recente publicaties van o.a. Ronald Hutton, Aidan Kelly en Philip Heselton samen. Hierin wordt de mythe ontluisterd dat Gardner en Sanders waren ingewijd in een bestaande traditie. Eerder lijkt Gardner uit verschillende bronnen te hebben geput om de Wicca vorm en inhoud te geven.In de hoofdstukken 'Heksjes opvoeden' en 'Het grote jongensfeest' geeft Jan een aantal suggesties om kinderen, die nog te jong zijn om ingewijd te worden of aan de gewone rituelen deel te nemen, toch de mogelijkheid te bieden iets van de paganistische sfeer te proeven, zodat ze later eventueel kunnen besluiten dit pad te kiezen. Voor wie De schaduw van de maan en de boeken van Hutton en Heselton heeft gelezen, heeft dit boek niet veel nieuws te bieden. Anders is het een mogelijkheid om een reeds lang uitverkochte klassieker op Wiccagebied, gestoken in een nieuw jasje, in je bezit te krijgen. (Ko)

Witchcraft and the Book of Shadows

door Gerald B. Gardner
Samengesteld door A.R.Naylor
295 blz.; € 26,65
I-H-O Books, 2004
ISBN 1 872189 52 0

De afgelopen jaren heeft uitgeverij I-H-O Books zich beijverd om de boeken van Gerald Gardner beschikbaar te maken voor een groot publiek, niet alleen Meaning of Witchcraft en Witchcraft Today, maar ook zijn al vele jaren uitverkochte romans A Goddess arrives (1939) en High Magic's Aid (1949). A.R. Naylor heeft de verschillende, al eerder gepubliceerde, versies van het Boek der Schaduwen met elkaar vergeleken en naar onderwerp gerangschikt. Van elk onderwerp citeert hij, met exacte bronvermelding, wat Gardner hier in zijn verschillende boeken over heeft gezegd en geeft soms de bronnen waar Gardner uit heeft geput. Misschien geen spannend boek voor de beginnende heks, maar een reuze handig naslagwerk voor wie eens even wil nakijken waar en wat Gardner ook weer heeft gezegd over een bepaald onderwerp.(Ko)

Aanbevolen boeken

De lijst is onderverdeeld in drie groepen. De eerste groep bestaat uit boeken die we sterk aanraden aan iedereen die zich in Wicca wil verdiepen. De tweede groep betreft boeken die aanbevolen kunnen worden als je de boeken in groep 1 al hebt gelezen en nog steeds geïnteresseerd bent in Wicca. Boeken in de laatste groep zijn aan te bevelen als je al wat langer met Wicca bezig bent en je wilt verdiepen in achtergronden of specifieke onderwerpen. De meeste boeken zijn in de boekhandel of bibliotheek te vinden.

Groep 1

Groep 2 Groep 3