Samhain

Voor ons begint de winter op 21 december, het wintersolstitium. Maar eigenlijk zijn we dan al halverwege de winter en spreken daarom van Midwinter.

Het Winterfeest, het begin van de winter, is een ander feest.

Voor de Kelten, Germanen, Slaven en andere Indo-Europese volkeren begon de winter op een uiterst belangrijk en magisch moment in het jaar, dat met een ritueel en groot feest werd opgeluisterd.

Door Wicca's en andere moderne heidenen wordt dit feest meestal Samhain (spreek uit: zou-in) genoemd en gevierd op 31 oktober.

Het Iers-Keltische Samhain is slechts een van de vele Indo-Europese Winterfeesten, die veel eigenschappen gemeen hebben, al werden ze op verschillende data gevierd.

Op deze pagina zullen de verschillende data die min of meer als Winterfeest gevierd zijn, besproken worden. Aangezien hier veel onduidelijkheid over bestaat, zullen we uitgebreid op deze feesten ingaan.

De essentie van het Winterfeest

Voor alle Indo-Europese stammen was het begin van de winter een belangrijk moment. Het was de afsluiting van het oogstseizoen en de voorbereiding op de winter door het slachten van een aantal dieren en het aanleggen van een wintervoorraad.

In de deuren van de kathedraal van Saint Denis in Frankrijk zijn in 1140 de maanden van het jaar afgebeeld in reliŽfs die de belangrijkste gebeurtenissen van die maand uitbeelden. In oktober (zie foto links) worden de varkens vetgemest. In november (zie foto rechts) worden de varkens geslacht en opgehangen als wintervoorraad.

Voor alle Indo-Europese stammen gold het begin van de winter als het begin van het nieuwe jaar. Alleen konden plaatselijk grote verschillen optreden in de datum die hiervoor werd aangehouden, uiteenlopend van begin september tot begin december.

Het Winterfeest was bij al deze volkeren ook het moment dat de doden geacht werden terug te keren naar de wereld van de levenden om er tot na Midwinter te blijven. Het Winterfeest was dan ook in de eerste plaats een Dodenfeest, want de doden brachten voorspoed en geschenken, zoals later Sint Maarten, Sint Nicolaas en andere heiligen dat zouden doen. Omdat het contact met de andere wereld in die tijd gemakkelijker te maken zou zijn dan anders, werd het Winterfeest veelvuldig gebruikt om te divineren (orakelen) om de doden en andere geesten te raadplegen over zaken van levensbelang.

Het begin van de winter

Voor bijna alle beschavingen in de Oudheid begon de nieuwe dag met de avondschemer en tot de vijftiende eeuw was dit in heel Europa, zoals we in de inleidende pagina over de jaarfeesten uiteengezet hebben, de gebruikelijke tijdsindeling. Niet het middernachtelijk uur, maar het vallen van de duisternis deed de nieuwe dag beginnen. Op dezelfde manier werd in veel culturen het begin van de winter en niet Midwinter gezien als het begin van het nieuwe jaar.

Wat als het begin van de winter werd beschouwd, kon echter per stam of streek verschillen. De heidense Kelten en Germanen vierden over het algemeen hiervoor een van de volle manen tussen de herfstequinox en het wintersolstitium en verschillende stammen kozen verschillende data als begin van de winter toen de maankalender vervangen werd door de Romeinse jaarindeling.

De maan werd geassocieerd met heidendom en maanvieringen werden daarom door de christenen onderdrukt. Er zijn talloze afbeeldingen waarin de maagd Maria op de maansikkel staat. Vaak, zoals op de afbeelding links uit 1700, trapt de Heilige Maagd tevens op een draak. Op de afbeelding uit 1897 in de foto rechts staat de Maagd op de maansikkel en een slang. Draken en slangen symboliseren het heidendom dat in de vroege middeleeuwen is onderdrukt. Daarom werd het begin van de winter op een vaste datum bepaald, in plaats van de volle maan.

Alleen is niet overal dezelfde vaste datum gekozen omdat ook niet overal dezelfde volle maan was gebruikt.

Deels zijn de verschillen terug te voeren op geografische factoren. Voor de Germanen was meestal de eerste volle maan na de herfstequinox het begin van de winter. Voor de Kelten, die over het algemeen wat zuidelijker woonden, was dit te vroeg en zij vierden meestal de tweede volle maan na de equinox.

Toen de Saksen overgingen op de Juliaanse kalender kozen ze 1 oktober als begin van de winter en begin van het jaar. Ze vierden dit met een groot feest dat drie dagen duurde. De Saksen en Angelen die zich in Engeland vestigden noemden de eerste volle maan na de equinox Wintirfyllith en beschouwden dit als het begin van de winter. Later werd Wintirfyllith gelijkgesteld aan de maand oktober en begon de winter in Engeland op 1 oktober.

In de Zuidelijke Nederlanden was het begin van de winter eveneens 1 oktober, een dag die Bamis werd genoemd, naar de mis op die dag voor Sint Bavo.

Op IJsland werd tot in de twintigste eeuw niet geteld in jaren, maar in misseri, halve jaren. Volgens deze kalender begon de winterperiode rond 14 oktober en duurde tot omstreeks 14 april.

In ScandinaviŽ vierde men een feest dat Winternachten werd genoemd. Het begon meestal op een zaterdag in de week tussen 11 en 17 oktober en duurde verscheidene dagen.

Zelfs in een beperkt gebied als Midden-Europa werd het begin van de winter op zeer uiteenlopende data gevierd. In de Oostenrijkse Obersteiermark werd al op Bartholomeusdag, 24 augustus, het Wintereinlšuten gevierd, waarbij veel lawaai werd gemaakt om de Winterunholden, waarover later meer, af te weren.

Ook Sint Giel (Gillis), op 1 september, werd soms als begin van de winter beschouwd. In Aken zei men dat Karel de Grote op St. Gillis naar zijn winterkwartier vertrok om pas op Hemelvaartsdag weer terug te keren.

Elders werd Sint Gallen, 16 oktober, als eerste winterdag gezien en zei men:"Met Sint-Gal blijft de koe op stal" of "Sankt Gallen lasst den Schnee fallen".

De 28e oktober, de dubbele feestdag van Simon de Zeloot en Sint Judas, was een van de andere kandidaten. In Nederland zei men: "Is Simon en Judas voorbij, dan is de winter kort nabij."

Sint Maarten, 11 november, was een belangrijke heilige, op wie we nog terug zullen komen. Zijn naamdag was in veel landen synoniem met het begin van de winter, net als de naamdag van Catharina van AlexandriŽ, 25 november.

Ook Sint Andreas, 30 november, wordt in dit verband vaak genoemd. In Nederland zei men: "Sint-Andries brengt de vries"; in Duitsland: "Andries bringt der Winter gewiss".

Vooral in Nederland, maar ook in andere landen, werd Sint Nicolaas, 6 december, als het begin van de winter gevierd.

Het Keltische Winterfeest

In Ierland werd 1 november over het algemeen als begin van de winter gezien en op de vůůravond gevierd. Samhain (spreek uit: zou-in) is nog steeds het Iers Keltische woord voor de maand november. In Schotland was deze naam ook bekend, in de vroege Middeleeuwen daar gebracht door Ierse immigranten. Plaatselijke varianten zijn o.a. Samain, Samuin, Samhuin en Samhfuin.

Ook in Wales werd 1 november als begin van de winter gezien. In het Welsh heet deze datum Calan Gaeaf, wat "begin van de winter" betekent.

Op het eiland Man werd het feest Laa Souney of Hollantide genoemd en beschouwd als het begin van de winter. Het werd op 1 november gevierd of op de vooravond hiervan. Met het invoeren van de Gregoriaanse kalender in 1752 verschoof het feest naar 12 november, ook wel Old Hollantide genoemd.

Over Keltische feesten m.b.t. Samhain is erg weinig bekend. In The stations of the sun: a history of the ritual year in Britain (1996) merkt historicus Ronald Hutton zelfs op: "De conclusie moet getrokken worden dat de middeleeuwse bronnen geen bewijsmateriaal opleveren dat 1 november een belangrijk pan-Keltisch feest was, en dat er geen religieuze ceremonies waren, zelfs waar dit feest gevierd werd." (p 362)

Als oorzaak hiervan ziet Hutton het feit dat de christelijke kroniekschrijvers, desnoods in strijd met de feiten, geneigd waren 1 januari of 25 maart als begin van het jaar te zien, zoals de Romeinen en de eerste christenen deden. Als tweede oorzaak oppert Hutton dat het dodenfeest, waarmee Samhain altijd geassocieerd wordt, geen specifiek Keltisch, maar vooral een Germaans feest is geweest.

Andere wetenschappers volgen over het algemeen de mening van Kurt Ranke (in zijn Indogermanische Totenverehrung, 1951) dat het dodenfeest is gebaseerd op een Indo-Europese traditie die door alle stammen, inclusief Kelten en Germanen, werd aangehangen.

Voordat we nader op dit dodenfeest ingaan, willen we proberen de essentie van het begin van de winter nader te bepalen.

Herfstfeest en Winterfeest

Zoals we hebben gezien kan het begin van de winter per stam, cultuur of tijdperk uiteenlopen van begin september tot halverwege december. Daarbij kan worden opgemerkt dat vroege vieringen vooral de oogst van dat moment benadrukken, terwijl late vieringen in de eerste plaats een voorbereiding op de wintertijd inhouden.

De essentie van het Herfstfeest als Oogstfeest is in de pagina over het Herfstfeest uitgewerkt. De voorbereiding op de winter uit zich op twee manieren: het slachten van de dieren die niet tot de volgende zomer in leven gehouden kunnen worden en het instellen op een intensiever contact met de geestenwereld.

Het Keltische Winterfeest, zoals Samhain, voorzover dat te reconstrueren is, was een slachtfeest en een feest voor de doden.

Het Germaanse Herfstfeest was oorspronkelijk een Oogstfeest, maar dit werd in de vroege Middeleeuwen vaak met het slachtfeest verward of eraan gelijkgesteld. Toen later het kweken van appels, peren en druiven in de Germaanse landen belangrijk werd, verschoof het accent bij de Herfstviering opnieuw naar de oogst en werd het slachtfeest verplaatst naar verschillende data later in het jaar.

In de Middeleeuwen werd november algemeen aangeduid als slachmaent of smeermaent (genoemd naar het vet van de geslachte dieren). Soms werd het slachtfeest op de vooravond van november gevierd, maar ook Alfmaent, de elfde november, was gebruikelijk.

Het begin van de winter was de tijd dat het overtollige vee werd geslacht. Het was ook een periode waarin de deur naar de andere wereld op een kier stond, een kier die pas na Midwinter weer gesloten zou worden.

Het heidense dodenrijk

Om de essentie van het Winterfeest te kunnen begrijpen, is het noodzakelijk de heidense ideeŽn over de andere wereld te belichten. Die ideeŽn zijn door de eeuwen heen nogal veranderd.

De oudste beschrijvingen van het dodenrijk, vanaf 3300 v. Chr., zijn opgetekend in MesopotamiŽ, het land tussen de Eufraat en de Tigris, door de SoemeriŽrs en na hen de AssyriŽrs en BabyloniŽrs. In deze verhalen is het dodenrijk een afschuwelijk oord, waar de overledenen modder eten, pijn lijden en gekweld worden door demonen. Mensen waren geschapen om de Goden te dienen en na hun dood werden ze als waardeloos afgedankt.

De Joods-Christelijke visie op de hel is hierop geŽnt. Alleen werd hier een moreel oordeel aan verbonden: mensen gaan naar de hel door hun eigen zonden, bedreven in dit leven. Wie zich goed gedragen heeft, gaat naar de hemel. Twijfelgevallen moeten in het vagevuur gelouterd worden voordat ze definitief naar de hel of de hemel gaan.

Deze morele visie op het dodenrijk kwam niet overeen met de verschillende heidense beschavingen die door het christendom werden overwonnen, zoals we hieronder zullen toelichten.

Het Griekse dodenrijk

In Boek 11 van de Odyssee van Homeros, het oudste Griekse epos, 8e eeuw v. Chr., wordt het dodenrijk beschreven als een door Hades en Persephone geregeerd oord waar de doden worden gekweld door dorst en alleen tijdelijk getroost kunnen worden door het bloed van offerdieren. Odysseus maakt volgens aanwijzingen van Circe via een kuil in de grond contact met het dodenrijk en geeft een korte schets van hun afschuwelijk bestaan.

Hesiodos schreef rond 725 v. Chr. zijn Theogonie, die bijna net zo invloedrijk was als de boeken van Homeros. Hesiodos zegt weinig over het dodenrijk, maar wel dat het werd geregeerd door "de machtige Hades, God van de Onderwereld, en de gevreesde Persephone". De doden die zouden proberen te ontsnappen, werden verscheurd en opgegeten door een monsterachtige waakhond. In andere mythen is de hond driekoppig en wordt Kerberos genoemd.

Latere Griekse mythen zeggen dat Hades geen partner kon vinden om over zijn afschuwelijke rijk te heersen en toen maar Persephone, de jonge dochter van Graangodin Demeter en Oppergod Zeus, ontvoerde. Dit thema is door de eeuwen heen populair gebleven bij de Grieken en later overgenomen door de Romeinen. Zie de foto linksboven voor een Romeinse afbeelding van de ontvoering op een urnaltaar uit de 2e eeuw na Chr.

Het Romeinse dodenrijk

Er is een essentieel verschil tussen de manier waarop de Grieken en de Romeinen het hiernamaals vormgaven. Voor de Grieken was het dodenrijk een afschuwelijk oord. De Romeinen zagen het dodenrijk als een vredige en vreedzame plaats, vaak voorgesteld als een grazige weide waar de doden rust vonden.

Ook de Romeinse God van het dodenrijk was een heel andere dan de Griekse Hades. Hesiodos beschrijft dat Demeter op een driemaal geploegde akker omgang heeft met de held Iasion. Hieruit komt een zoon voort die Ploutos, d.w.z. overvloed, wordt genoemd omdat hij iedereen die met hem omgaat voorspoed en rijkdom brengt.

De Romeinen veranderden de naam Ploutos in Pluto en beschouwden hem als de God van de onderwereld. Dat is niet wat Hesiodos zegt en het staat haaks op de Griekse opvatting van het dodenrijk, maar het sluit goed aan bij de Romeinse overtuiging dat de overledenen het goed hebben en welvaart kunnen brengen aan de levenden als ze goed worden behandeld.

Bovenstaande afbeelding op het urnaltaar was voor de Romeinen de ontvoering van Persephone door Pluto. Die voorstelling hadden ze van de Grieken overgenomen, maar verder was Pluto voor de Romeinen de goedaardige echtgenoot van Persephone. Samen heersten ze over het dodenrijk en brachten ook voorspoed voor de levenden. In het stuk over Lammas hebben we hier ook naar verwezen. De afbeelding rechtsboven toont Pluto en Persephone op een Romeins reliŽf, waarbij de God in zijn linkerhand een hoorn van overvloed vasthoudt. In de rechter houdt hij een patera, een schaaltje waarin en waarmee plengoffers van wijn werden gebracht.

Door de Romeinen werd Pluto, naar Grieks voorbeeld, afgebeeld als een man met een baard en krullen, zoals op de foto linksboven, een marmeren borstbeeld uit de nalatenschap van Ludovisi, waarin zich veel Romeinse beelden bevonden, vaak zonder aanduiding van de herkomst of datering. Het zwarte gewaad over zijn linkerschouder geeft aan dat we te maken hebben met de God van de onderwereld en niet met Zeus, die ook met een baard en krullen werd afgebeeld.

De Romeinse opvatting dat Pluto de God van de onderwereld en van de rijkdom was, is door de eeuwen heen blijven bestaan, zoals de foto rechtsboven laat zien, een marmeren beeld uit 1707 van de Franse beeldhouwer Anselme Flamen (1647-1717), dat als titel Pluto, God van de rijkdom kreeg.

De doden werden door de Romeinen geŽerd omdat ze, net als de Goden, over andere krachten beschikken dan gewone mensen. De Romeinen maakten onderscheid tussen religio, de eredienst voor de Goden, en pietas, de eredienst voor de doden.

Uit piŽteit voor de overledene werd op de derde, zevende en dertigste dag en tenslotte een jaar na het overlijden een maaltijd van brei en vis of vlees op de mensa (grafsteen) geserveerd. Een lege stoel, de cathedra, was voor de dode gereserveerd. Tijdens de Parentalia, van 13-21 februari, werden de voorouders meer in algemene zin vereerd. Op de pagina over Imbolc gaan we hier dieper op in.

Romeinse grafstenen, sarcofagen en grafmonumenten getuigen gewoonlijk van de overvloed die het dodenrijk kenmerkt. Een grafstele die rond 190 na Chr. is geplaatst in Savaria in Pannonia Superior (nu Hongarije, destijds een Romeinse provincie) kan dit toelichten.

Op de stele zijn drie personen afgebeeld. Links een vrouw, in het midden een soldaat in een tuniek met daarover een mantel. In zijn rechterhand houdt hij zijn zwaard vast. Rechts een man met een baard die een boekrol vasthoudt. Uit de inscriptie blijkt dat het de ouders van de soldaat zijn. Waarschijnlijk heeft zijn vrouw dit monument opgericht voor haar overleden echtgenoot en zijn ouders.

Het grafmonument geeft de overledene alle bescherming die hij in het hiernamaals nodig heeft.

Zoals we in het stuk over Beltane hebben uitgelegd, gingen de Romeinen ervan uit dat elke man een onstervelijk deel in zich heeft dat genius werd genoemd. Het onstervelijke deel van een vrouw werd juno genoemd. Na de dood veranderde de genius of de juno in een lar, waarover hieronder meer. Het goddelijke aspect van de soldaat en zijn ouders wordt benadrukt doordat ze in een tempel zijn geplaatst, met links en rechts een pilaar en een timpaan erboven.

In het timpaan het bekende hoofd van Medusa, met onder haar kin vastgeknoopte slangen om haar hals. Medusa werd in de Griekse mythen als een monster voorgesteld, dat je versteende als je haar aankeek. Maar de Grieken wisten heel goed dat Medusa de overledenen beschermt en begeleidt naar het dodenrijk. Daarom is ze op talloze Griekse en Romeinse grafmonumenten afgebeeld.

Aan weerskanten van het hoofd van Medusa een dolfijn. Deze dieren werden geassocieerd met vruchtbaarheid en levenskracht en vaak met Aphrodite afgebeeld.

De genius werd vaak voorgesteld als een slang. De slangen om de hals van Medusa hebben hier zeker mee te maken. Maar de genius werd ook wel als een man afgebeeld en dat is hier ook het geval. Tweemaal zelfs. Links boven het timpaan houdt een genius een schaal met vruchten en een fakkel omhoog. Rechts boven het timpaan houdt een genius in de linkerhand een fakkel en in de rechter een krans. Gewoonlijk is het Victoria (voor de Grieken Nike) die de krans naar een overwinnaar omhooghoudt, maar hier is het de genius die aangeeft dat de soldaat en zijn ouders de dood overwinnen en ongeschonden het dodenrijk binnengaan.

Onder de drie personen is een jachttafereel te zien. Rechts een jager op een paard die een reebok of ander gehoornd dier achtervolgt. Meer naar rechts een jachthond die achter een haas aanrent.

Onderaan, onder de inscriptie, staan twee panters aan weerskanten van een wijnkaraf. Een duidelijke verwijzing naar de Wijngod Bacchus (Dionysos) die op talloze Romeinse sarcofagen is afgebeeld om de overledene de kracht te geven de reis naar het dodenrijk te maken. De panters zijn een vast onderdeel van het gevolg van de Wijngod.

Romeinse sarcofagen en grafaltaren getuigen van een geloof in het hiernamaals als een plaats van overvloed. De foto linksboven toont een grafaltaar voor de wierookhandelaar Lucius Faenius. Het grafaltaar is gemaakt rond 50-75 na Chr. en gevonden bij de Via Appia in Rome. In een grafaltaar werd de as van de overledene bewaard. Op herdenkingsdagen werden op het altaar spijzen en wijn aan de overledene geofferd. Op de hoeken het hoofd van de gehoornde Jupiter Ammon. Tussen de hoofden hangt een festoen met vruchten. Op de festoen een adelaar en een slang. De adelaar vertegenwoordigt de levenskracht van Jupiter, de slang is een dier van het dodenrijk. Onder de hoofden van Jupiter een adelaar. Onder de festoen twee kemphanen, die eveneens levenskracht aanduiden. Het grafaltaar is in het RMO te zien.

Op de foto rechtsboven een grafaltaar dat rond 100 na Chr. in Rome is gemaakt en veel overeenkomsten vertoont met het grafaltaar uit het RMO. Alleen bevindt zich boven de festoen geen adelaar, maar het hoofd van Medusa. Een eeuw later is het altaar hergebruikt door een Foenicische vrouw uit Cyprus en voorzien van een Griekse inscriptie, gewijd aan Jupiter Keraunios, de God van de donder, die vooral in SyriŽ werd vereerd, en aan het heilig woud van Furrina, een Godin die werd verbonden met bronnen en met de onderwereld. Het woud van Furrina was een heilige plaats in Rome, ten zuiden van het Vaticaan, waar vooral SyriŽrs de Godin en de bij haar horende nimfen vereerden.

De Romeinse lares en parentes

De Romeinen gingen ervan uit dat na de dood van een mens een onsterfelijke kracht, lar genaamd, overblijft. Gewoonlijk was een bepaalde lar als huisgeest met de haard of het huisaltaar verbonden. De lar familiaris beschermde het huis en bracht voorspoed en gezondheid voor de familie.

De lar op de foto rechts is een exacte kopie uit de werkplaats van het Louvre van een Romeinse lar die zich sinds 1885 in het Gallo-Romeinse Museum in Lyon bevindt. De lar is afkomstig uit een privťverzameling en gegevens over de herkomst zijn niet bekend. Waarschijnlijk uit de 1e eeuw na Chr. Oorspronkelijk had de lar, zoals gebruikelijk was, in de linkerhand een hoorn van overvloed en in de rechter een patera, maar die zijn verloren gegaan.

Gewoonlijk was het een parente, een voorouder, die als huisgeest optrad. Als tegenprestatie werden de verschillende voorouders op gepaste wijze vereerd.

Na verloop van tijd raakte de overledene zijn of haar individuele karakter kwijt en werd steeds meer een onderdeel van de geestenwereld. Ook de Germanen en Kelten gingen hiervan uit.

De Romeinen maakten onderscheid tussen lemures of larvae, de kwaadaardige geesten van overledenen, die bijvoorbeeld een gewelddadige dood gestorven zijn, en manes, de geesten die de levenden goedgezind zijn. De manes werden aangeduid als Di Manes, "goddelijke geesten".

Het verschil tussen Romeinse Goden en geesten is dat een God (Deus) of Godin (Dea) als een individu kan optreden, terwijl de geesten alleen als groep een goddelijke status hebben. Ook de geesten van overleden voorouders werden gezamenlijk als een goddelijke kracht beschouwd, aangeduid als Di Parentes.

Alleen keizers en keizerinnen konden na hun dood als individu een goddelijke status krijgen, maar werden toch wel van de Goden onderscheiden. Zo werd de vergoddelijkte keizer aangeduid als divus, niet als deus, terwijl de vergoddelijkte keizerin een diva werd de geen dea.

Hoewel het Romeinse dodenfeest niet samenviel met de Germaanse en Keltische feesten (zie onder) en vooral in februari werd gevierd (zie de pagina over Imbolc), was dit in wezen hetzelfde feest. Het is vooral het Romeinse feest geweest dat door de vroege christenen is overgenomen en gekerstend.

De toegang tot het dodenrijk

Om de andere wereld te bereiken, moet de overledene door een barriŤre heen. Soms is er een afgrond of diepe rivier die hij of zij moet oversteken. Soms is de andere wereld een eiland in de zee. Ook wel is er een ondoordringbare omheining waarin een opening gevonden moet worden.

Bij de Grieken was het vooral Hermes die de overledene begeleidde naar het dodenrijk, waartoe hij als enige van de Olympische Goden toegang had. De Romeinen stelden de God gelijk aan Mercurius. Als God van de handel paste Mercurius wel bij de Romeinse opvatting van het dodenrijk.

De foto links toont Mercurius/Hermes, herkenbaar aan zijn staf, op een Romeinse sarcofaag uit 200 na Chr. die is gewijd aan het vinden van Ariadne door Dionysos. Het Heilig Huwelijk van Dionysos en Ariadne wekte de levenskracht op die nodig was om de tocht naar het dodenrijk te volbrengen. Met name ingewijden in de mysteriŽn van Dionysos lieten graag dit Heilig Huwelijk afbeelden op hun sarcofaag en regelmatig was Hermes-Mercurius daarbij aanwezig.

De Godin Hekate wordt door Hesiodos (Theogonie 406-452) hoog aangeslagen. Hij noemt haar de favoriet van Zeus, die haar een deel van de aarde, van de zee en van de sterrenhemel schenkt. Alle Goden hebben respect voor haar. Mensen die haar vereren, schenkt ze rijkdom. Latere Griekse bronnen zijn minder flatteus. Ze verbinden Hekate met het dodenrijk en met toverij. Op kruispunten en driesprongen zou Hekate door tovenaars en heksen aangeroepen worden voor magische doeleinden.

De Romeinen namen de positieve opvattingen van Hesiodos over en koppelden die aan de zorg voor de overledenen. Op kruispunten en driesprongen zou Hekate aangeroepen worden voor bescherming op de vaak gevaarlijke wegen, niet voor zwartmagische doeleinden.

Passend bij de driesprongen werd Hekate als drievoudige Godin voorgesteld. De foto rechts toont een reliŽf uit Tomis, een Grieks-Romeinse stad bij het huidige Constanta in RoemeniŽ, gemaakt in de 2e of 3e eeuw na Chr. De Godin heeft drie lichamen. De voorste kijkt recht voor zich uit, de andere twee naar links en rechts. De naar links kijkende Godin houdt in haar linkerhand een trommel en in de rechter een hoorn van overvloed met vruchten erin. Ze vertegenwoordigt de overvloed en levensvreugde die de Godin brengt. De groeikracht van de natuur.

De naar rechts kijkende Godin houdt in haar linkerhand een zweep en in de andere hand een dolk. Ze vertegenwoordigt de afbrekende kracht in de natuur, de kracht die al wat geboren is en groeit ook weer een halt toeroept en beŽindigt.

De voorste Godin, die ons aankijkt, houdt in elke hand een naar beneden gerichte fakkel. Dat was in de oudheid een gebruikelijke aanduiding van de dood en de onderwereld.

Hekate was een belangrijke Godin in Tomis. Het reliŽf is in 1962 bij een opgraving gevonden, samen met een ander reliŽf en drie beelden waarop de drie Godinnen om een pilaar zijn gegroepeerd. De foto linksboven toont een van de drie beelden uit Tomis. Waarschijnlijk zijn de beelden en de reliŽfs afkomstig uit een tempel die tegen het eind van de heidense tijd is ontruimd.

Het beeld van de drievoudige Hekate rond een pilaar is voor het eerst gemaakt door de Griekse beeldhouwer Alkamenes in de 5e eeuw v. Chr. Het stond op de hoge Akropolis in Athene en werd daarom Hekate Epipyrgidia (Hekate op de toren) genoemd. Hiervan zijn in de 1e tot de 3e eeuw na Chr. talloze Romeinse kopieŽn bewaard gebleven. De foto midden boven is de Romeinse kopie die in het Archeologisch Museum van Athene te zien is, gemaakt in de 1e eeuw na Chr.

De foto rechtsboven is eveneens een kopie uit de 1e eeuw na Chr. die in het RMO in Leiden te zien is. Het beeld bevond zich in de verzameling van de schilder Rubens.

Een belangrijke begeleidster van de overledenen naar het dodenrijk was Medusa. In het bovenstaande hebben we haar al een paar keer genoemd. In het stuk over Medusa op de pagina Goden en Godinnen is hier meer over te vinden.

Het Germaanse en Keltische dodenrijk

De Germanen en Kelten geloofden, net als de Grieken en Romeinen, dat er iets van een mens blijft bestaan na de dood en voortleeft in een andere wereld. Deze andere wereld raakt de onze, maar is ervan afgescheiden.

Vaak wordt gene zijde gezien als gelijk aan de gewone wereld. Ook wordt wel gezegd dat alles in de andere wereld precies omgekeerd is: onder is boven, links is rechts, wit is zwart. Bij een begrafenis was in de Middeleeuwen nog gebruikelijk een schep aarde met de linkerhand op de kist te gooien omdat voor de doden de linkerhand is wat voor ons de rechterhand betekent.

Alle Indo-Europeanen geloofden dat een mens na de dood een tijdlang in de buurt van het graf blijft en dan, meestal na een jaar, op reis gaat. Grafgiften moesten de reis en het verblijf aan gene zijde veraangenamen. Men geloofde dat de dode dezelfde behoeften had als tijdens het leven en dat daarin voorzien moest worden, anders kwam de dode halen wat hem of haar onthouden werd.

Geloof in reÔncarnatie schijnt de Indo-Europese stammen vreemd te zijn geweest. "Zover de herinnering van de levenden reikte," zegt filosoof en theoloog Louis Janssen in Nicolaas, de duivel en de doden, 1993, "was er sprake van verering van de afzonderlijke doden. Deze verering omvatte drie generaties. Pas daarna voegden ze zich bij het volk van de anonieme doden en kregen ze deel aan de vooroudercultus in strikte zin." (p 166-167)

In de IJslandse Edda's wordt beschreven dat gevallen krijgers naar Valhal (Walhalla) gaan, waar ze met Odin deelnemen aan talloze feesten, maar deze beschrijving is pas in de late Middeleeuwen ontstaan en ook toen ging het merendeel van de overledenen nog steeds naar een dodenrijk zoals we dat hierboven uiteengezet hebben.

Het gekerstende dodenrijk

Voordat het christendom zich over de wereld verspreidde, had het vele invloeden in zich opgenomen. Het boeddhisme, dat in de vijfde eeuw v.Chr. in India ontstond, was een heilsleer, die het aardse bestaan beschouwde als bron van alle lijden en als enig doel voor de mensheid zag om zich in de loop van vele incarnaties hiervan los te maken.

Het jodendom, dat in dezelfde tijd als het boeddhisme haar vaste vorm aannam, was evenzeer een heilsleer die de geest boven de materie stelde en hiervan losmaakte. De joden geloofden echter niet in reÔncarnatie. Volgens het joodse geloof gaan de zielen van de rechtschapen gelovigen naar het paradijs en wachten daar op het Laatste Oordeel.

Het paradijs, dat zich in Genesis nog op de aarde bevond, werd later gelijkgesteld aan de hemel, hoog boven de aarde. De hel speelde in het jodendom geen rol van betekenis tot het voortbestaan van de joodse staat in gevaar kwam en de behoefde ontstond aan een oord waar afvalligen en zondaars konden worden gestraft. Het apocalyptische Boek van Henoch, dat in de tweede eeuw v.Chr. ontstond, beschrijft, net als de Openbaringen van Johannes, de verschrikkingen van de hel. De Babylonische visie op het dodenrijk, waar de Joden tijdens hun ballingschap (586-538 v. Chr.) mee in aanraking kwamen, heeft hiervoor model gestaan.

In eerste instantie namen de christenen de Romeinse pietas over en de eerste christelijke catacomben waren, net als de Romeinse, voorzien van een ruimte voor het dodenmaal. In de catacomben van Sint Paulus en Sint Agatha op Malta hebben we hier vele voorbeelden van gezien. Bovenstaande foto's tonen een open graf in de catacomben van Sint Agatha met daarachter een bank om volgens Romeinse gewoonte liggend te eten. Op andere plaatsen is een ronde eettafel in de rotsen uitgehakt.

Wel werd binnen het christendom al snel benadrukt dat het gaat om de geest van de doden en dat hun lichaam vergaat in de aarde en dus geen voedsel of drank meer nodig heeft.

De cathedra, de erezetel voor de overledene, werd de stoel van Petrus, als stedehouder voor Christus tot diens wederkomst. Het Romeinse Dodenfeest werd gekerstend als het feest van Sint Petrus' Stoel, dat nog steeds op 22 februari gevierd wordt. In het stukover Imbolc gaan we hier dieper op in. De cathedra werd later de zetel van elke bisschop, de cathedraal de naam van het gebouw waar deze prelaat zetelde.

Al deze pogingen de macht van de doden over te dragen aan de kerkelijke autoriteiten, lukten maar ten dele. Men bleef de overledenen op de vaste dagen na de begrafenis voedsel en drinken brengen en meestal werd Sint Petrus' Stoel met een groot feestmaal op het plaatselijke kerkhof gevierd.

In de eerste eeuwen van onze jaartelling werd de christelijke leer ontwikkeld dat de goede doden naar de hemel gaan en de slechte doden naar de hel. De naam van de plaats der verdoemden was ontleend aan het heidense dodenrijk, het domein van de Godin die Hel of Hulda of Holle werd genoemd, maar het heidense rustoord voor vereerde doden werd daarbij onherkenbaar veranderd in een plaats waar de verdoemden werden gemarteld om voor hun wandaden te boeten.

Door de Grieken en Romeinen werd de slang verbonden met het dodenrijk. In het christendom werd de slang, net als in het jodendom, tot Satan, die Eva verleidde en zo de erfzonde over de mensheid bracht. De foto linksboven toont een beeld van Maria met het kindje Jezus in de kathedraal van Saint Denis uit de 13e eeuw. Maria vertrapt zowel Eva als de slang, die Eva in haar arm bijt. Zie het detail op de foto midden boven. Alleen het geloof en de kracht van Maria kunnen de erfzonde en de dreiging van de hel wegnemen. Dat is de boodschap.

Deze zienswijze is binnen het christendom door de eeuwen heen blijven bestaan, ook binnen het protestantisme. Als het niet Maria is die de ziel van de overledene redt, dan is het wel een engel. De foto rechtsboven toont een beeld van een engel met een dood kind, gemaakt in 1856 door Johan Hendrik StŲver voor het mortuarium van het protestantse Diakonessenhuis in Utrecht. De engel neemt het kind mee voordat de op de grond liggende slang het mee kan sleuren naar de hel.

Op de foto linksboven zien we een schilderij van Hendrick Aerts uit 1602, getiteld Allegorie op de dood. De oude man links wordt opgehaald door de dood, een geraamte met een zandloper op zijn hoofd en een zeis en een koker met pijlen over zijn schouder. De oude man is kreupel en loopt met een stok. Rechts lopen nog meer kreupele mensen hun dood tegemoet. Achter de laatste man loopt een halfnaakte jonge vrouw, maar vleselijke genoegens zal hij achter zich moeten laten. Er is niets om zich over te verheugen als de dood je komt halen.

De foto rechtsboven toont een reliŽf boven het portaal van de Noorderkerk in Hoorn. Op het eerste gezicht dezelfde sombere boodschap. Een geraamte ligt uitgestrekt op een mat. Maar deze voorstelling is subtieler en laat verschillende interpretaties open. De Latijnse tekst boven het geraamte zegt: "En essem immortalitatis." D.w.z. "Zie hier de oogst van de onsterfelijkheid." Het lichaam vergaat, tot er alleen een geraamte overblijft, maar de ziel is onstervelijk en vergaat niet.

Een zeer christelijke gedachte, maar die wordt met heidense motieven uitgewerkt. Boven de Latijnse tekst een bordje met Anno 1647. Aan weerskanten van het bordje twee korenaren. Wat hoger nog acht korenaren met daaronder een zeis en daar tussenin een zandloper. De zandloper staat rechtop en loopt dus nog. (Een lege zandloper wordt gewoonlijk als schuin staand of omgevallen voorgesteld) Zodra de zandloper leeg is, zullen de korenaren met de zeis worden gemaaid. De oogst waarvan de Latijnse tekst spreekt, is het graan. Het is dezelfde symboliek als de Vegetatiegod die sterft met de oogst en wordt herboren in het nieuwe graan.

In de renaissance werden vaak heidense motieven in grafstenen verwerkt. De foto linksboven toont de grafsteen in de Jacobikerk in Utrecht van Bartolomeus van Vloeten en zijn echtgenote Anna Proeys, gemaakt in of kort na 1652. Twee gevleugelde cupido's blazen elk op een lange hoorn. Een banderol geeft de tekst: "Het graf bestulpt alleen wat rot, wat onvergancklyck is bij God." Een zeer christelijke thema dus: het lichaam zal wegrotten, maar de onvergankelijke geest is bij God.

Op andere grafstenen uit die tijd komt het heidense element duidelijker naar voren. De foto rechts toont een grafsteen uit 1650 in de Grote Kerk in Dordrecht. Boven een in de Franse tijd weggehakt familieschild zien we een helm waaruit acanthusranken groeien. Van deze voorsteling hebben we in Nederlandse kerken talloze voorbeelden gezien. Oospronkelijk voorbehouden aan edelen, ontleend aan het betreffende familiewapen, werd het al snel ook voor niet-adellijke personen gebruikt. Na de dood vergaat het lichaam (daarvan getuigt het doodshoofd onder het familiewapen), maar de geest blijft bestaan.

Rechtstreeks overgenomen uit het oude heidendom zijn de uitbundig dansende naakte jongetjes aan weerskanten van het schild, met bloemen in hun haar. Ze doen denken aan de feestvreugde op de Romeinse sarcofagen met een extatische dionysische optocht.

Het Middeleeuwse dodenfeest

De christelijke dogma's over hemel en hel waren een inbreuk op het diepgewortelde heidense volksgeloof over het dodenrijk en vonden daarom aanvankelijk weinig weerklank.

Ook in de christelijke middeleeuwen bleven de doden een grote rol spelen in het Winterfeest. Volgens het volksgeloof keerden de doden elk jaar in het begin van de wintertijd terug naar de gewone wereld en lieten op verschillende manieren hun aanwezigheid blijken. Ze konden zich laten zien als ze dat wilden, geluiden maken, dingen laten bewegen of juist stilzetten. Als ze met respect werden behandeld, konden ze je met geschenken overladen of helpen. Als ze werden genegeerd of geminacht, konden ze boos worden en je dwars gaan zitten.

De foto rechtsboven toont een deel van een grafsteen in renaissancestijl, rond 1650, in de Nicolaaskerk in Utrecht. Geen sombere voorstelling met een doodshoofd of geraamte, geen vermanende zandloper of zeis, geen reddende engel. Afgebeeld zijn twee Groene Muzikanten met een schalmei of ander blaasinstrument. Ze zijn groen omdat hun onderlichaam bestaat uit een voor de renaissance typerende gebogen herm, die eindigt in vegetatie. Ook tussen de muzikanten schiet vegetatie op. Groene Mannen en andere Groene Wezens vormen een verbinding tussen het christendom en het oude heidendom. In ons boek De Groene Man en de Groene Vrouw hebben we dit uitgebreid belicht. De Groene Muzikanten geven aan dat de oude voorstelling van het dodenrijk in de renaissance nog springlevend was.

Naast overledenen konden ook andere bewoners van het hiernamaals in de winter de gewone wereld bezoeken. In Ierland werden deze wezens Puca genoemd, elders sprak men van kabouters, aardmannetjes of trollen.

Soms was moeilijk uit te maken of een verschijning een bovennatuurlijk wezen betrof of de geest van een voorouder die zich als dier of monsterachtig wezen vertoonde, dus men nam meestal maar het zekere voor het onzekere en deed alle bovennatuurlijke wezens bij het begin van de winter eer aan. Pleng- en spijsoffers werden gebracht, want de overledenen werden, zoals gezegd, geacht dezelfde behoeften te hebben als gewone mensen. Gemaskerde dansers beeldden overal in Europa en ook daarbuiten in het Winterfeest de teruggekeerde doden uit.

Heiligen en demonen

De heidense Dodenfeesten werden door de vroege christenen verboden. Er werd gezegd dat contact met de doden bijna niet mogelijk is en dat verschijnselen die daarop lijken bijna altijd door demonen veroorzaakt worden. De gemaskerde dansers tijdens de Winterfeesten werden als duivels afgespiegeld. De heidense opvatting dat in het dodenrijk alles omgekeerd is aan de gewone wereld, werd gebruikt om te laten zien dat alles wat van demonen afkomstig is walgelijk en weerzinwekkend moet zijn. Het meedoen aan een Dodenfeest werd gelijkgesteld aan het sluiten van een pact met de Duivel. In de loop der eeuwen werd echter duidelijk dat de dodenverering te diep in het volksgeloof geworteld zat om deze te kunnen uitroeien.

Het duivelsmasker van papier-machť op de foto linksboven is gemaakt in Mexico rond 1950. Het kon worden gebruikt tijdens carnaval, Allerheiligen en andere feesten en optochten. In de Mexicaanse optochten voor Allerheiligen (zie onder) zijn duivels en geraamten graag geziene gasten, met een knipoog naar de missionarissen die tevergeefs probeerden dergelijke optochten te verbieden.

Een heel andere betekenis heeft het houten masker op de foto rechtsboven. Het ziet er afschrikwekkend uit, maar dat is schijn. Het is gemaakt in Guinee-kust, in de 1e helft van de 20e eeuw. Het masker stelt een gehoornd bovennatuurlijk wezen voor dat bemiddelt tussen de levenden en de doden. Het weert ongewenste invloeden af en brengt vruchtbaarheid en voorspoed, zelfs als het niet gedragen wordt en alleen aan de muur van het huis hangt. Een meermin en een meerman met een baard krullen hun staart rond de ogen van het wezen.

Het aanroepen van heiligen, als intermediair tussen God en mens, werd in de vroege middeleeuwen oogluikend toegestaan als enige vorm om nog contact met een overledene te onderhouden. Via afbeeldingen werden de gelovigen, die vaak niet konden lezen, bekend gemaakt met een heel scala aan heiligen.

Bovenstaande foto toont een altaarretabel, gemaakt rond 1525 door een Utrechtse meester voor de dorpskerk van Leka in Noorwegen. Voor de tentoonstelling Ontsnapt aan de beeldenstorm in 2013 uitgeleend aan Museum Catharijneconvent in Utrecht en daar door Joke gefotografeerd. Centraal staat de Heilige Maagd met het kindje Jezus. Maria is gekroond en Jezus houdt een wereldbol in de hand om aan te geven dat het christerdom over de wereld heerst. Links daarvan staat Olaf, die van 995-1000 koning van Noorwegen was en in die tijd de Vikingen met geweld tot het christendom bekeerde. Hij houdt zijn voet op een draak om aan te geven dat hij het heidendom heeft overwonnen.

Aan de andere zijde van Maria staat de aartsengel MichaŽl met in zijn opgeheven rechterhand een zwaard en in zijn andere hand een schild met een kruis. Onder zijn voeten ligt een demon met lange oren en hoektanden. MichaŽl is de strijder voor het christendom die de demonen overwint.

In het linkerluik de heilige Sunniva, een legendarische Ierse koningsdochter die in de 10e eeuw geleefd zou hebben. Toen een heidense veroveraar de Ierse troon in bezit nam en met haar wilde trouwen, vluchtte Sunniva naar Noorwegen. Ze verborg zich in een grot voor de heidense Vikingen en stierf daar. Na haar dood vonden daar in de buurt vele wonderen plaats. Koning Olaf wist in 996 haar grot op te sporen en vond haar lichaam intact. Sindsdien is ze de beschermheilige van Noorwegen en zou veel wonderen verricht hebben.

Op het rechterluik is de heilige Margaretha afgebeeld met een kruisbeeld in haar hand en een draak onder haar voeten. Volgens de legenden was ze de dochter van een heidense priester in AntiochŽ. In 494 besliste paus Gelasius dat de verhalen over haar niet op waarheid berustten. Toch was ze zo populair dat haar verering zich al snel over heel Europa verspreidde.

Het gaat daarbij om de succesvolle strijd van het jonge christendom tegen het oude heidendom, een thema dat missionarissen en geestelijken graag in stand hielden. De folteringen door haar heidense achtervolgers, de middeleeuwse variant van de moderne horror stories, werden in de kleinste details en in vele varianten verteld.

De stadsprefect Olibrius wilde het knappe meisje als vrouw, maar ze weigerde met een heiden te trouwen, hoe hij haar ook liet folteren. Hij stuurde zelfs de duivel in de gedaante van een draak op haar af, maar ze verlamde het monster met een kruisteken. In andere versies werd ze ingeslikt door de draak, waarna het dier openbarstte en ze ongedeerd naar buiten kon.

Toen de prefect begreep dat ze niet zou toegeven, liet hij haar onthoofden.

Het altaarretabel is inmiddels terug naar Noorwegen, maar in een nis in de Domkerk in Utrecht is een opmerkelijke afbeelding van Margaretha te zien. Het is een muurschildering, gemaakt rond 1420, die later onder een pleisterlaag is verdwenen en pas in 1919 tijdens een restauratie is herontdekt. Zie de foto linksboven.

De schildering toont een kruisiging. Aan de rechterkant van Christus aan het kruis staan de Heilige Maagd Maria en Johannes de Evangelist. Een gebruikelijke voorstelling. Maar aan de linkerzij van Christus is Margaretha afgebeeld, een kruisstaf in haar hand, terwijl ze uit het lichaam van een draak te voorschijn komt, gekleed als een elegante jonkvrouw in een lang gewaad en een hoedje dat in die tijd onder dames aan het Franse hof in de mode was. Op het hoedje is een parel te zien, die de betekenis van haar naam symboliseert.

De aanwezigheid van Margaretha bij de kruisiging is zeer ongebruikelijk. Tussen 1300 en 1500 bestond in de Nederlanden een sterke Margarethaverering en in de Domkerk bevond zich in de tijd dat de muurschildering is gemaakt een altaar voor de heilige. Ze werd met name aangeroepen door zwangere vrouwen, die de heilige vroegen het ongeboren kind te beschermen.

De afbeelding benadrukt hoe dicht heiligen als Margaretha bij Christus staan. Dichter bij God dan aan de voet van het kruis kun je als mens niet komen.

In het volksgeloof werden heiligen al snel de drager van de heilige kracht die voordien in heidense rituelen werd opgeroepen en doorgegeven. Vooral relikwieŽn hebben deze kracht in zich en elke splinter, rafel of snipper van iets dat door de heilige is aangeraakt, heeft deze zelfde kracht.

De relikwieŽn van de heilige Sunniva werden in Noorwegen vereerd tot ze tijdens de reformatie in 1536 spoorloos verdwenen, zoals vele relikwieŽn van andere heiligen.

Franciscus Xaverius (1506-1552) was een van de eerste medebroeders van Ignatius van Loyola, die in 1540 de jezuÔetenorde stichtte. Hij werkte als missionaris o.a. in China, waar hij stierf. In 1622 werd hij heilig verklaard. De reliekhouder op de foto rechts bevat een stukje van de rechterarm van de heilige. Deze arm is daarom op de reliekhouder afgebeeld.

Om de gelovigen af te brengen van de dodenverering, werden de twee mogelijkheden, hemel en hel, zo extreem mogelijk uit elkaar getrokken.

De foto linksboven toont een Nederlands glas-in-loodraam in het Amsterdams Historisch Museum uit 1575 met een voorstelling van de hel. De overledenen worden gekweld door vuur en monsters. Een demon biedt de terugdeinzende man als maaltijd een schotel met levende slangen aan.

De foto rechtsboven is een plafondfresco in de Sint Ignatiuskerk in Rome, gemaakt tussen 1691 en 1695 door de barokke schilder en architect Andrea Pozzo (1642-1709). De heilige ontvangt bij zijn hemelvaart het licht van Christus, omringd door zwevende engelen en heiligen, terwijl in de hoeken van de fresco de vier werelddelen de heilige eer bewijzen. Linksonder zien we AziŽ, rechtsonder Afrika.

Het Wilde Heer

Een van de manieren waarop de teruggekeerde doden zich volgens het volksgeloof in de winter manifesteerden, was in het Wilde Heer, ook wel genaamd Wilde Jacht. Met veel geraas en gekletter vloog deze bende volgens ooggetuigen door de lucht en streek soms neer op een akker of boerenerf. Veel verhalen hierover hebben gemeen dat het Wilde Heer alles overhoop gooit, maar dat later de betreffende plek bijzonder vruchtbaar blijkt te zijn of dat de geesten gaven hebben achtergelaten.

In de Germaanse gebieden was het vaak Wodan, Holda, Perchta of Diana die het Wilde Heer aanvoerde. In Noord-Europa nam Odin de leiding van de Wilde Jacht op zich, gevolgd door Walkuren en de geesten van de overledenen.

Afbeeldingen van het Wilde Heer zijn pas in de 19e eeuw gemaakt, zoals het schilderij Asgardsreien uit 1872 van de Noorse schilder Peter Nicolai Arbo (1831-1892). Zie de foto rechts.

Meestal werd nadrukkelijk gewaarschuwd tegen de verderfelijke invloed van de Wilde Jager. Vanuit christelijk standpunt was het Wilde Heer een bende demonen, heksen en de geesten van ongedoopte kinderen, aangevoerd door de duivel. De Holden, de volgelingen van Holda, werden tot Unholden, waarmee nog steeds demonen en boze geesten worden aangeduid.

In de middeleeuwen zijn verscheidene pogingen ondernomen de Wilde Jacht te kerstenen. De Hubertusjacht, op 3 november, is hiervan het bekendste voorbeeld. Volgens de Middeleeuwse legende jaagde de heidense Hubertus een hert dat plotseling een schitterend kruis op zijn gewei had staan, waarna Hubertus zich prompt tot het christendom bekeerde.

Sint Maarten (11 november)

Martinus, in Nederland Maarten genoemd, is in 316 geboren als zoon van een Romeinse legerofficier in PannoniŽ. Zijn ouders waren heiden en hadden hun zoon genoemd naar de Romeinse God Mars. Net als zijn vader diende Maarten een aantal jaren in het leger en werd ingedeeld bij de ruiterij van de keizerlijke garde. Terwijl hij gelegerd was in Amiens in GalliŽ kwam Maarten midden in de winter een naakte bedelaar tegen. Met zijn zwaard deelde Maarten zijn mantel in tweeŽn en gaf de helft aan de bedelaar. Die nacht droomde hij dat Christus aan hem verscheen en vertelde dat hij de bedelaar was geweest.

Maarten voelde al langer sympathie voor het christendom en liet zich nu dopen. Hij zette zich zo in voor zijn medemensen dat de inwoners van het stadje Tours hem in 371 als bisschop uitkozen. Dat is hij gebleven tot zijn dood in 397. Op 11 november is hij daar begraven en dat is zijn naamdag geworden. Vanaf het jaar 480 was dit tevens het begin van de Advent, de periode die de komst van Christus inluidt. Met de advent begon het kerkelijk jaar en dat is nog steeds zo, al begint de advent sinds 1085 op de vierde zondag vůůr Kerstmis en niet meer op Sint Maarten.

Al snel deden verhalen de ronde over de vele wonderen die de bisschop verricht zou hebben. Zijn barmhartigheid naar de bedelaar toe is door de eeuwen heen talloze malen afgebeeld. Op de omslag van het boek Omgaan met de jaarfeesten zien we een Frans miniatuur uit de 14e eeuw.

De foto linksboven toont ditzelfde tafereel in een reliŽf boven een van de poorten naar de Pandhof naast de Domkerk in Utrecht, gemaakt in 1895 door Pierre Cuypers. Utrecht had een sterke band met Sint Maarten die de schutspatroon van de stad is. De Domkerk en de Pandhof zijn aan de heilige gewijd. Het wapen van Utrecht, half wit, half rood, toont de gedeelde mantel van Sint Maarten. In het witte deel van het wapen is traditioneel Sint Maarten met de bedelaar afgebeeld, zoals te zien is op de vlag (foto links) bij de ingang van de Domkerk.

In de Pandhof zijn in de 15e eeuw een aantal wimbergen gemaakt met voorstellingen van het leven en de wonderen van Sint Maarten. In de 19e eeuw was hier vrijwel niets van over. Slechts delen van twee wimbergen zijn bewaard gebleven. Tijdens een ingrijpende restauratie in 1876-1896 zijn door Pierre Cuypers 19 nieuwe wimbergen gemaakt en geplaatst. Een deel van de voorstellingen ontleende hij aan een middeleeuws borduurwerk als aanvulling op de 11 die oorspronkelijk de Pandhof sierden. Door gebruik van een te zachte steensoort waren een aantal wimbergen al snel zo verweerd dat tijdens een restauratie in 1960-1962 hiervan kopieŽn zijn gemaakt. Vijftien wimbergen van Cuypers zijn overgebracht naar de nabijgelegen Flora's Hof en daar nog te zien. Hieronder een paar voorbeelden van de door Cuypers gemaakte wimbergen.

De foto linksboven laat zien hoe Sint Maarten als soldaat een draak verdrijft met het kruis op zijn schild. De draak symboliseert zowel Satan als het heidendom dat de heilige heeft bestreden. Het 15e eeuwse origineel van deze voorstelling bevindt zich in het Rijksmuseum.

Sint Maarten in bisschopstenue met zijn mijter en staf laat door zijn zegen op de afbeelding rechtsboven een afgodsbeeld op een pilaar instorten, waarna het volk, overtuigd van de waarheid en kracht van het christendom, het afgodsbeeld zelf vernielt.

Toen Maarten als bisschop een door de heidenen vereerde pijnboom wilde omhakken, hielden boze boeren hem tegen. Zie foto linksboven. Uiteindelijk stelden ze voor de boom zelf om te hakken als ze de boom op Maarten mochten laten vallen. De bisschop stemde toe, maar toen de boom hem dreigde te verpletteren, wist Maarten door zijn gebed de boom weer op te heffen zodat hij de andere kant uit viel. De boeren konden maar net op tijd wegspringen en lieten zich gelijk tot het christendom bekeren dat zulke wonderen kon verrichten.

Ook Maarten week wel eens af van het rechte pad. Toen hij door ketters aan het twijfelen werd gebracht, kreeg hij daar prompt berouw over. Op de afbeelding rechtsboven komen engelen hem troosten en geruststellen.

Door de kerk werd Maarten, net als de andere heiligen, gebruikt om duidelijk te maken dat je geen hulp van de doden moet verwachten en dat je je tot een heilige moet richten met een verzoek om hulp omdat heiligen contact hebben met engelen, met de Heilige Maagd en met Christus.

Het drieluik op bovenstaande foto maakt de innige relatie van heligen als Maarten met engelen, Maria en Jezus duidelijk. Het is rond 1500 gemaakt door een onbekende meester uit Delft. In het middenpaneel zit Maria met Jezus in een omheinde hof. Twee engelen zitten achter haar. Het kind kijkt omhoog naar een visioen waarin zijn toekomstig lijden en sterven zijn afgebeeld. Op de zijpanelen knielen twee geestelijken, een man en een vrouw. Ze zijn waarschijnlijk de opdrachtgevers voor het drieluik. Achter de vrouw staat Sinte Cunera, op wie we in het stuk over Midzomer ingaan. Achter de man staat Sint Maarten in zijn bisschoppelijke kledij, een mijter op zijn hoofd, een staf in zijn hand. Zie de foto links voor een close-up van dit zijpaneel.

Voor het gewone volk was Sint Maarten niet de bestrijder van heidendom en ketterij, maar een weldoener die in veel opzichten de plaats van Wodan had ingenomen. Net als Wodan werd hij vaak op een wit paard afgebeeld. Zoals Wodan zijn WŁnschelgerte had, een staf die vruchtbaarheid bracht, zo had ook Sint Maarten zijn staf. Veel volksgebruiken rond de viering van Sint Maarten sluiten aan bij het beeld van de weldoener die goede gaven en vruchtbaarheid brengt.

In Duitsland maakten de herders op Sint Maartensdag, 11 november, een Martinsgerte van een berkentak die met twijgen van eik en jeneverbes werd omwonden. De staf werd de hele winter bewaard en in het voorjaar werd het vee ermee aangeraakt voordat het van de stal weer naar de weiden ging.

In Oostenrijk bakte men de Marteslaible, kleine harde broodjes die het hele jaar bescherming boden tegen blikseminslag en ander onheil. Net als Wodan gulle gaven bracht, werd ook Sint Maarten geacht geschenken uit te delen. Tenslotte had de heilige zijn eigen mantel in tweeŽn gesneden om hem te delen met een arme bedelaar.

In Utrecht en Holland werd Sint Maarten Schuddekorfdag genoemd. Men verzamelde appels, mispels, tamme kastanjes en noten in een grote korf die 's avonds boven het Maartensvuur werd gehangen om te roosteren. De korf werd net zo lang geschud tot de hele inhoud eruit gevallen was, waarbij alle aanwezigen probeerden hier iets van te bemachtigen.

In Duitsland was de Martinshorn bijzonder populair. Soms was dit een broodje in de vorm van een hoorn, soms een zak met lekkernijen. In Dortmund en DŁsseldorf werd de zak opgehangen en in brand gestoken zodat het snoep door de kamer vloog. In Freudenthal werd gezegd dat Sint Maarten 's nachts op zijn paard rondreed en de Maartenshoorn in de huiskamers neerlegde.

Het was een wijdverbreide gewoonte de oogst van de nieuwe wijn met Sint Maarten te kelderen en te proeven. Aan de Maartenswijn werden heel bijzondere kwaliteiten toegeschreven. De toast bij het Maartensvuur werd Maartensdronk of Maartensminne genoemd. De wijn werd geacht door Sint Maarten zelf gezegend te zijn, waardoor de most in kostelijke wijn veranderd was. Men zong daarbij een van de vele Maartensliederen:

Sint Martijn, Sint Martijn
Te Avond most en morgen wijn

Dergelijke wijnwonderen werden al bij de oude Grieken verteld over Dionysos en ook het verband met de liefde werd door de Grieken en Romeinen gelegd. De volwassen Eros, vergezeld door kleine eroten of cupido's, werd vaak in het gevolg van Dionysos-Bacchus afgebeeld. De foto rechts toont een marmeren beeld, een Romeinse kopie uit de 2e eeuw na Chr. van een Grieks voorbeeld uit de 4e eeuw v. Chr. dat zich in het Archeologisch Museum van Napels bevindt. Dionysos houdt een wijnkelk in de ene hand, een tros druiven in de andere. Naast hem staat de gevleugelde Eros.

Op veel plaatsen in Europa werd het slachtfeest op Sint Maarten gehouden. Tijdens de Speckmšrten werd een varken geslacht en anders was er wel de Maartensgans, die vaak als attribuut op afbeeldingen van de heilige te vinden is. Na het feest was er meestal een levendige handel in botjes en veertjes van de geslachte gans, waaraan grote magische krachten werden toegeschreven. Uit de vorm en kleur van het borstbeen leidde men af hoe het komende jaar zou verlopen.

In Nederland is Sint Maarten door de eeuwen heen populair gebleven. Er werd vrijwel overal hout verzameld voor het Maartensvuur dat 's avonds op de pleinen werd aangestoken. Er werd rond het vuur gedanst en feest gevierd. Later op de avond sprong men over het vuur. Plaatselijk was ook het fakkelen populair. Daarbij liepen jonge mannen met brandende fakkels in het donker door de velden. Ook met teer bestreken touw werd hiervoor gebruikt.

Voor de kleintjes was er de Sint Maartensstoet, waarin elk kind een lampion droeg of een uitgeholde wortel, voederbiet of koolraap met een lichtje erin. Later werden vooral pompoenen en kalebassen hiervoor gebruikt. Rond 1959 maakte de beeldhouwer Kees Groeneveld bovenstaande afbeelding voor een lantaarnconsole bij Vismarkt 2 in Utrecht. Deze optochten worden nog steeds op verschillende plaatsen in Nederland gehouden, al moeten ze soms plaatsmaken voor een Halloweenoptocht (zie onder).

Allerheiligen (1 november)

Hoewel Sint Maarten de heidense dodenverering een christelijke draai gaf, kon hij deze niet helemaal vervangen. De doden bleven een belangrijke rol spelen in het volksgeloof. Ook de andere heiligen konden daar niets aan veranderen. Ze werden sinds 610 in het Pantheon in Rome herdacht met Allermartelaren, op 13 mei.

Het Pantheon was van oorsprong een heidense tempel, gebouwd tussen 118 en 125 na Chr. volgens aanwijzingen van keizer Hadrianus. De schitterende koepel, die altijd overeind is blijven staan, heeft een opening in het midden waardoor het zonlicht naar binnen valt. Zie de foto rechts. De tempel bleef eigendom van de Byzantijnse keizers tot keizer Phokas in 609 het gebouw schonk aan paus Bonifatius IV, die er een kerk, de Santa Maria van de Martelaren, van maakte.

Later ontstond de behoefte ook heiligen te eren die niet de marteldood gestorven waren en in 835 stelde paus Gregorius IV het feest van Allerheiligen in. Dat dit feest op 1 november werd gezet, gebeurde volgens Louis Janssen "onder invloed van de Ierse Kerk ... mogelijk mede bedoeld om de heidense praktijk van Samhain te doen vergeten" (Nicolaas, de duivel en de doden, p 85).

Het is duidelijk dat niet alleen Samhain, maar ook de andere Dodenfeesten rond deze datum met Allerheiligen gekerstend werden. De heiligen werden ingezet om de doden in toom te houden. De kerk ontwikkelde hiervoor de leer van de Gemeenschap van de Heiligen. Deze leer is gebaseerd op de gedachte dat slechts een klein deel van de gelovigen zo goed is dat men gelijk naar de hemel kan of zo slecht dat men onherroepelijk verdoemd is. Voor de meeste mensen geldt, aldus deze leer, dat ze na hun dood een tijdlang in het vagevuur moeten doorbrengen om te boeten voor hun zonden en gelouterd te worden voordat ze naar de hemel mogen. De Gemeenschap van de Heiligen wordt gevormd door de heiligen, de zielen in het vagevuur en de levende gelovigen. Deze gelovigen kunnen op Allerheiligen de heiligen vragen het lot van de zielen in het vagevuur zo draaglijk mogelijk te maken.

Van vereerde doden naar arme zielen

De doden, die door alle Indo-Europese stammen vereerd werden als voorouders en als dragers van de goddelijke kracht die zelfs de dood overwint, werden door het christendom in een heel ander daglicht gesteld. Hulp moest men niet verwachten van de doden, want ze waren zelf hulpeloos en overgeleverd aan hun kwelgeesten in het vagevuur.

De doden raadplegen over belangrijke vraagstukken was zinloos, want als ze tijdens hun leven over enige wijsheid hadden beschikt, zeiden de kerkleiders, waren ze niet in het vagevuur terechtgekomen. De doden van eten en drinken voorzien, was nutteloos omdat ze geen lichamelijke behoeften meer hadden. De doden waren niets mťťr dan betreurenswaardige arme zielen.

Grafstenen uit de renaissance getuigen meestal van een geloof in de groeikracht die de overledenen bezitten. In het bovenstaande hebben we hier al verschillende voorbeelden van gegeven. Hierboven twee foto's van grafstenen uit de Frauenkirche in Dresden. In de oorlog is de kerk verwoest. Bij de herbouw zijn de restanten van de oude grafstenen in de benedenkerk tentoongesteld.

De foto rechtsboven toont een doodshoofd waaruit stengels en bloemen groeien. Klik op de foto om het geheel te zien. Onder het hoofd groeien acanthusstengels. Op het hoofd brandt een kaars. Links van het hoofd is een hoorn van overvloed te zien, gevuld met druiven en andere vruchten. Linksboven is een krans gevlochten van takjes. Dit is geen arme ziel, maar een dode die over veel kracht beschikt.

Het grafmonument op de foto linksboven draagt een heel andere boodschap uit. Onder het doodshoofd ligt een omgevallen zandloper, die aangeeft dat de tijd voor deze persoon voorbij is. De gekruisde spa en hak geven aan dat het lichaam begraven is. Uit het hoofd kruipt een slang met een appel in de bek. Het is een sybool voor satan die Eva met een verboden vrucht heeft verleid en de erfzonde over de mensheid heeft afgeroepen. Van deze dode is niets goeds te verwachten. Die is in de greep van de demonen in het vagevuur en kan niemand helpen.

Van de arme zielen is in geen enkel opzicht hulp te verwachten. Dat was het offciŽle standpunt van de kerk. Wel kun je je eigen lot in het hiernamaals verbeteren door de arme zielen met gebed te steunen en door goede werken te verrichten uit naam van de arme zielen. In plaats van de doden te laven en te spijzigen, kun je beter de armen van voedsel en drinken voorzien. In plaats van de doden van rijke grafgiften te voorzien, kun je beter deze bijdrage aan de kerk schenken.

Allerzielen (2 november)

In het jaar 1006 werd door paus Johannes XIX op 2 november Allerzielen ingesteld. Het feest was bedoeld om het lot van de arme zielen te gedenken en op die dag voor hun zieleheil te bidden. Tijdens het bidden zouden de zielen tijdelijk uit het vagevuur verlost zijn en door het graf met wijwater te besprenkelen, werd je geacht de brandwonden te helen.

In de praktijk was Allerzielen voor het gewone volk een gelegaliseerde aanleiding om hun geliefde doden te eren. De graven werden versierd en er werd meestal een lampje op gebrand. Ook werd eten en drinken, ondanks protesten van kerkelijke zijde, op de graven neergezet.

In Beieren en Oostenrijk werd vaak de periode van 30 oktober tot 8 november aangeduid als Seelenwoche en gebruikt om het contact met de doden te onderhouden. Nog steeds worden op 2 november op veel plaatsen in de christelijke wereld de graven schoongemaakt, met bloemen versierd en van een lichtje voorzien.

Op de foto rechts de grafzerk voor Peter Aertssen van Hees en zijn vrouw Maria van Zoerendonck in de kathedraal van Den Bosch. Peter stierf in 1616 en was secretaris van de stad, zoals de inscriptie op de grafzerk (niet zichtbaar op deze foto) vermeldt. Zijn echtgenote was in 1586 overleden. De afbeelding op het graf is een doodshoofd met daaronder twee gekruiste beenderen. Aan de beenderen hangt een bord met daarop een boom met bladeren en een reiger met een slang in de snavel. De symboliek is duidelijk: het lichaam vergaat, maar de geest van de overledene blijft voortbestaan. De slang, symbool voor de onderwereld en de dood, wordt door de reiger gevangen en de boom groeit verder.

Dergelijke grafstenen tonen niet het lijden van de arme zielen, zoals de kerk dat graag zag, maar de kracht van de overledene, die werd geŽerd met Allerzielen.

De goede doden

De winter was voor de verschillende Indo-Europese stammen de tijd dat de doden terugkeerden naar de plaats waar ze tijdens hun leven hadden gewoond of de plaats waar ze waren begraven. Ze konden hun intrek nemen op zolder of in een schuur of donkere kast en meestal wist je niet eens dat ze er waren. Tot na het wintersolstitium konden ze echter van hun aanwezigheid blijk geven door wonderbaarlijke verschijningen en vreemde gebeurtenissen. De doden konden worden opgeroepen of geraadpleegd door middel van divinatie (orakelen). Ook konden ze uit zichzelf verschijnen of een bewijs van hun bezoek in de vorm van een geschenk achterlaten.

Sinterklaasavond (5 december)

Veel verhalen rond Sint Maarten passen in het beeld van de goede doden die geschenken brengen, maar ook andere heiligen deden dat. De bekendste is natuurlijk Sint Nicolaas, wiens naamdag op 6 december valt, maar wiens feest, zoals gebruikelijk bij heidense feesten, op de vůůravond wordt gevierd. Op dat moment begint tenslotte de nieuwe dag al.

Nicolaas is rond het jaar 300 geboren in Patara in Lydia, nu Turkije, en werd bisschop van Myra, waar hij ook is overleden en begraven. Al snel werd hij in heel Europa bekend om de wonderen die hij tijdens zijn leven had verricht en de kracht die hij nog steeds uitstraalde. In 1087 werd zijn sarcofaag opengebroken door kooplieden uit Bari in ItaliŽ die zijn gebeente meenamen, waarna het spoorloos is verdwenen. Een paar vingerkootjes die waren achtergebleven, hebben we in het Archeologisch Museum van Antalya gezien.

De plaats waar zijn gebeente ooit had gelegen, is nog steeds een bedevaartsoord. Bovenstaande foto's laten zien hoe jonge en oudere bezoekers het deksel van de sarcofaag aanraken om iets van de kracht van de heilige in zich op te nemen of een wens in vervulling te laten gaan. In feite is de deksel die ze aanraken van een heidense Romeinse sarcofaag uit de 2e eeuw, die waarschijnlijk voor de sarcofaag van de heilige is hergebruikt. Het was niet ongebruikelijk sarcofagen of deksels uit het nabijgelegen Romeinse kerkhof een nieuwe, christelijke bestemming te geven. Onder de deksel is op de foto rechtsboven de opengebroken sarcofaag te zien die vrijwel zeker voor Nicolaas is gebruikt.

In het Byzantijnse rijk en de latere Orthodoxe Kerk werd Sint Nicolaas afgebeeld met een stralenkrans en met een bijbel in de ene hand terwijl hij met de andere hand een bisschoppelijke zegen geeft. Zie de afbeelding linksboven, waar een Grieks icoon van de heilige uit 1894 op de omslag van het boek is geplaats tussen de heidense Lycische rotsgraven uit de 5e eeuw v. Chr.

In het westen werd Nicolaas altijd afgebeeld met een mijter en een bisschopsstaf. De staf is een symbool van zijn gezag als kerkleider, maar is ook verwant met de staf van Sint Maarten, die vruchtbaarheid brengt.

Het beeld op de foto midden boven troffen we aan in de kerk Santa Maria de los Reales Alcazares in Ubeda, Spanje. Waarschijnlijk gemaakt in de 19e of vroeg 20e eeuw. San Nicolas draagt zijn gebruikelijke bisschopskledij met staf en mijter. De linten en de twee broden aan zijn rechterpols getuigen van een hedendaatse verering van de bisschop voor de goede gaven die hij brengt.

Op veel afbeeldingen worden de wonderen getoond die de heilige heeft verricht. Een gevelsteen uit begin 17e eeuw, op de hoek van de Dam en het Damrak in Amsterdam maakt een van zijn grootste wonderen aanschouwelijk. Zie de foto rechtsboven. Tijdens een hongersnood had een slager drie kinderen gedood en in stukken gesneden om het vlees te verkopen. Nicolaas doet de stukken in een tobbe en weet door zijn zegening de kinderen weer tot leven te brengen.

Een ander wonder tijdens de hongersnood is dat hij voor de Byzantijnse keizer bestemd graan uit een schip in de haven weet te stelen en te verdelen onder de armen zonder dat de lading in het ruim vermindert.

Nicolaas wordt vaak vergeleken met Wodan, die bij de Germanen eveneens vruchtbaarheid en overvloed bracht in tijd van nood. Hoewel een aantal wetenschappers sinds de jaren dertig van de vorige eeuw het verband tussen Sinterklaas en Wodan ontkent, valt niet te loochenen dat de goede Sint is geŽnt op het thema van de teruggekeerde doden die over wonderbaarlijke krachten beschikken en goede gaven verstrekken aan wie hen eer betoont.

In 1931 ontvouwde K.Meisen in Nikolauskult und Nikolausbrauch im Abendland de theorie dat de Nicolaaslegende grotendeels uit christelijke bronnen te verklaren is. Wel zag Meisen een verband met de voor-christelijke dodencultus, maar verklaarde deze met Griekse en Romeinse voorbeelden.

Louis Janssen maakt in Nicolaas, de duivel en de doden een strict onderscheid tussen Nicolaas en Wodan, maar toont wel aan dat de Germaanse dodencultus het voorbeeld voor de Nicolaaslegenden en -gebruiken is geweest.

Rita Ghesquiere, doctor in de Germaanse filologie, gaat in haar studie Van Nicolaas van Myra tot Sinterklaas (1989), ervan uit dat zowel heidense als christelijke elementen tot de vorming van Sinterklaas hebben bijgedragen. Ze noemt de overeenkomsten tussen Sinterklaas en Wodan "opmerkelijk", p 77. Zoals alle heidense doden als demonen werden voorgesteld, zo is ook het gevolg van Sint Nicolaas in de middeleeuwen een stoet duivels aan een ketting, hun gezichten zwart geverfd of gemaskerd. Zwarte Piet, in Duitsland Ruprecht genoemd, is nog overgebleven van deze helse voorstelling.

Op Texel, in de afgeschermde omgeving die een eiland eigen is, wordt het Sunderklazen op 12 december gevierd door gemaskerde en verklede mannen die, in de anononimiteit van hun vermomming, alles doen wat de rest van het jaar verboden is.

Van goede gaven naar bedeltochten

De gaven voor de doden werden in de Middeleeuwen overgedragen op de armen en wel speciaal op de arme kinderen en weeskinderen. Deze kinderen gingen op hun beurt halen waar ze meenden recht op te hebben. Op bepaalde hoogtijdagen gingen ze, vaak gemaskerd of met zwart gemaakte gezichten, in optocht met lampionnen de buurt rond en klopten huis aan huis om geld, appels of noten te vragen.

Vooral met Sint Maarten (11 november), Sint Andries (30 november) en Sint Nicolaas (5 december) kwamen deze optochten algemeen voor. Vaak werd er gezongen voor de tractatie, maar wie niets gaf, kon erop rekenen uitgescholden of vervloekt te worden.

De jongeren, als plaatsvervangende doden, werden geacht over bepaalde krachten te beschikken en weinig mensen weigerden iets te geven. Vaak waren er speciale zielebroodjes die hiervoor gebakken werden en uitgedeeld aan de kinderen. In Engeland werden dit soul cakes genoemd, terwijl de strooptocht go a-souling heette. Op Vlieland gingen de kinderen tijdens de bedeltochten, die pierepauwen werden genoemd, in het wit gekleed met lampionnen rond.

De foto rechtsboven toont de kracht van de overledene in de vorm van een gelauwerd doodshoofd. Het maakt deel uit van het grafmonument (epitaaf) voor Pompejus de Roovere (1645-1721). Hij was Heer van Hardinxveld, baljuw van Zuid-Holland en burgemeester van Dordrecht. Klik op de foto voor het hele monument. Na zijn dood werd het monument geplaatst in de kerk van Hardinxveld. In 1935 vond het toenmalige kerkbestuur dat zo'n barok monument niet paste in een protestants godshuis. In 1936 is het monument overgebracht naar de Grote Kerk van Dordrecht, waar de Roovere destijds ook begraven is.

Halloween

In Engeland werd het Winterfeest in de middeleeuwen All Hallow's Eve, de vůůravond van Allerheiligen, genoemd, al snel afgekort tot Hallowe'en of Halloween. Het werd ook wel Hallowtide of Hollowtide genoemd.

Vanwege de associatie met heiligen en vagevuur werd Halloween vooral als een katholiek feest gezien. Tijdens de reformatie zijn dan ook verschillende pogingen ondernomen het feest te verbieden, wat ten dele gelukt is. In Engeland en Zuid-Schotland was Halloween in de Elizabethaanse tijd (1558-1603) zo goed als verdwenen. Ook in de verschillende protestantse gebieden in Noord-Europa werd het Allerheiligenfeest afgeschaft.

Hoewel de katholieke kerk Halloween propageerde als een feest waarin heiligen worden geŽerd, was het Winterfeest vanouds een moment dat de grens tussen de vertrouwde omgeving en de andere wereld gemakkelijker te overschrijden was dan anders. Contact met de doden, met geesten en bovennatuurlijke wezens was in deze tijd gemakkelijker te leggen dan in andere tijden van het jaar.

In het volksgeloof was Halloween een tijdstip dat heksen samenkwamen. De heksensabbat aan het begin van de zomer (Meiavond of Beltane) en de heksensabbat aan het begin van de winter sprak in de middeleeuwen en de renaissance tot de verbeelding.

Op de foto rechts een deel van De heks van Endor uit 1526, het schilderij waarmee we deze pagina openden. In het hier getoonde fragment houden heksen hun sabbat ter ere van Satan, die in de gedaante van een bok in hun midden is. Een naakte heks komt aanvliegen. Ze zit op de schedel van een groot dier die door een vliegende haan wordt voortgetrokken.

De heks met Halloween is voortgekomen uit oudere heidense voorstellingen van de Godin als oude vrouw die de zorg voor de overledenen op zich neemt. In het bovenstaande hebben we al gewezen op Hekate als begeleidster van de overledenen. In de middeleeuwen en renaissance werd Hekate vaak voorgesteld als een oude vrouw en een heks.

Een ander prototype van de heks als oude vrouw is voortgekomen uit de Schikgodinnen, drie vrouwen die in verschillende pantheons voorkomen. De Grieken noemden ze Moirai. Klotho spint voor elk mens de levensdraad. Lachesis houdt de draad in stand en Atropos snijdt aan het eind van het leven de draad door. Zelfs de Goden hadden hier geen invloed op. De noordelijke Germanen kenden de Schikgodinnen als nornen. Ze werden Urd (verleden), Verdandi (heden) en Skuld (toekomst) genoemd.

De schikgodinnen spraken ook in het gekerstende Europa tot de verbeelding. In het Museum voor Schone Kunsten in Boedapest is een borstbeeld te zien, gemaakt rond 1600 door een onbekende Italiaanse meester. Het stelt een van de Schikgodinnen voor. De vrouw maakt een stokoude en tegelijk krachtige indruk. Iemand die respect afdwingt bij Goden en mensen.

Gebruiken rond Halloween door de eeuwen heen zijn een mengeling van heidense en christelijke motieven.

In Ierland, Wales en Noord-Schotland leefde het Winterfeest vooral op het platteland voort. Tot in de 20e eeuw was het algemeen gebruik op All Hallow's Eve een stukje brood in de vensterbank te leggen voor de geesten. Tijdens een grote optocht werd door gemaskerde dansers en muzikanten de wereld op haar kop gezet. Uitgeholde vruchten met lichtjes erin vertegenwoordigden de geesten van de overledenen. Omdat Halloween het begin van het nieuwe jaar is, voorspellen orakels wat er het komende jaar zal gebeuren. Wie niet zelf kon orakelen, raadpleegde een waarzegster. De foto rechts, genomen in het Museum voor Hekserij en Inquisitie in Ronda, Spanje, laat zien hoe men zich een waarzegster in de 19e eeuw voorstelde.

Een van de redenen om met Halloween een bedeltocht te organiseren was om hout te verzamelen voor het grote vuur dat 's avonds werd aangestoken. Daarin werd meestal een grote stropop verbrand. Deze stropop speelde vooral in de Lente- en Zomerfeesten een rol. In die feesten stelde de stropop de winter voor, maar de pop werd ook wel heks genoemd.

Met Halloween is het niet de winter van het afgelopen jaar die verdreven wordt. Die is immers allang verdwenen. De nieuwe winter staat voor de deur en hoewel hij niet verdreven kan worden, kan de kou nog wel een tijdje op een afstand worden gehouden. Ook is het verbranden van de stropop niet alleen het verdrijven van de winter, maar ook en vooral het doorgeven van de vruchtbaarheid. Het stro is wat is overgebleven van de vorige oogst en om de vruchtbaarheid hieruit los te maken wordt een deel van het stro verbrand of in het water gegooid. De geesten van de overledenen werden gezien als hoeders van de vruchtbaarheid in de wintertijd. In het voorjaar en de zomer werd een ander deel van het stro verbrand en werd de vruchtbaarheid door de geesten teruggegeven aan de aarde.

In Engeland nam Guy Fawkes Night, 5 november, het verbranden van de stropop met All Hallow's Eve over. Alleen werd de stropop daar genoemd naar de verrrader die op 5 november 1605 het parlementsgebouw wilde opblazen. Zo kon het verboden All Hallow's Eve toch voortgezet worden.

Op de foto linksboven is op de omslag van een boek over volksgebruiken in Groot-BrittanniŽ en Europa rechtsonder het verbranden op Guy Fawkes Night van een grote stropop in Lewes, Sussex, te zien

In de 19e eeuw emigreerden veel Ieren naar de Verenigde Staten en al snel werd Halloween daar een van de belangrijkste jaarfeesten. Talloze kinderen gaan die avond gemaskerd en als heks of monster verkleed in groepjes de straat op en bellen huis aan huis, waarbij ze "trick or treat" roepen. Als ze geen tractatie (treat) krijgen zullen ze vervelende geintjes (trick) met je uithalen.

In de loop van de twintigste eeuw werd Halloween als Amerikaans feest in Europa weer ingevoerd en op bescheiden schaal gevierd, maar nu meer als kindervermaak dan als de spil van de jaarfeesten, die het ooit was geweest.

Een Winterviering voor deze tijd

Het oude heidense Winterfeest was gebaseerd op de gedachte dat de grens tussen de gewone wereld en gene zijde in deze tijd wat minder strikt is dan anders. Voor de Indo-Europese volkeren betekende dit dat ze contact konden krijgen met de overleden voorouders die drie generaties lang nog in de winter terug zouden keren.

Voor Wicca's en andere moderne heidenen biedt het Winterfeest de mogelijkheid op de een of andere manier contact te maken met een overleden vriend of familielid. Toch zal het begrip voorouders voor hen niet hetzelfde betekenen als voor de Germanen of Kelten, voor wie familie, stam en geloofsgenoot dezelfde groep omvatte. Voor moderne heidenen is de situatie meestal dat hun familie en voorouders een ander geloof aanhangen of aanhingen dan ze zelf doen. Ook zijn zij niet gewend in stamverband te leven en ook daarom betekenen voorouders voor hun iets anders dan voor de heidense Kelten of Germanen.

Het Winterfeest is ook voor moderne paganisten een feest om met de andere wereld in contact te komen, maar daarbij hoeven de voorouders geen rol te spelen. Je kunt contact zoeken met een dierbare dode -misschien een familielid, vriend of vriendin- maar je kunt ook onbekende geesten ontmoeten en iets van ze leren. Of je zoekt contact met een totemdier, dat je al eerder bent tegengekomen. Of je stelt je open voor de krachten uit de andere wereld, welke vorm ze ook aannemen. Als je in je religie met de God en de Godin werkt, zullen de krachten zich deels rond hun wezen vormen.

Tijdens het Winterfeest is het gemakkelijker een persoonlijk contact met de wezens uit de andere wereld tot stand te brengen. Als je eraan gewend bent met de heersers van de elementen te werken, zullen die zich in het Winterfeest gemakkelijker manifesteren dan anders.

Het bovenstaande moet niet sensationeel worden voorgesteld als het oogverblindende optreden van een bovennatuurlijke verschijning. Soms is een vluchtige aanraking, een flauw lichtschijnsel of nauwelijks hoorbaar geluid het enige dat je een andere aanwezigheid gewaar doet worden. Meestal is het niet meer dan een vaag gevoel dat er iets om je heen is dat je niet met je gewone zintuigen kunt waarnemen.

Door te orakelen tijdens een ritueel voor het Winterfeest kun je de daar aanwezige krachten, welke dat ook zijn, vragen je te helpen het juiste antwoord op een vraag te vinden. Omdat het Winterfeest het begin van het jaar is, kun je de uitkomst als aanwijzing voor het hele komende jaar opvatten.

In Engeland legde men vaak stenen in het Halloweenvuur. Ieder zette een eigen teken op een steen en de volgende dag ging men kijken wat het vuur met de stenen had gedaan. Als ze waren gebarsten of weggerold, was dat een slecht teken voor de betreffende persoon.

Ook andere vormen van divinatie tijdens het Halloweenfeest waren zeer geliefd. Vooral de appel speelde daarbij een grote rol. In Het vieren van de Maanfeesten, hoofdstuk 16 (Oogstmaan) heeft Ko deze divinatiemethoden beschreven.

Sommige spelletjes in de huiselijke kring werden door de deelnemers als amusement gezien, maar even vaak wilde men iets te weten komen over de toekomstige geliefde of de perikelen in een bestaande relatie.

Om te orakelen, kun je gebruik maken van de verschillende in de handel zijnde systemen of je eigen orakel ontwerpen. In De kringloop van het leven, hoofdstuk 10, hebben we een groot aantal technieken beschreven. Een eenvoudige manier om te divineren is met twee dobbelstenen. Het werpen met stenen, blokjes hout of botjes, voorzien van een of meer symbolen, letters of cijfers is al vele duizenden jaren oud.

Orakelen met dobbelstenen

Het idee voor de hieronder beschreven manier om te divineren met twee dobbelstenen is ontleend aan Basil Ivan Rakoczi, Fortune telling (1970), p 116, en door ons verder uitgewerkt. Je begint met de stenen te gooien om het lot te laten beslissen waarover je iets zal worden onthuld. De mogelijke onderwerpen, gebaseerd op de huizen van de horoscoop, zijn:

2: Geldzaken, bezittingen
3: Communicatie, korte reizen, broers of zusters
4: Huis en huiselijke omstandigheden, de vader
5: Ontspanning, spel, kinderen
6: Gezondheid, dienstverlening
7: Relaties, ook op zakelijk gebied
8: Seksualiteit, dood, geboorte, transformatie
9: Groei, ontwikkeling, verre reizen
10: Sukses, de moeder van de vraagsteller
11: Vriendschap
12: Verlies, beproeving, transformatie

Daarna gooi je opnieuw de twee stenen om te zien wat je te wachten staat:

2: Tegenstellingen zijn moeilijk te overbruggen
3: Door samenwerking en harmonie kun je veel bereiken
4: Goede bedoelingen kunnen stranden op de starheid van anderen
5: Alles kan veranderen, ten goede of ten kwade
6: Vertrouw erop dat alles goed komt, wat er ook gebeurt
7: Het is beter voorzichtig te zijn dan teleurgesteld te worden
8: Er komt beweging in de zaak, maar voorzichtigheid is geboden
9: Vertrouw op je eigen kracht, niet op die van anderen
10: Een doel dat je lang voor ogen hebt gehad, komt binnen handbereik
11: De dingen zijn anders dan ze lijken
12: Neem met niets minder dan het beste genoegen

De magie van het vlechten

Door magisch werk te doen tijdens een Winterfeestritueel kun je de daar aanwezige krachten vragen je te helpen iets te veranderen. Het hieronder genoemde voorbeeld is door ons uitgevoerd tijdens een ritueel met vijftig mensen, waarvan de meesten niet waren ingewijd. Het is een eenvoudige en veilige manier om een magische handeling te verrichten met een groep of als je alleen bent.

Je neemt een kaars met bijbehorende kandelaar of standaard, een ketel of schaal en drie smalle stroken papier. De kaars steek je aan. De ketel of schaal zet je ernaast. Op de eerste strook papier beschrijf je in een paar woorden een probleem. Op de tweede strook beschrijf je het doel dat je wilt bereiken en op de derde strook de weg waarlangs je dat doel wilt bereiken. Een voorbeeld kan zijn dat je werkloos bent en aan de slag wilt. Je kunt de strookjes dan als volgt invullen:

1 Probleem: Ik ben werkloos
2 Doel: Ik heb een vaste baan
3 Weg: Ik ga een sollicitatiebrief schrijven.

Deze strookjes ga je in elkaar vlechten. Het vlechten is een eeuwenoude handeling om iets dat je wilt bereiken magisch te bekrachtigen. Bij de beschrijving van het vlechtbrood komen we hierop terug. Om drie stroken papier te kunnen vlechten, moeten ze niet te breed zijn. Je moet ze aan de bovenkant op elkaar leggen en vastmaken, bijvoorbeeld met een nietje, lijm of draadje wol.

Daarna vlecht je de drie stroken in elkaar en maakt ze aan de onderkant vast. Terwijl je het doel dat je wilt bereiken, visualiseert zeg je: "Moge het vuur mijn wens transformeren naar de werkelijkheid." Hierna steek je met de kaars de ineengevlochten stroken aan en gooit ze in de ketel of schaal waar je ze laat uitbranden.

Als je op het derde strookje had aangegeven iets te zullen ondernemen, doe je dat na het ritueel of zodra de gelegenheid zich voordoet. In het gegeven voorbeeld ga je dus een sollicitatiebrief schrijven zodra je een geschikte vacature ziet.

Wat wil je opofferen en wat behouden?

Vanouds was het Winterfeest, naast een Dodenfeest een Slachtfeest. Op de boerderij werden meestal een of meer varkens geslacht. Wat gerookt kon worden, werd in de schoorsteen gehangen en diende samen met de gemaakte worst en balkenbrij als wintervoorraad. Dieren die men niet gedurende de hele wintertijd kon voederen, werden verkocht of geslacht.

In onze moderne maatschappij is het slachten steeds meer het werk van specialisten geworden. Het slachten was destijds noodzakelijk om de winter door te komen. In overdrachtelijke zin kan het Winterfeest voor ons nog steeds een slachtfeest zijn. We kunnen ons erover beraden wat we moeten achterlaten (verkopen), wat we willen opofferen (slachten) en wat we willen bewaren (de winter door helpen).

In het ritueel kun je dit bijvoorbeeld vormgeven door drie lijstjes in te vullen met dingen die je wilt achterlaten, opofferen of bewaren. Midden in de Cirkel zet je een ketel en een brandende kaars. De lijst met zaken die je wilt achterlaten draag je driemaal widdershins (tegen de klok in) de Cirkel rond. Je loopt dan naar de kaars en zegt: "Dit wil ik achter me laten." Daarna steek je het papier aan en gooit het in de ketel. Dan pak je het lijstje met dingen die je wilt opofferen en je zegt: "Dit wil ik opofferen." Ook dit papier verbrand je. Daarna neem je het derde papier en loopt driemaal deosil (met de klok mee) rond de Cirkel. Dan loop je naar de kaars en zegt: "Dit wil ik meenemen." Daarna verbrand je ook dit papier. Widdershins en deosil lopen zijn eeuwenoude methoden om zaken af te sluiten of te versterken.

Wat wil je oogsten?

In beperkte mate is het Winterfeest ook een laatste oogstfeest. De geslachte dieren zijn in zekere zin de oogst van de zomer. Noten, zaden, de laatste appels en knolgewassen worden rond deze tijd geoogst. Het Herfstfeest is in dit opzicht belangrijker, maar de winter is nu dichterbij en wat niet in de herfst is geoogst, kan nu misschien alsnog worden binnengehaald.

De relatie tussen Samhain en oogst is ook dat men de hulp van de doden inriep om voor het volgend jaar een goede oogst te verzekeren. Zaad werd vaak in de winterviering betrokken om de kracht van de doden op het zaad over te brengen. Soms werd van het laatste koren een krans voor de doden gemaakt die tijdens de winteromgang rond de velden werd meegedragen. Zowel het binnenhalen van de laatste oogst als het overbrengen van kracht op iets dat later geoogst zal worden, is een thema dat in een Winterfeest vorm kan krijgen. In het door ons uitgewerkte ritueel wordt een wens overgebracht op een kaars die door de groep wordt opgeladen tijdens een handeling, waarbij alle kaarsen tweemaal deosil de Cirkel rond gaan.

Uithollen van pompoen of kalebas

Je kunt pompoenen of kalebassen uithollen en er met een mesje ogen, neus en mond in uitsnijden, waarna je er een waxinelichtje in kunt branden. Bij de groenteman zijn rond deze tijd meestal wel eetbare pompoenen te koop. Niet-eetbare pompoenen en kalebassen zijn te koop bij bloemist of tuincentrum. De vruchten vertegenwoordigen enerzijds de oogst van het moment, terwijl de verlichte gezichtjes de geesten van de voorouders die het feest opluisteren, symboliseren.

Je begint ermee een kapje van de pompoen of kalebas af te snijden. Met een lepel haal je de zaden en draden uit de vrucht. De zaden kun je drogen om in het voorjaar je eigen pompoenen en kalebassen te zaaien. Met een grapefruitmesje, meloenbolletjeslepel of appelboor kun je de vrucht verder uithollen. Zorg ervoor dat de wand niet te dun wordt en maak de bodem plat genoeg om er een waxinelichtje op te kunnen zetten.

Met een balpen kun je ronde, rechthoekige of driehoekige ogen en een neus aftekenen. Maak de mond niet te ingewikkeld, met tanden en al, want dat is moeilijk uit te snijden. Maak mond en neus ook niet te groot, want dan is het gezicht niet stevig genoeg meer en zul je er snel een stuk afbreken.

Met een lang, dun mesje snij je de verschillende openingen in het gezichtje waarna je de blokjes eruit kunt drukken. Voordat het ritueel begint kun je een waxinelichtje in de pompoen(en) aansteken.

Kruidige pompoentulband

Een pompoen van ongeveer 600 gram kun je gebruiken om het volgende recept te maken. Als je tijdens het uithollen van een pompoen uitschiet en het gezichtje ťťn groot gat is geworden kun je op deze manier de pompoen nog nuttig gebruiken. Anders moet je gewoon een pompoen schillen en het vruchtvlees in stukjes snijden. Je hebt nodig:

1 tulbandvorm
400 gr pompoenstukjes
200 gr zonnebloempitten
200 gr rozijnen
4 eieren
2 dl olie
175 gr bloem
175 gr volkorenmeel
250 gr rietsuiker
2 zakjes bakpoeder
2 theelepels kaneel
1 theelepel gemberpoeder
1/2 theelepel gemalen kruidnagel
1/2 theelepel gemalen nootmuskaat
geraspte schil van 1 citroen
snufje zout
boter en paneermeel voor de tulbandvorm

Kook de stukjes pompoen in ruim water in ongeveer 15 minuten gaar. Laat de pompoen uitlekken en maak er met een pureestamper moes van. Klop de eieren, suiker, olie en de afgekoelde pompoenmoes met een mixer goed door elkaar. Doe de kruiden, zout en geraspte citroenschil erdoor en klop nog even. Roer de rozijnen en de zonnebloempitten erdoor. Doe nu het volkorenmeel erbij. Zeef de bloem met het bakpoeder boven dit beslag en roer ook dit erdoor. Vet de tulbandvorm in en doe er wat paneermeel overheen om vastkleven te voorkomen. Schud overtollig paneermeel eruit. Schep het beslag in de vorm en bak de tulband in het midden van een voorverwarmde oven op 180 graden C in 70 minuten gaar. Laat de tulband in de oven iets afkoelen. Verwijder de vorm en laat de tulband op een rooster verder afkoelen. De tulband kun je bewaren voor het feest na afloop van het ritueel.

Vlechtbrood voor het Dodenfeest

Voor de koekjes-en-wijn ceremonie kun je een vlechtbrood bakken. Vlechtbrood werd door de eeuwen heen in verschillende landen van Europa gebakken met Allerzielen als offerbrood voor de arme zielen. In Duitsland werd het Seelenbrot of SeelenzŲpfe genoemd.

Vlechtbrood werd wel gezien als substituut voor haaroffers, die op zich weer een vervanging van mensenoffers zouden zijn. Deze theorie, ontworpen door Max HŲfler, die vrijwel alle brood en gebak als substituut voor mens- en dieroffers ziet, is al in de jaren dertig door Franz Eckstein in het HandwŲrterbuch des deutschen Aberglaubens bekritiseerd. Eckstein ziet de oorsprong van het Allerzielenbrood als spijsoffer aan de overleden voorouders. Het vlechten is voor Eckstein een magische handeling die bij de magische dodenwereld past. Hoewel met Allerzielen nog andere brood- en gebakvormen voorkomen, is het vlechtbrood een van de belangrijkste. Voor het vlechtbrood heb je nodig:

500 gr volkorenmeel
3 dl karnemelk
1/2 dl olie
zakje gedroogde gist of 30 gram verse gist (zie de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad)
1 eetlepel gedroogde tijm
1 eetlepel gedroogde rozemarijn
1 eetlepel gedroogde peterselie

Meng de gedroogde gist door het meel. Roer het zout en de gedroogde kruiden erdoor. Voeg de karnemelk en de olie toe. Kneed alles goed door tot het deeg een elastische bol vormt. Laat dit op een warme plaats onder een natte schone theedoek rijzen tot tweemaal dit volume. Dit kan 30-60 minuten duren. Hierna kneed je het deeg goed door op een met bloem bestoven aan¨recht. Je deelt het in drieŽn en vormt er drie rollen van ongeveer 30 cm lengte van. De rollen leg je naast elkaar op een ingevette bakplaat. Leg de uiteinden op elkaar en zet er iets zwaars op. Vlecht nu de drie rollen in elkaar. Doe dit losjes want er moet ruimte overblijven om te rijzen. Werk de drie uiteinden netjes af, leg ze op elkaar en druk ze een beetje plat. Bestrijk het brood met los geklopt ei. Laat de vlecht weer rijzen. Bak daarna het brood in een oven op 200 graden C in 20 minuten gaar.

Speculaas en pepernoten

De pepernoten en speculaaspoppen die Sinterklaas en Zwarte Piet vanouds voor ons meenemen, zijn onderdeel van de goede gaven die geesten voor het Winterfeest meebrengen. De pepernoten worden meestal bij verrassing over ons uitgestort. De speculaaspoppen beelden geschenken in koekvorm uit. Voor het deeg heb je nodig:

250 gr bloem
125 gr margarine
200 gr basterdsuiker
4 eetlepels melk
2 theelepels bakpoeder
1 eetlepel kaneel
1 theelepel kruidnagel
1 theelepel kardemom
1 1/2 theelepel gemberpoeder

In plaats van de laatste vier ingrediŽnten kun je ook 2 eetlepels koekkruiden nemen. Doe de bloem, suiker, zout, de kruiden en het bakpoeder bij elkaar. Snij de boter in de bloem met twee messen in kleine stukjes, ter grootte van een erwt. Voeg de melk toe en kneed hier met de hand snel een samenhangende bal van. Pak dit in huishoudfolie en laat dit een nacht in de koelkast rusten.

Van dit deeg kun je pepernoten bakken. Je maakt hiervoor kleine balletjes die je op een ingevette bakplaat drukt, zodat ze aan ťťn kant plat worden. Je kunt het deeg ook uitrollen tot een dikke plak en deze op het bakblik tot speculaas bakken. Na afkoelen kun je er speculaasbrokken van maken.

Om speculaasvormen te make,n gebruik je een speculaasplank. Bestrooi de plank met bloem. Druk het deeg op de plank en snij het overtollige deeg eraf. Beklop de plank op een ingevette bakplaat tot de koek uit de vorm valt. Dit herhaal je tot het deeg op is. Bak de pepernoten en speculaasvormen 12-15 minuten in een oven op 180 graden C. De dikke plak bak je in 20 minuten.

Tamme kastanjes

Tijdens het feest kun je tamme kastanjes serveren. Je kunt ze rond deze tijd verzamelen of kopen. Kruis ze in en pof ze gedurende drie kwartier in een droge koekepan.

Mispelwijn

Voor het Winterfeestritueel kun je mispelwijn maken. Op de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad is het zelf maken van wijn uiteengezet. Mispels zijn in oktober en november over het algemeen te koop bij de groenteman. Soms kun je een kistje bestellen. Landgoederen met een traditionele boomgaard hebben vaak wel mispelbomen staan. Ook worden mispels in toenemende mate geplant in parken en groenstroken. Als je niet weet hoe ze eruit zien, kan een bomenboek uitkomst bieden.

Pluk de vruchten als ze net rijp zijn. Het is een misverstand dat mispels snel rotten of dat zelfs beter rotte vruchten gebruikt kunnen worden. Voor 5 liter mispelwijn heb je nodig:

3 kg mispels
1 1/2 kg suiker
1/2 theelepel looizuur
2 1/2 liter water
1 theelepel gistvoedingszout
1 theelepel pecto-enzym
sulfiet
giststarter

Maak twee dagen van tevoren een giststarter, zoals beschreven op de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad . Hak het fruit fijn. Doe het in een schone emmer, pan of gistingsvat, giet er 2 1/2 liter kokend water over en roer de suiker erdoor. Laat dit afkoelen en doe de giststarter, het looizuur, het gistvoedingszout en het pecto-enzym erbij. Laat dit goed afgedekt op een warme plaats staan. Roer drie keer per dag. Na vier dagen zeef je de most en doet het in een 5-literfles, die je met een hete sulfietoplossing hebt schoongemaakt. Vul aan met lauw water. Verder als gebruikelijk.

Samhain-wierook

Als wierook kun je 1/2 eetlepel van de basiswierook nemen (zie bijlage 1). Hieraan voeg je toe: 1/4 theelepel kaneel, 1/2 theelepel lavendel en een verkruimeld laurierblad. Deze wierook is ook te gebruiken als divinatiewierook. Voor het Winterfeestritueel kun je ook een van de op de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad beschreven algemene wierookrecepten nemen.

Versiering van de ruimte

Voor een Winterfeestritueel kun je de ruimte sfeervol versieren door een kring van dode bladeren uit te leggen. Neem vooral mooie grote bladeren, zoals plataan, esdoorn en kastanje.

Tijdens een bos- of parkwandeling kun je van alles verzamelen dat je in een grote schaal kunt neerzetten: hazelnoten, tamme en wilde kastanjes, dennenappels en sparrenkegels, mispels, wilde appeltjes en wat je verder nog tegenkomt.

Op een speelse wijze kun je een sfeer van nacht en ontij oproepen door slingers van vleermuizen op te hangen.

De slingers kun je zelf maken door het figuurtje links op 20 x 20 cm uit te printen en uit een rol zwart crepepapier te knippen. Uit een rol haal je drie slingers van 2 1/2 meter.

Trek de vleermuis over, plak hem op dun karton en knip deze vorm uit.

Leg deze mal met de rechte kanten (voorkant lijfje en vleugeluiteinden) op de rol papier. Knip nu langs de schuine kanten van de mal. Rol het crepepapier af en de slinger is klaar.

Voorbereiding voor het ritueel

Op en bij het altaar staan de gewone attributen die bij elk ritueel worden gebruikt (zie de pagina Basisritueel).

De ruimte is versierd op een bij dit feest passende wijze. Er is wijn, een vlechtbrood of schaal met koekjes. Naast het altaar staat een grote ketel, gevuld met aarde. Er zijn evenveel witte kaarsen als aanwezigen en een schaaltje met olijfolie, eventueel met een druppeltje wierookolie erdoor.

Er zijn plaatjes bijenwas te koop in alle kleuren, inclusief goud en zilver, bij winkels die anthroposofische artikelen verkopen. Door stukjes was in je hand te verwarmen, kun je er vormen mee maken die je op de kaars drukt.

De handelingen in het ritueel, waarbij iedereen een kaars in de hand heeft, worden van tevoren geoefend tot iedereen weet wat hij of zij moet doen. Repeteer dit liever een keer extra dan dat de handeling tijdens het ritueel ontspoort.

Het ritueel

De Cirkel is gevormd volgens het basisritueel. Kaarsen, wasplaatjes en olie worden in het midden gelegd. De aanwezigen gaan in een kring zitten. PS en P zijn de priesteres en priester die het ritueel leiden. PS zegt:

We gaan nu een kaars opladen met een wens. Door die kaars te branden transformeren we die wens en zal hij werkelijkheid worden. Denk goed na over iets dat je achter je wilt laten en vraag je af wat je daarvoor in de plaats wilt hebben.

Als je dat beeld van wat je wilt bereiken duidelijk voor ogen hebt, pak je een kaars en maakt dan met was een afbeelding hiervan op de kaars. Kies een kleur en een vorm die je aanspreken. Volg gewoon je intuÔtie. Het hoeft niet mooi of duidelijk te zijn. Waar het om gaat is dat de afbeelding jou iets te zeggen heeft. Ga je gang.

Als iedereen met was een afbeelding op de kaars heeft gemaakt, zegt PS:

Neem de kaars in beide handen. Sluit je ogen, haal diep adem en ontspan je. Van boven je komt een stroom goudgeel licht naar beneden. Via je kruin komt deze stroom je lichaam in en gaat langs je ruggegraat naar beneden. Tegelijk komt een stroom donkerbruin licht omhoog en gaat door je voeten je lichaam binnen. Ter hoogte van je hart komen beide stromen samen en gaan dan langs je armen en je handen over op de kaars die je vasthoudt.

Laat deze energiestroom vloeien tot je voelt dat de kaars is opgeladen. Dan open je je ogen, je neemt de kaars in je linkerhand en doopt de wijsvinger van je andere hand in het schaaltje olie in het midden. Vanuit het midden naar boven begin je de kaars te zalven en zo maak je contact met de spirituele wereld. Daarna zalf je de kaars vanuit het middelpunt naar beneden. Zo breng je de wens terug in de materiŽle wereld.

Als iedereen de kaars heeft gezalfd, gaat men staan. De doos met kaarsen en het schaaltje olie worden buiten de Cirkel gezet en de ketel met aarde komt nu in het middelpunt. Iedereen houdt de eigen kaars in de rechterhand en staat met het gezicht naar het middelpunt van de Cirkel. PS zegt:

De zomer is voorbij, de oogst is binnen
Zoals het wiel draait, draaien wij mee
Dank, Moeder Aarde, voor Uw gulle gaven
Zoals het wiel draait, draaien wij mee

De aanwezigen draaien om hun as een halve slag met de klok mee en staan nu dus met het gezicht naar buiten. Iedereen geeft de kaars aan de persoon rechts van zich. Allen hebben nu dus een kaars in de linkerhand. Vervolgens draait iedereen weer een halve slag en geeft de kaars aan de persoon die daar het dichtst bij is. Iedereen heeft nu de kaars rechts en draait weer een halve slag. Dit wordt net zo vaak herhaald tot iedereen de eigen kaars terug heeft.

Het lijkt ingewikkeld, maar het principe is simpelweg: halve slag met de klok mee draaien en de kaars geven aan de hand die daar het dichtst bij is. Iedereen blijft op de plaats en de kaarsen gaan de Cirkel rond. Het draaien moet wel gelijktijdig gebeuren. Een van de groepsleden kan dit bijvoorbeeld met een trommel aangeven.

P zegt als iedereen de eigen kaars terug heeft:

De zomer is voorbij; laat los wat niet geoogst is
Zoals het wiel draait, draaien we mee
Laat afsterven wat al is verdord
Zoals het wiel draait, draaien we mee

De aanwezigen houden nu de kaarsen op de plaats en gaan zelf de Cirkel rond en wel als volgt. Allen hebben de kaars in de linkerhand en draaien om deze as een halve slag tegen de klok in. Iedereen staat nu met het gezicht naar buiten. Met de rechterhand neemt iedereen de kaars van de persoon rechts van zich over.

Nu is de rechterhand waarin men de kaars houdt de as waar omheen men een halve slag, nu met de klok mee, draait. Met de linkerhand pakt iedereen weer de kaars van de persoon naast zich en draait weer een halve slag tegen de klok in. Dit herhaalt zich tot iedereen de eigen kaars weer terug heeft.

Iedereen draait dus vooruit, zijn neus achterna, nooit achteruit. Als er een oneven aantal personen aan bovenstaande handelingen meedoet, eindigen beide bewegingen, die van de kaarsen en die van de personen, als iedereen met het gezicht naar buiten staat. Als dat zo is draait iedereen op het gegeven teken met de trommel nog een halve slag verder en eindigt met het gezicht naar binnen. Bij deze laatste handeling worden geen kaarsen gewisseld, want iedereen heeft en houdt de eigen kaars.

PS zegt:

Het jaar is ten einde, de oogst is binnen
Wat moet sterven, sterft
Wat moet leven, leeft
Laat los wat je achter moet laten

De groep denkt een poosje in stilte na over deze woorden. PS steekt haar kaars aan en loopt deosil ermee naar de ketel. Ze zegt:

Moge het vuur mijn wens omzetten in werkelijkheid.

Ze zet haar kaars in de aarde in de ketel. De persoon links van haar volgt en zo alle anderen, P als laatste.

Hierna gaat iedereen zitten. PS (of een ander groepslid) zegt:

Ga gemakkelijk zitten. Sluit je ogen. Haal een paar keer diep adem. Voel hoe de adem je longen en je buik vult. Hou de adem een paar seconden vast en laat hem dan weer rustig ontsnappen. Ontspan je bij het uitademen. Vul ook je borstholte met lucht en adem niet alleen met je buik.

Je loopt in een bos, op een smal pad dat zich tussen eiken en beuken door slingert. Links van je zie je een berk, rechts een kastanje. Je neemt alle bomen goed in je op.

De kastanje heeft veel van zijn bladeren al laten vallen en wat er nog hang, is vergeeld en verdord. Ook de andere bomen laten al duidelijk het jaargetijde zien. Het is een beetje kil en je bent er niet echt op gekleed. Het waait en bij elke windstoot dwarrelen bladeren naar beneden.

Je kijkt naar de lucht en je ziet donkere wolken die regen voorspellen. De weg klimt enigszins en na een poosje kom je op een open plek in het bos. Hier merk je pas goed hoe hard het waait.

Je houdt je handen voor je ogen als je de open plek oversteekt, want rechts van je is een zandvlakte en af en toe waait het losse zand meters hoog op. Soms is het of je figuren in het opgewaaide zand herkent, spookachtige, ijle verschijningen die even snel verdwijnen als ze opduiken. Het is ook net of ze geluiden maken, klaaglijke, snerpende kreten als van kleine, snelle diertjes die aan alle kanten langs je heen schieten.

Je schrikt als de hemel ineens fel verlicht is, maar het volgende moment hoor je de donder rollen en terwijl je stilstaat en erover nadenkt dat je beter onderdak kunt gaan zoeken, striemt de regen al in je gezicht.

Je kijkt om je heen, maar je ziet nergens een plek om te schuilen. Je staat midden op de open plek en de regen striemt je gezicht, terwijl de ene bliksemflits na de andere door de lucht schiet. Met je hoofd weggedoken in je jas strompel je verder.

Het is ineens donker geworden en je kunt niet zien waarheen je gaat, maar je wilt bij die open plek vandaan voordat je door de bliksem getroffen wordt. In de verte zie je een vaag licht en zo goed als dat gaat, loop je in die richting. Een paar keer verdwijnt het licht, maar steeds vind je het terug en ineens ben je er vlakbij.

Het is een houten huis en er schijnt een zwak licht door het raam. Er is een deur, en een klink, maar geen bel.Je aarzelt even en klopt dan. Er gebeurt niets. Je bonst harder op de deur. Weer niets.

Je loopt naar het raam. Als je op je tenen staat, kun je net naar binnen kijken. Je ziet niemand en het is binnen te schemerig om alles goed te kunnen onderscheiden. Terwijl je je afvraagt wat je nu te doen staat, slaat de bliksem niet ver van waar je staat in een boom en in een schrikreactie ren je naar de deur en draait de klink om. Tot je verbazing gaat de deur open en voordat je het weet, sta je binnen.

Het duurt even voordat je aan de schemer gewend ben. Het licht, begrijp je nu, kwam alleen van het vuur dat in de open haard brandt.
"Is er iemand ?" roep je.
"Ja, ik," hoor je heel zacht en verbaasd kijk je om je heen, maar je ziet niemand.
"Waar dan ?" vraag je.
"Vlak bij je," hoor je en ineens besef je dat het je eigen stem is.
"Maak het je gemakkelijk," zegt de stem. "Trek die natte kleren uit."

Je aarzelt, niet zo happig om je uit te kleden in een vreemde omgeving, waar misschien ineens iemand binnen kan komen die je vraagt wat je daar doet, maar de stem herhaalt dat je dat natte spul uit moet trekken en aarzelend doe je het.

"Gooi ze nu in het vuur," zegt de stem.
Je aarzelt.
"Doe het," zegt de stem. "Af en toe is het nodig alles achter je te laten en opnieuw te beginnen."

Je pakt al je kleren bij elkaar, loopt ermee naar de open haard en gooit ze in het vuur. Onder een hevig gesis en met veel rook doven de kletsnatte kleren het vuur.

Het is donker om je heen nu het vuur is uitgegaan, maar na een poosje begin je een vaag schijnsel te zien, een cirkel van licht om je heen. Je gaat naar de rand van de cirkel en begint met de wijzers van de klok mee over het lichtschijnsel te lopen. Je hoort een melodie, muziekinstrumenten, stemmen. Je beweegt je op het ritme van de muziek en neuriet de melodie mee.

Voor je uit dansen vage figuren als reusachtige vuurvliegjes en als je omkijkt zie je dat ze ook achter je zijn. Ze nemen je mee in hun wilde dans en je begrijpt dat het hun licht is dat de cirkel vormt. Je laat alle zorgen en beslommeringen van je af glijden en je danst of je nooit anders gedaan hebt. Je wordt er loom van en een beetje draaierig.

"Luister goed," hoor je de stem zeggen. "Als de muziek ophoudt, mag je een wens doen en daarna zul je in slaap vallen en uitgerust wakker worden."

Je danst verder. De muziek wordt luider en wilder en de lichtjes lijken te veranderen in een vlammende cirkel van vuur. Rode vlammen, gele vlammen, oranje, alle kleuren zie je om je heen.

Ineens spat de hele cirkel als een zeepbel uit elkaar en het is aardedonker om je heen. Nu mag je je wens doen en daarna val je in slaap.

Het is licht als je je ogen opendoet. Je bent naakt. Je herinnert je wat er is gebeurd: de dans, de cirkel van licht, de wens die je hebt gedaan. Je kijkt om je heen. Je bent in dezelfde kamer. Je ziet de open haard en je herinnert je dat je je kleren in het vuur hebt gegooid. Je loopt naar de haard. Je ziet je kleren liggen en je pakt ze. Ze zijn niet verbrand, zelfs niet geschroeid en je trekt ze maar snel aan.

Terwijl je de deur achter je dichtdoet en nog eenmaal omkijkt naar het kleine houten huisje in het bos, denk je opnieuw aan de wens die je gedaan hebt en je vraagt je af of hij zal uitkomen. De tijd zal het leren.

Een paar meter van je vandaan zie je een zwartgeblakerde boom. Je herinnert je de blikseminslag en je huivert als je bedenkt hoe dichtbij je was toen dat gebeurde.

Je loopt dezelfde weg terug als je gekomen bent, langs de open vlakte, daarna over het pad dat tussen de eiken en beuken door slingert. Je ziet een bank, gaat erop zitten en haalt een paar keer diep adem. Daarna open je je ogen, rekt je uit en je bent weer terug in deze ruimte. Je voelt je ontspannen en plezierig.

PS pakt een beker wijn en de schaal met het vlechtbrood of de koekjes en zegt:

Ik zegen deze wijn en dit voedsel uit naam van de Oude Goden.

Ze drinkt en geeft de beker aan P, die ook drinkt en haar de beker teruggeeft. PS geeft de beker aan de persoon links van zich. Zo gaat de beker de Cirkel rond. Daarna hetzelfde met de schaal koekjes.

PS zegt:

Moge het vuur onze wensen transformeren naar een werkelijkheid voor het nieuwe jaar. Gelukkig nieuwjaar.

Hierna wordt de Cirkel op de gewone manier afgesloten.