Kybele en Attis

Vrijwel alle religies uit de Oudheid zijn gebaseerd op de verering van een Grote Godin en haar geliefde. De Godin heerste over de hemel, de aarde en het dodenrijk. De bakermat van deze religie is AnatoliŽ, het huidige Turkije. AnatoliŽ werd door archeologen beschouwd als een achtergebleven gebied tot James Mellaart tussen 1961 en 1965 «atal HŲyŁk uitgroef. Dit was tussen 6800 en 5500 v.Chr. met een oppervlakte van 13 hectare, de grootste stad op aarde.

Het niet ver daar vandaan gelegen Hacilar was een kleinere stad, waarin tussen 6000 en 5000 v.Chr. de religie van «atal HŲyŁk voortleefde en werd verspreid over het Nabije Oosten. Mellaart typeerde deze religie als 'een Godin die in haar drie aspecten optreedt: als jonge vrouw, als barende moeder of als een oude vrouwÖ Een mannelijke God treedt vaak op in twee aspecten, als jongen of jongeling, de zoon van of een aanbidder van de Godin, of als een oudere God met een baard, vaak afgebeeld op een stier, zijn heilig dier.'(Het Nabije Oosten, p. 92).

Als jonge vrouw vertegenwoordigde de Godin liefde, vruchtbaarheid en de potentie nieuw leven voort te brengen. Een door Mellaart gevonden afbeelding, in gebakken klei ( voor een reproductie zie afbeelding linksboven), toont de Godin op een troon, geflankeerd door twee luipaarden, bezig een kind te baren. Het beeld werd gevonden in een graanvoorraadschuur en was duidelijk bedoeld om de vruchtbaarheid van de Godin op het nieuwe graan over te brengen. De Godin had ook te maken met aftakeling en de dood. Soms werd ze afgebeeld met een gier. Muurschilderingen laten gieren zien die voor hen neergelegde lijken opeten.

Duidelijk is dat zowel de Godin als de God in AnatoliŽ werden vereenzelvigd met dieren. De Godin werd, staand, liggend of zittend op een troon, afgebeeld als vrouw, maar vaak wel met een of meer dieren in haar nabijheid. De God werd soms afgebeeld als man, maar vaker als een luipaard, stier of ram. De Godin rijdt soms op een luipaard, gekleed in luipaardvel. De Godin werd ook afgebeeld met een kind in haar armen, zoals in Hacilar ( voor een reproductie zie afbeelding rechtsboven). De God werd ook vaak afgebeeld als stier in muurschilderingen of in de vorm van in tempels geplaatste stierenkoppen.

Na een bloeiperiode in het 7e en 6e millennium v.Chr. speelde AnatoliŽ een ondergeschikte rol in het Nabije Oosten tot de Hittieten rond 2000 v.Chr. dit gebied in bezit namen en er een machtig rijk stichtten dat ze 800 jaar in stand zouden houden. In de grote tempel van Karkemisj, gelegen aan de Eufraat en op de grens met het Oud-Babylonische rijk, bloeide in het 2e millennium v.Chr. de cultus van Kybele (Kubaba) op. Kybele lijkt te zijn voortgekomen uit plaatselijke voorstellingen van de Anatolische Grote Godin. Ze werd onder vele namen en in vele verschijningsvormen aanbeden. Assyrische spijkerschriftinscripties van een handelspost in KappadociŽ in AnatoliŽ uit 1900 v.Chr. noemen een priester van Kubabat. Vrouwen uit die tijd heten soms Sili-Kubabat (Kubabat beschermt mij). In de 17e eeuw eeuw v.Chr. komt in Noord-SyriŽ de naam Alli-Kubaba (Kubaba is de Godin) regelmatig voor. De naam van de Godin kan herleid worden tot het Semitische woord voor kubus. Dit woord is ook te herkennen in de Kašba, de kubusvormige tempel in Mekka waarin de Godinnen Al-Oezza, Al-Lat en Manat als een witte kubusvormige steen aanbeden werden.

Ook in Petra in het huidige JordaniŽ werd Al-Oezza vanaf de 7e eeuw v.Chr. in die vorm aanbeden door de NabateeŽn, een Arabische stam die de stad uit de rotsen had gehakt. Op een bergtop bevindt zich nog steeds een obelisk (zie foto links) die is gemaakt door de rots er omheen weg te beitelen, De rots vertegenwoordigde Al-Oezza. Het heiligdom vormt, anders dan de Egyptische obelisken, ťťn geheel met de bodem en is dus een bijzonder krachtig symbool voor Moeder Aarde. Al-Oezza werd in Petra gelijkgesteld aan de Syrische Godin Atargatis, die net als Kybele met name in Karkemisj (zie onder) werd vereerd. Kybele en Kubaba werden, net als Atargatis, als vrouw afgebeeld op een kubusvormige troon en met een kubusvormig bankje onder de voeten. Soms werd ook Kybele zelf als een steen voorgesteld. Nog in de Romeinse tijd werd ze in Pessinus (zie onder) vereerd in de vorm van een steen, zij het geen witte steen, maar een zwarte meteoriet.

De cultus van Kybele vond haar definitieve vorm in Karkemisj, een belangrijke stad in het rijk van de Hittieten. Een document in de archieven van Oegarit uit 1300 v.Chr. spreekt over 'Vrouwe Kubaba, heerseres over het land van Karkemisj. De cultus van de Godin was diep geworteld in de Anatolische traditie. In zijn standaardwerk Kybele and Attis herleidt professor Maarten Vermaseren haar cultus tot de verering van de Godin in «atal HŲyŁk. Ook Kybele werd afgebeeld zittend op een troon, geflankeerd door luipaarden of leeuwen, met een kroon op haar hoofd, die aangaf dat ze heerste over de hemel en de aarde. In het Museum voor Anatolische Beschavingen in Ankara bevindt zich een reliŽf waarop Kubaba op haar troon zit, geflankeerd door leeuwen, een spiegel in haar rechterhand en een granaatappel in de linker, terwijl priesteressen naar haar toe lopen, met graanhalmen in de rechterhand en een staf in de linker (zie onderstaande foto's). Achter de prieseressen volgden musici met fluiten en tamboerijnen de stoet.

Vanuit Karkemisj verspreidde de cultus van Kybele zich over heel AnatoliŽ. De FrygiŽrs, die rond 1200 v.Chr. AnatoliŽ veroverden, namen haar cultus over en noemden haar trots hun nationale Godin. In de loop van de 12e eeuw v.Chr. moesten de FrygiŽrs de kustgebieden afstaan aan de Grieks sprekende TraciŽrs en IoniŽrs, maar behielden wel het Anatolische binnenland. Hoewel de Frygische taal nog niet is ontcijferd, kan de betekenis van Kybele worden afgeleid uit Frygische afbeeldingen en Griekse beschrijvingen uit de Oudheid. Vaak werd de Godin 'Koningin van Karkemisj' genoemd, al waren er in AnatoliŽ vele andere tempels waar ze werd aanbeden. De Frygische koning Midas (725-675 v.Chr.) gaf opdracht tot het bouwen van een grote tempel voor Kybele in Pessinus, gelegen in Centraal AnatoliŽ. Pessinus verving al snel het vaak door oorlogen verwoeste Karkemisj als centrum voor de verering van de Godin.

Wanneer Attis voor het eerst aan Kybele is gekoppeld als haar geliefde, is niet bekend. De mythen rond Attis zijn duidelijk geŽnt op de oudere verhalen rond Doemoezi, de geliefde van de Mesopotamische Grote Godin Inanna en de mythen rond Tammoez, de geliefde van de Babylonische Grote Godin Isjtar. In ieder geval speelde Attis in de oudste Hittitische verhalen al een rol. Hij zou tijdens de jacht door een wild zwijn zijn aangevallen en onder een pijnboom zijn gestorven. Volgens de Griekse geschiedschrijver Herodotos (4e eeuw v.Chr.) was Attis een zoon van Croesus, de koning van LydiŽ. In een droom was Croesus onthuld dat Attis door een ijzeren speer gedood zou worden. Croesus doet alles om dit noodlot voor zijn zoon te ontlopen, maar tijdens de jacht op een wild zwijn wordt Attis per ongeluk door een speer van een van de andere deelnemers aan de jacht gedood. Kybele wordt niet genoemd in dit verhaal. Attis is net getrouwd, maar de naam van de vrouw wordt niet genoemd.

Mythen over Attis zijn tot de 4e eeuw n.Chr. opgetekend. Soms is hij een gevleugelde Berggod, soms een prins of een schaapherder, soms een koningszoon die te vondeling is gelegd en door geiten of schapen is grootgebracht. Meestal is hij de geliefde van Kybele, maar altijd vindt hij de dood. Soms wordt hij door Kybele beschuldigd van ontrouw, waarna hij waanzinnig wordt en zichzelf castreert en sterft. Meestal groeien viooltjes of andere gewassen op uit zijn bloed dat op de grond valt. Al deze mythen zijn te verklaren als metaforen die het afsterven van de vegetatie en het ontkiemen van het nieuwe leven beschrijven. Attis vertegenwoordigde de vegetatie, die stierf met de geoogste gewassen. In het voorjaar werd hij weer herboren in de ontkiemende zaden. In de 6e eeuw v.Chr. werd Kybele afgebeeld met een kind in haar armen. Het kind droeg de bekende Frygische muts waarmee Attis altijd werd getooid. De FrygiŽrs noemden Attis 'de groen geoogste graanhalm.' Vaak werd Kybele afgebeeld met een leeuwtje op haar schoot.

Onderstaande afbeeldingen laten de invloed van Kybele op verschillende Griekse Godinnen zien.
Rechts is Hera afgebeeld in de Griekse kolonie Paestum in ItaliŽ, 420 v.Chr., waar ze in die tijd de belangrijkste Godin was. In haar rechterhand houdt ze een schaal en in de linker een granaatappel. Ze zit op een troon die uitloopt op een kroon, zoals Kybele die draagt.
Links is een Romeinse variant van de Artemis van Efese. Het is geen kopie van de in Efese gevonden beelden, maar een geheel eigen creatie. Het beeld is van marmer, het hoofd, de handen en voeten zijn van brons. Op haar hoofd draagt de Godin een toren, net als Kybele vaak wordt afgebeeeld. Op haar gewaad zijn leeuwen, paarden en andere dieren afgebeeld.
De middelste afbeelding is Afrodite uit Aphrodisias, nu Turkije. In de 1e eeuw v.Chr. werd Afrodite hier afgebeeld in een lang gewaad dat haar, net als Artemis van Efese, laat zien als de koningin van de hemel en de aarde. Op haar hoofd draagt ze een hoge, torenvormige kroon. Tussen haar borsten hangt een maansikkel.

De Grieken namen in de kuststeden in AnatoliŽ de cultus van Kybele en Attis over en verspreidden deze over het Middellandse Zeegebied. De Grieken zagen Gaia (Moeder Aarde) en Rhea als Moedergodinnen van de inheemse bevolking van Griekenland, voortgekomen uit een in hun ogen barbaarse cultuur waar ze maar liever afstand van namen. Dan vereerden ze liever Kybele.

In Delphi werd Kybele rond 525 v.Chr. afgebeeld terwijl ze met haar leeuwen strijd leverde tegen de Giganten - de reusachtige wezens die Oeranos bij Gaia had verwekt. De cultus van Kybele had weliswaar ook elementen die de Grieken tegenstonden, zoals priesters die zichzelf castreerden omdat Attis dat ook gedaan zou hebben en wilde, extatische rituelen, waarbij de priesters, Korybanten of Galli genaamd, dansten op de muziek van trommels en cymbalen, terwijl ze de zwaarden die ze altijd bij zich hadden ritmisch tegen hun schilden sloegen.

Die extatische rituelen lieten de Grieken min of meer buiten beschouwing - alsof ze niet meer dan een randverschijnsel waren. Ze maakten van Kybele een Griekse Godin, die volgens Griekse tradities vereerd werd. In Piraeus, de havenstad van Athene, waar verschillende heiligdommen voor Kybele waren gebouwd, had de Godin zelfs priesteressen, geen oosterse priesters, die zichzelf castreerden.

Kybele werd vergeleken met of gelijkgesteld aan Godinnen als Gaia, Demeter of Hera. Artemis, de Godin die als Vrouwe van de Wilde Dieren in AnatoliŽ en Griekenland werd vereerd, werd ook vaak aan Kybele gelijkgesteld. Een reliŽf uit Kula in LydiŽ, dat zich nu in het Louvre bevindt, toont volgens de Griekse inscriptie drie Godinnen: Demeter, Artemis en Nike. Artemis zit op een troon tussen twee leeuwen, een maansikkel boven haar hoofd, terwijl Nike een lauwerkrans naast haar hoofd houdt. Rond 400 v.Chr. maakte de beroemde Griekse beeldhouwer Phidias (of een leerling van hem) een beeld van Kybele, dat sindsdien vele malen is nagevolgd. De Godin zit op haar troon tussen twee leeuwen en draagt een schaal voor plengoffers in haar ene hand, een tamboerijn in de andere.

Attis werd wel vereerd door de Grieken, maar eerder in kleine, besloten rituelen dan in grote, officiŽle manifestaties. In de 4e eeuw v.Chr. werden op verschillende plaatsen in Griekenland nachtelijke ceremoniŽn voor Attis georganiseerd. De deelnemers liepen door het bos en riepen zijn naam.

In alle gebieden waar Grieks werd gesproken, verschenen tempels en altaren voor Kybele. Tijdens een epidemie in Athene in 425 v.Chr. gaf een orakel aan dat een priester van Kybele in een ravijn was gegooid. Als verzoening bouwden de Atheners een Metroon, zoals tempels voor Kybele ook elders genoemd werden.

Kybele werd door de Grieken vooral gezien als beschermvrouwe van de steden waar haar tempels stonden. Daarom werd ze afgebeeld met een toren of ommuurde stad op haar hoofd, een eer die anders alleen Tyche te beurt viel. Ook de Graangodin Demeter en Artemis van Efese werden aan Kybele gelijkgesteld.

Aan het eind van de 3e eeuw v.Chr. kwam het Nabije Oosten onder invloed van het Romeinse rijk, dat zijn greep op dit gebied met oorlogen en verdragen verstevigde. De extatische cultus van Kybele en Attis werd door de Romeinen met argusogen bekeken. Toen Hannibal met zijn leger door ItaliŽ trok en dreigde Rome in te nemen, werden de Sibyllijnse boeken als orakel geraadpleegd. Het orakel onthulde dat de Anatolische Grote Moeder naar Rome gehaald moest worden en dat zij de stad dan zou beschermen. In 204 v.Chr. werd de zwarte meteoriet die in Pessinus als beeld van Kybele werd vereerd, naar Rome overgebracht. Hannibal werd kort daarop verslagen. De overwinning werd aan de Grote Moeder toegeschreven en ze kreeg een eigen tempel in Rome. De zwarte steen uit Pessinus werd onderdeel van een groot zilveren beeld dat voor de Godin werd opgericht. De tempel brandde verschillende malen af, maar werd tot de 5e eeuw steeds herbouwd. Op 10 april werd jaarlijks de inwijding van de eerste tempel tijdens de Megalensia, een feest ter ere van de Grote Moeder, herdacht.

Onderstaande reliŽfs in de bovenste rij zijn gevonden tijdens de opgraving van de agora (markt) van de oude stad Smyrna, onder het huidige Izmir aan de Turkse westkust. Kybele staat tussen twee leeuwen, een schaal voor plengoffers in haar rechterhand en een tamboerijn in de linker.Rechts achter haar staat de jonge Attis, links de baardige Zeus. De reliŽfs zijn gemaakt in de Hellenistische periode, in de 2e of 1e eeuw v.Chr. Meestal zijn dergelijke reliŽfs een wijgeschenk aan de plaatselijke tempel, om een gelofte in te lossen, maar ze werden ook wel op huisaltaren geplaatst.
De afbeelding middenonder is gevonden is een centrum voor de Kybelecultus op de berg Panayir bij het 50 km ten zuiden van Smyrna gelegen Efese, een plaats die vanaf 1250 v.Chr. bewoond is. Vanaf 800 v.Chr. heeft daar een heiligdom voor Kybele bestaan.
De afbeelding linksonder is afkomstig uit de stad Metropolis, die halverwege Smyrna en Efese lag. Metropolis was al in de Bronstijd een centrum voor de verering van Kybele. De naam is een verbastering van Matrapolis, d.w.z. Moederstad.
De herkomst van de afbeelding rechtsonder, eveneen s te zien in het Museum van Efese, is niet bekend.
De grote overeenkomst van de reliŽfs uit de verschillende plaatsen is opvallend.

De Romeinen duidden Kybele aan als Magna Mater (Grote Moeder) en Mater Deorum (Moeder van de Goden) en verspreidden haar cultus over het Romeinse rijk. Ze werd in al haar glorie afgebeeld met haar leeuwen, soms op haar troon of in een door leeuwen getrokken wagen. In haar ene hand droeg ze een scepter, als teken van haar koninklijke macht, in de andere een tamboerijn, als teken dat zang en dans tot haar rituelen behoorden. Tempels en afbeeldingen van Kybele zijn gevonden in vrijwel alle provincies van het Romeinse rijk, van Egypte en de Noordafrikaanse kust tot aan Engeland en Duitsland, daterend van 600 v.Chr. tot de 4e eeuw van onze jaartelling. In ons land zijn beeldjes van Kybele gevonden in de Romeinse nederzettingen bij Nijmegen en Vechten.
De in Zeeland gevonden afbeeldingen van de Godin Nehalennia zijn duidelijk geÔnspireerd op de op haar troon zittende Kybele. Nehalennia is niet bekend uit de literatuur, alleen uit de wijstenen die zijn gevonden bij Colijnsplaat, Zeeland. De reliŽfs dateren uit de 2e of 3e eeuw n.Chr. Zie de onderste foto's.

Kybele werd door de Romeinen officieel in hun pantheon opgenomen, maar toch hadden ze veel moeite met haar cultus. Met de steen uit Pessinus waren priesters meegekomen die haar en Attis dienden. Priesters die zichzelf castreerden en zichzelf tot bloedens toe geselden tijdens de rituelen, stuitten de Romeinen tegen de borst. Ze deden er alles aan om de invloed van Attis en de priesters tot een minimum te beperken. Het werd aan Romeinen verboden om zichzelf te castreren en priester van Attis en Kybele te worden. De oosterse priesters die uit Pessinus waren meegekomen, mochten het tempelcomplex niet verlaten. Alleen tijdens de Megalensia was het de priesters toegestaan in processie door de straten van Rome te lopen en daar te dansen. Onder de keizers Augustus (27 v.Chr. - 14 n.Chr.) en Claudius (41-54 n.Chr.) nam de verering van Kybele en Attis een grote vlucht. De cultus werd hervormd, zodat Romeinse burgers priester van Kybele en Attis konden worden zonder dat ze zichzelf hoefden te castreren. Onder Claudius kreeg Attis voor het eerst een officiŽle en openbare cultus.

Tijdens het Romeinse Voorjaarsfeest werd een beeldje van Attis aan een boom gehangen en na drie dagen begraven, waarna priesteressen om zijn dood weenden. Na drie dagen, op 25 maart, werd het beeldje weer opgegraven en werd op rituele wijze zijn wederopstanding gevierd. Het beeldje werd aan een boom gehangen. Zie het artikel over Attis voor een uitgebreidere beschrijving van het Voorjaarsfeest.

Op 27 maart werd het beeld van Kybele uit de tempel gehaald en in processie naar de Almo, een zijriviertje van de Tiber, gebracht. Daar werd het de door hogepriester van Kybele ondergedompeld en met as ingewreven. De Godin werd gevraagd of ze terug wilde naar de stad. Hoe de Godin dit kenbaar maakte, is niet bekend, maar altijd werd het beeld naar de tempel teruggebracht. De jaarlijkse rituele onderdompeling van het beeld van de Grote Godin was in het Nabije Oosten een algemeen gebruik. Hiermee werd de Godin gereinigd en verjongd, zodat de aarde opnieuw vruchtbaar zou worden.

Kybele werd al in de Oudheid een symbool voor de macht en autoriteit van een stad. Een beeld van Minerva uit de tijd van keizer Domitianus (81-96 n.Chr.) werd al snel omgevormd tot een beeld van Dea Roma, geŽnt op de afbeeldingen van Kybele, die de stad Rome vertegenwoordigde. Zie de foto linksonder.
Door de Christenen werd de maagd Maria meestal voorgesteld met een torenhoge kroon. Hierdoor nam ze de plaats in van Kybele. Zie de afbeelding rechtsonder, het beeld van Onze Lieve Vrouw Vogelsangh uit 1510 in het altaar van de Munsterkerk in Roermond.
Paus Pius VI (1775-1799) had de gewoonte overal in Rome beelden en gebouwen te laten neerzetten, waarbij hij dan de tekst liet zetten: 'Munificentia Pii Sext', d.w.z. 'geschonken door Pius VI'. Een van de marmeren beelden die Pius het volk schonk, is de afbeelding middenonder, een Romeinse kopie van een Grieks bronzen beeld van Tyche van AntiochiŽ uit de 1e eeuw v.Chr. De Godin draagt een torenkroon en graanhalmen in haar hand. Het beeld is te zien in de door deze paus gestichte Vaticaanse Musea.

Door de eerste christenen werd de cultus van Kybele en Attis uitzonderlijk fel bestreden. De mysteriereligies die rond Kybele/Attis, Mithras en Isis waren ontstaan, vormden in de eerste eeuwen van onze jaartelling belangrijke stromingen, die het christendom dreigden te overvleugelen. De kruisiging en wederopstanding na drie dagen van Jezus leek teveel op het heidense voorjaarsfeest rond Attis. Ook kon Kybele als Grote Moeder gezien worden als het voorbeeld van Maria, net als dat met Isis het geval was. Zodra het christendom onder Constantijn de Grote (306-336 AD) werd verheven tot staatsgodsdienst, werden de rituelen van Kybele en Attis verboden. Keizer Julianus herstelde de heidense religies, waaronder de verering van Kybele en Attis, in ere, maar was te kort aan de macht (361-363 AD) om de opmars van het christendom te stuiten. Toch bleef de cultus rond Kybele en Attis nog lang voortbestaan. De tempel van Kybele werd tot de 5e eeuw gebruikt, maar brandde toen af en werd niet meer herbouwd. De zwarte steen uit Pessinus is nooit teruggevonden.

Nog eeuwenlang werd Kybele als moeder van Jezus vereerd, hoezeer de kerkvaders ook tegen haar van leer trokken. Augustinus (354-430) noemde haar minachtend Dea Meretrix (Godin van de hoeren). HiŽronimus (347-419) waarschuwde dat Kybele geen Mater Deorum (Moeder van de Goden) was, maar een Mater Daemoniorum (Moeder van de Demonen). Er was overigens een belangrijk verschil tussen Kybele en Maria. Kybele was niet de moeder van Attis, maar zijn geliefde. Ze was de universele moeder van al wat leefde: planten, dieren, mensen, Goden en Godinnen. Binnen het christendom was alleen God hiervoor verantwoordelijk en was het ook God zelf die Maria maakte tot Mater Deum (Moeder van God). De moederrol van Maria, met het kindje Jezus in de armen, was niet geŽnt op de cultus van Kybele, maar die van Isis.