Joel (Midwinter)

De namen Joel en Midwinter zijn door de eeuwen heen de gebruikelijke aanduidingen geweest voor het feest van de kortste dag.

Beide namen komen nog steeds voor in de officiële Woordenlijst Nederlandse taal (het Groene Boekje). Er is dus geen reden om, zoals velen doen, de Engelse schrijfwijze Yule over te nemen.

Joel wordt ook wel aangeduid als het wintersolstitium of winterzonnewende. De zon staat dan loodrecht boven de steenbokskeerkring en lijkt een paar dagen stil te staan voordat de dagen weer lengen.

Behalve voor het wintersolstitium wordt Joel ook gebruikt als aanduiding van het kerstfeest. Op deze pagina zullen de verschillende betekenissen van het begrip Joel worden toegelicht.

De essentie van het Joelfeest

Het woord Joel gaat vermoedelijk terug op een Indo-Europese wortel *kwel, die draaien betekende. Het Oudnoorse Jol, het Zweedse Jul en het Deense Juul zijn varianten in de Scandinavische talen. Het is mogelijk dat het Oudengelse Iul door Deense kolonisten in de elfde eeuw over de Britse eilanden is verspreid. Yule wordt in het Engels nog steeds gebruikt om het Kerstfeest mee aan te duiden.

Hoewel de geleerden het over de afleiding van het woord Joel niet eens zijn, lijkt de betekenis van wiel het meest voor de hand liggend. De gedachte daarbij is dat na het wintersolstitium de zon, na enkele dagen op hetzelfde punt te zijn gebleven, weer in beweging lijkt te komen. Het Zweedse en Deense woord voor wiel, hjul, is vrijwel identiek aan de naam van het Midwinterfeest.

Al in de steentijd was de mens gericht op het wintersolstitium, zoals megalitische bouwsels als Newgrange in Ierland en Meas Howe op de Orkney-eilanden bewijzen. De eerste is gericht op de zonsopgang tijdens het solstitium, de laatste op de zonsondergang.

Het begin van de winter was, zoals we op de pagina over Samhain uiteengezet hebben, in heel Europa een belangrijk moment in het jaar. De laatste oogst was binnen, er werd geslacht wat nodig was om de winter door te komen en de geesten van overledenen werden geacht terug te keren naar hun voormalige woonplaats. Ook in het Joelfeest spelen de geesten een grote rol, zoals we aan de hand van vele voorbeelden zullen verduidelijken. In het volksgeloof werd algemeen aangenomen dat de geesten in het begin van de winter verschijnen en pas na het solstitium weer vertrekken, hoewel ze ook daarna op bepaalde hoogtijdagen nog geacht werden aanwezig te zijn.

Het Joelfeest speelde in Noord-Europa, waar de winters langer, kouder en donkerder zijn, een grotere rol dan in het zuiden. Naarmate men verder naar het noorden gaat, komt de zon in de winter minder hoog boven de horizon. Boven de poolcirkel verdwijnt de zon zelfs enkele dagen of weken. Toch is ook in Midden- en Zuid-Europa het Joelfeest door de eeuwen heen een belangrijk moment in het jaar geweest.

De 12-daagse Joeltijd

Alle Indo-Europese volkeren vierden rond het wintersolstitium een groot feest dat gewoonlijk een aantal dagen duurde. Deze dagen konden voor of na het solstitium vallen of deels ervoor en deels erna.

Het Germaanse Joelfeest duurde twaalf dagen, die oorspronkelijk vanaf de eerste volle maan na het solstitium geteld werden. Nadat de Juliaanse kalender werd ingevoerd, gingen de Germanen ertoe over de Joeltijd in de twaalf dagen na het solstitium te vieren. Zo diep geworteld zat dit heilige feest dat pogingen van kerkelijke zijde het te verbieden of te ontkrachten nooit helemaal gelukt zijn.

Nog steeds wordt in delen van Scandinavië een 12-daags Joelfeest gevierd. Nog steeds wordt de periode van 26 december tot 6 januari in Noord-Duitsland Zwölften genoemd, terwijl men meer naar het zuiden nog spreekt van Zwölf Nächten of Zwölf heilige Tagen.

In Nederland werd de Joeltijd ook wel aangeduid als De Twaalf Dagen. In Engeland was de naam Twelve Days gebruikelijk, op 6 januari afgesloten met Twelfth Night. Gewoonlijk werd 26 december geteld als "eerste dag na kerst" en de Joeltijd eindigde dan op 6 januari als "twaalfde dag na kerst". Een andere manier was om kerstmis zelf ook mee te tellen en dan eindigde de Joeltijd op 6 januari met Dertiendag. Deze naam is tot in de 20e eeuw in ons land algemeen gangbaar geweest.

In Westfalen werd de Joeltijd aangeduid als Drüttien Dagen.

De Romeinse Midwintertijd

De Romeinen vierden geen feest na het wintersolstitium, maar deels ervoor en deels erna. Vanaf 17 december werden de Saturnalia gehouden. In principe duurde het feest tot het wintersolstitium. Alleen konden de verschillende Romeinse autoriteiten het niet eens worden wanneer dat plaatsvond. Lucius Columella rekende in de eerste eeuw van onze jaartelling in zijn landbouwkundige verhandeling De re rustica 23 december als kortste dag. Zijn tijdgenoot Plinius hield echter vast aan 26 december, terwijl de Juliaanse kalender uitging van 25 december.

Hoewel de Saturnalia nooit langer dan 7 dagen, tot en met 23 december, hebben geduurd is aannemelijk dat ook de Romeinen een 12- of 13-daags Midwinterfeest hebben gekend. Volgens de Republikeinse kalender, die aan de Juliaanse kalender voorafging, had december 29 dagen. Vanaf 153 v.Chr. gold 1 januari als begin van het jaar. De dertiende dag na het begin van de Saturnalia, volgens de Romeinse manier van inclusief tellen (de eerste dag meegeteld), was de laatste dag van het jaar.

De Saturnalia werden door Romeinse schrijvers wel aangeduid als "tussen de jaren", wat erop wijst dat met deze periode het jaar werd afgesloten. Het oorspronkelijke Romeinse Midwinterfeest omvatte naar alle waarschijnlijkheid 13 dagen, namelijk 23 december, het oude wintersolstitium, en de 6 dagen ervoor en erna. Julius Caesar verplaatste het solstitium van 23 naar 25 december en verlengde de maand december van 29 naar 31 dagen, waarmee in feite dezelfde situatie bleef bestaan.

In het Romeinse rijk was de winter een van de vier seizoenen. Op talloze mozaïeken, met name in de Romeinse provincies in Noord-Afrika, werden de seizoenen afgebeeld. Soms werd elk jaargetijde door een man belichaamd, soms door een vrouw, soms door allebei. Op een vloermozaïek uit de periode 215-235 in Volubilis, een Romeinse stad in het huidige Marokko is elk jaargetijde door een man en door een vrouw vertegenwoordigd. Het mozaiek bevond zich de eetzaal van een groot huis met mozaïeken van Dionysos en de jaargetijden. Op de foto linksboven zien we een vrouw, warm ingepakt voor de winter. Rietstengels vertegenwoordigen in Noord-Afrika vaak de winter, zo ook hier.

Rechtsboven is de winterman afgebeeld. Hij heeft niet meer dan een sjaal om zich in te kleden en houdt in zijn rechterhand twee gevangen eenden omhoog.

De Zonnegod: Van Helios naar Sol Invictus

Helios werd in de oudste Griekse mythen voorgesteld als een goedaardige, alziende Zonnegod. In de hellenistische tijd (vanaf 331 v. Chr. - 4e eeuw na Chr.) werd Helios gelijkgesteld aan Apollo en andere Goden. Hierdoor kreeg zijn cultus een belangrijke impuls. In 282 v. Chr. werd een kolossaal beeld van de God geplaatst bij de ingang van de haven van Rhodos, waar Helios boven alle andere Goden werd vereerd. Het beeld gold destijds als een van de zeven wereldwonderen.

Ook elders in de Griekse en hellenistische steden werd de God vereerd. De foto linksboven toont Helios op zijn door vier paarden getrokken wagen, een relief uit de 3e eeuw v. Chr. op de muur van de tempel van Athena in Troje.

De stralenkrans om het hoofd van de God was voldoende om hem als de Zonnegod te markeren. De foto rechtsboven toont het hoofd en bovenlichaam van Helios op een relief uit de 3e eeuw v. Chr., gevonden in een opgraving bij de stad Urfa in het huidige Turkije. Dergelijke afbeeldingen zijn overal in de hellenistische wereld gevonden.

De Romeinen stelden Helios gelijk aan hun Zonnegod Sol, ook wel Sol Indiges (inheemse zon) genaamd. In de Zuilengang van Tiberius in Aphrodisias zijn in de eerste eeuw verschillende Grieks-Romeinse Goden en Godinnen afgebeeld. Sol mocht hier natuurlijk niet ontbreken. Zie de foto linksboven.

Sol werd door de Romeinen vaak gekoppeld aan de Maangodin Luna, net als de Grieken Helios verbonden met de Maangodin Selene. Een voorbeeld is te zien op het cultusbeeld van Aphrodite dat in de eerste eeuw voor de tempel van Aphrodite in Aphrodisias (nu Turkije) is gemaakt. De stad was een Griekse kolonie, die in de Romeinse keizertijd tot grote bloei kwam. De foto rechtsboven toont Sol en Luna op het cultusbeeld. Klik op de foto om het hele beeld te zien.

Sol en Luna behoorden in de eerste eeuwen van onze jaartelling tot de belangrijkste godheden binnen het Romeinse rijk. In zijn rond het jaar 430 geschreven boek Saturnalia herleidt Macrobius vrijwel alle Goden tot de zon en vrijwel alle Godinnen tot de maan. Daarin was hij geen uitzondering. De zon en de maan werden geacht over alle facetten van het leven en de dood te heersen.

De verering van Sol en Luna blijkt duidelijk op een afbeelding van het tweetal op een Romeinse sarcofaag uit de 2e eeuw. Zie de foto's hierboven. Links Sol met zijn stralenkrans en een zweep voor de als bekend veronderstelde paarden. Rechts Luna met de maansikkel op haar hoofd en een fakkel in haar rechterhand. Klik op de foto van Luna om de hele sarcofaag te zien.

Oorspronkelijk was Sol vooral verbonden met vruchtbaarheid van mensen, dieren en de natuur. In de tweede eeuw kreeg de God ook een strijdbaar karakter en werd dan aangeduid als Sol Invictus (de onoverwinnelijke zon). Luna verdween daarbij naar de achtergrond. Sol Invictus werd vooral vereerd door Romeinse soldaten en gekoppeld aan Jupiter Dolichenus, geënt op de Strijdbare God die werd vereerd in Doliche (nu Turkije). Door de legioenen werd deze God als Jupiter Dolichenus meegenomen naar Rome.

Bovenstaande foto toont een reliëf, gemaakt tussen 150 en 200 en gevonden in Rome, in de ruïnes van een barak van de Equites Singulares, een elitecorps ruiters die tot taak hadden de keizer te beschermen waarheen hij ook ging. Links is Sol Invictus afgebeeld met zijn stralenkrans, rechts Jupiter Dolichenus. Tussen ze in is Luna, met de maansikkel op haar hoofd, heel klein afgebeeld. Het reliëf is blijkens de inscriptie gemaakt in opdracht van Marcus Ulpius Chresimus, de priester van Jupiter Dolichenus.

In het jaar 218 van onze jaartelling werd de zeventienjarige Marcus Aurelius Antoninus in een periode van grote chaos en burgeoorlogen tot keizer gekozen. Hij noemde zich Elagabal, naar Sol Invictus Elagabal, de Zonnegod die in de Syrische stad Emese werd vereerd. De jonge keizer liet de door hem meegevoerde God als enig toegestane godheid in het Romeinse Rijk uitroepen. De andere Goden konden hooguit als bemiddelaar voor Sol Invictus een rol spelen. In de korte tijd dat hij aan de macht was, hield de jonge keizer zich meer met religie dan met staatszaken bezig.

Nadat Elagabal in 222 was vermoord, werd de cultus van Sol Invictus niet verboden, maar wel moest deze God voortaan genoegen nemen met een plaats naast de vele andere Goden en Godinnen die in het Romeinse Rijk vereerd werden. Wel bleef de cultus van Sol verbonden met Sol Invictus. Onder de door de soldaten naar voren geschoven keizer Aurelianus (270-275) kreeg Sol Invictus een belangrijke plaats in de Romeinse religie. In 274 liet de keizer in Rome een grote tempel voor de God bouwen.

De belangrijkste feestdag voor Sol Indiges was 9 augustus, in de heetste tijd van het jaar. De feestdag van Sol Invictus in het Romeinse keizerrijk was echter 25 december, het wintersolstitium, als de God zich verjongde en als het ware herboren werd.

Toen de Romeinse keizer Constantijn zich in 312 met het christendom verzoende, groeide deze religie al snel uit tot een staatsgodsdienst. Voor de heidense Midwinterviering was hierin geen plaats, temeer daar deze werd geassocieerd met het feest van Sol Invictus.

De zegetocht van Mithras

In de Perzische godsdienst was Ahura Mazda (de Wijze Heer) vanaf de 6e eeuw v. Chr. de belangrijkste God. Verschillende lagere Goden helpen Ahura Mazda in zijn strijd tegen Ahriman, die het Kwaad vertegenwoordigt. Mithra was aanvankelijk niet meer dan een van de helpers van Ahura Mazda. In de 4e eeuw v. Chr. overvleugelde zijn cultus die van de andere Goden en helpers. Mithra bracht vruchtbaarheid en voorspoed en liet de vegetatie tot volle wasdom komen. Hiernaast had de God ook een strijdbaar aspect en werd geacht de orde in de kosmos en in de samenleving te handhaven.

Na de verovering van het Perzische rijk door Alexander de Grote in 332 v. Chr. kwamen de Grieken in contact met de cultus van Mithra, die ze Mithras noemden. De cultus van Mithras verspreidde zich snel over alle gebieden van de hellenistische beschaving.

In de eerste eeuwen van onze jaartelling maakten de voormalig Griekse gebieden deel uit van het Romeinse keizerrijk. De cultus van Mithras werd onderdeel van een mysteriereligie. Als onderdeel van de inwijding in deze mysteriën werd een stier geofferd, waarna het bloed over de zich in een ondergrondse ruimte bevindende ingewijden liep. De cultus was bijzonder populair onder Romeinse soldaten en werd door hen meegenomen naar Rome en vervolgens over het Romeinse rijk verspreid. Overal werden tempels voor de God, mithraeum genaamd, gebouwd.

Hoewel Mithras van oorsprong geen Zonnegod was werd hij in de hellenistische tijd door de Grieken en Romeinen wel als zodanig beschouwd. Hij werd in Romeinse tempels aangeroepen als Deus Sol Invictus en meestal samen met Sol en Luna afgebeeld.

In de cultus voor Mithras waren twee momenten van groot belang en die werden in vrijwel alle Mithrastempels afgebeeld: de geboorte van de God en het offeren van de stier door Mithras zelf.

De restanten van een van de vele Mithrastempels bevinden zich onder de kerk Santo Stefano Rotondo, aan de Via di Santo Stefano Rotondo in Rome. De tempel is gebouwd rond het jaar 180 en verder uitgebreid in de 3e en 4e eeuw. In de 5e eeuw moest de Mithrascultus wijken voor het christendom. De tempel werd gedeeltelijk gesloopt en op de restanten werd de kerk gebouwd die er nu, na verschillende ingrijpende verbouwingen, nog staat. Pas in 1973 werden de restanten van de Mithrastempel eronder ontdekt en gedeeltelijk uitgegraven. Beelden en reliëfs uit de tempel werden overgebracht naar het Museum Baden van Diocletianus in Rome, waar we ze hebben bekeken en gefotografeerd.

Op de afbeelding linksboven een marmeren beeld waarin de God bij zijn geboorte uit de rots te voorschijn komt. Zijn onderbenen bevinden zich nog in de rotsbodem. De God is naakt, maar draagt al wel de Frygische muts waarmee hij altijd wordt afgebeeld. Hij is helemaal voorbereid op zijn belangrijkste taken. In zijn rechterhand houdt hij het mes waarmee hij de stier zal doden. In zijn linkerhand houdt hij de fakkel waarmee hij het licht in de wereld brengt. De geboorte van Mithras werd gevierd op 25 december, het wintersolstitium, een eer die hij deelde met Sol Invictus.

Op het reliëf rechtsboven zijn de kleuren goed bewaard gebleven. Mithras doodt de stier met zijn mes. In zijn opwaaiende mantel zit de raaf waarmee de God vaak werd afgebeeld. In de linkerbovenhoek zien we Sol met zijn stralenkroon op zijn door vier paarden getrokken wagen. In zijn linkerhand houdt hij de wereldbol. Rechtsboven is Luna te zien op een door twee ossen getrokken wagen. De maansikkel is achter het hoofd van de Godin afgebeeld. Boven haar wagen zweeft Hesperus, de avondster Venus, in de mythen het zoontje van Eos (Aurora), de Godin van het Ochtendgloren.

Mithras als Zonnegod beeldt de jaarlijkse cyclus van de zon uit, met zijn geboorte op 25 december. Mitras als lichtbrenger wordt ook verbonden met de cyclus van dag en nacht. Zijn vaste begeleiders Cautes en Cautopates beelden dit uit. Links, onder Sol, zien we Cautes, die met een opgeheven fakkel het daglicht aankondigt. De haan voor zijn voeten past bij het ochtendgloren. Rechts zien we Cautopates die met een naar beneden gerichte fakkel de ondergaande zon en de duisternis aankondigt.

Mithras brengt het licht, maar ook de duisternis. Hij is verbonden met het leven en met de dood en de onderwereld. De drie dieren die meestal onder de stervende stier worden afgebeeld, horen bij de onderwereld. Een slang likt het bloed uit de wond in de hals van de stier. Een schorpioen bijt in de testikels van de stier. Ook de hond die rechts toekijkt, wordt meestal als symbool voor de onderwereld gezien.

Een van de zeven rangen die behaald konden worden door inwijdingen in de Mithras-mysteriën was die van Miles, soldaat, en Mithras was dan ook bijzonder populair onder de gewone soldaten. In 308 gaf keizer Diocletianus Mithras de hoogste eer als "Beschermer van het Rijk". Waarschijnlijk zou Mithras alle andere Goden in het Romeinse rijk verdrongen hebben als keizer Constantijn niet enkele jaren later de zijde van het christendom gekozen had.

De zonnecultus binnen het christendom

Het christendom vertoonde veel overeenkomsten met zowel de cultus van Sol Invictus als die van Mithras. Ook Jezus werd vergeleken met de zon en met het eeuwige licht dat de strijd met het duister aanbindt. Het christendom was echter een strikt monotheïsme waarin alle andere godheden werden ontkend of minstens bestreden.

Juist door de overeenkomsten vormde de zonnecultus een ernstige bedreiging voor het prille christendom, een gevaar dat met alle beschikbare middelen werd bestreden. In 321 stelde Constantijn de zondag in als dag voor religieuze activiteiten, terwijl voordien de Romeinen, net als de Joden, de zaterdag daarvoor bestemd hadden. Maar verder wilde de keizer de zonnecultus zoveel mogelijk terugdringen. Al in 324 verbood hij alle offers en rituelen van de Mithras-religie. Overal in het Romeinse rijk werden in de loop van de vierde eeuw Mithras-tempels verwoest. Vaak werd een kerk of kapel op de ruïnes gebouwd.

Dat de Zonnegod niet helemaal verdrongen is door de zondag, toont een reliëf aan de gevel van de in 1890 door D.E.C. Knuttel in neorenaissancestijl gebouwde Gehoorzaal in Leiden. Zie de foto rechtsboven.

De geboorte van Jezus Christus

Gedurende de eerste eeuwen van onze jaartelling bestond er binnen het christendom geen overeenstemming over de geboortedag van Jezus. De Bijbel geeft geen enkele aanwijzing over een geboorte in de winter en de eerste bronnen hierover spreken elkaar tegen.

In het begin van de vierde eeuw werd 6 januari als geboortedag gerekend. In de Kalender van Philocalus, die in 354 in Rome verscheen, werd voor het eerst 25 december als geboortedag genoemd, maar niet overal werd dit nagevolgd. De Armeense kerk houdt nog steeds vast aan 6 januari. De overige christelijke landen gingen in de loop van de vierde of vijfde eeuw ertoe over de geboorte van Christus op 25 december te vieren, terwijl het oudere feest van 6 januari werd gevierd als doop van Christus door Johannes de Doper. In Constantinopel werd 6 januari gevierd als Epifanie, het vereren van het Christuskind door de wijzen uit het oosten. Geleidelijk aan won deze versie ook in het westen terrein zodat 6 januari uiteindelijk in het Nederlands de naam Driekoningen kreeg (zie onder).

De geboorte van Jezus op 25 devember is duidelijk bedoeld om de heidense Zonnegod te kerstenen. Afbeeldingen van het kindje Jezus door de eeuwen heen laten vaak versluierd de oorsprong als Zonnegod zien. Heiligen werden afgebeeld met een aureool (gouden schijf) om het hoofd. Ook de volwassen Christus werd zo weergegeven. De aureool werd door de heidense Grieken en Romeinen soms gebruikt voor Goden en Godinnen, met name Helios en Apollo, en is door de vroege christenen overgenomen. Het pasgeboren kindje Jezus kreeg soms een aureool, maar vaak werd het kind afgebeeld met gouden stralen die van zijn lijf uitgingen, alsof hij de zon was.

De foto linksboven toont een retabel (altaarstuk) dat rond 1490 is gemaakt door een Utrechtse meester en de aanbidding door de herders van het kindje Jezus uitbeeldt. Het lichaam van het kindje is omringd door gouden stralen.

Rechtsboven het schilderij De aanbidding der herders uit 1633 door de Haarlemse kunstschilder Pieter Fransz. de Grebbe. Maria en de herders bewonderen het net geboren kindje. Er schijnt een licht van boven dat de gezichten van de aanwezige volwassenen verlicht. Maar het kindje heeft zijn eigen licht dat uit zijn hele lijfje straalt. Maria en Jezus zijn niet met een aureool afgebeeld. Het licht van boven (de ster van Bethlehem of de Heilige Geest) en het licht dat het kindje uitstraalt, zijn de enige lichtbronnen.

De associatie van het kindje Jezus met de zon is nooit helemaal verdwenen. De foto linksboven toont het schilderij De stal van Bethelehem van Jan Grégoire uit 1927. Maria, Jozef en Jezus hebben een aureool, maar alleen het kindje straalt een intens licht uit.

De stralen van de Zonnegod werden soms aan het kindje Jezus gekoppeld, maar vaker was het de Heilige Geest, in de gedaante van een duif temidden van intense lichtstralen. De foto rechtsboven toont een Mariabeeld in de in 1875 gebouwde neogothische Sint Willibrorduskerk in Utrecht. Het beeld is in 1881 vervaardigd door de beeldhouwer Friedrich Wilhelm Mengelberg. De heilige maagd houdt haar zoon in de armen. De maansikkel onder haar voeten en de stralen achter haar zijn de gekerstende versie van de Zonnegod en de Maangodin.

Het christelijke Joelfeest

In het jaar 567 stelde de Synode van Tours vast dat het geboortefeest van de Heiland gevierd diende te worden van 25 december tot 6 januari. Daarmee sloot men aan bij de Dodekahemeron, het twaalfdaagse feest dat al eerder in de Byzantijnse kerk was aangenomen.

Ook sloot de nog weinig invloedrijke roomse kerk aan bij de Germaanse Joeltijd, die precies in dezelfde periode werd gevierd. In de negende eeuw, waarschijnlijk al eerder, was dit twaalfdaagse christelijke Joelfeest in Engeland ingeburgerd. Het is niet duidelijk in hoeverre de Kelten eenzelfde Joeltijd vierden of zich voornamelijk bij de Germaanse gebruiken hebben aangesloten.

Afbeeldingen van de geboorte van het kindje Jezus en de aanbidding door herders en de drie koningen uit het oosten zijn door de eeuwen heen bijzonder populair geweest. De foto linksboven toont een klein houten reliëf, gemaakt door een Utrechtse meester tussen 1480 en 1500. Waarschijnlijk was het reliëf bedoeld voor verering van het Christuskind in een huiselijke omgeving.

In 1577 maakte de Antwerpse schilder, tekenaar en graficus Gillis Mostaert een schilderij getiteld De aanbidding der herders. Zie foto rechtsboven. Engeltjes boven het dak van de stal zijn getuige van de verering door de herders.

Midwinter van 25 naar 21 december

Het is de kerkleiders door de eeuwen heen een doorn in het oog geweest dat het geboortefeest van de Heiland en het heidense Midwinterfeest op dezelfde dag werden gevierd. Bovendien was de kalender in de loop der eeuwen 7 dagen achter gaan lopen op het zonnejaar.

In 1582 bracht de door Paus Gregorius XIII ingevoerde kalenderhervorming (zie de startpagina voor de Jaarfeesten) hier verandering in. Maar Gregorius corrigeerde niet alleen de 7 achterlopende dagen. Hij schoof de kalender nog vier dagen verder. Op 4 oktober 1582 volgde direct 15 oktober en het wintersolstitium werd voortaan officieel op 21 december gerekend.

Niet alleen het wintersolstitium kreeg hierdoor een nieuwe datum. De voorjaarsequinox verschoof daarmee van 25 naar 21 maart, het zomersolstitium van 24 naar 21 juni en de herfst van 25 naar 21 (later 23) september. De kerkelijke feesten bleven op de oude datum staan.

De afbeelding links boven toont het schema van het kerkelijk jaar, zoals dat in 1951 in Brugge is opgesteld. In de hoeken de vier evangelisten. In het midden Jezus als het lam Gods, omringd door zonnestralen.

Het begrip Midwinter

Naast de aanduiding Joel is Midwinter door de eeuwen heen gebruikt om het solstitium aan te duiden. De oudste documenten in het Oudengels (9e eeuw) spreken van midde wintre en midewinter.

Rond het jaar 1000 ontstond de gewoonte de eerste lettergrepen samen te voegen zodat midwintre, mydwynter, midwinter en nog enkele varianten ontstonden. In de andere Germaanse talen vond een vergelijkbare ontwikkeling plaats. Het Middelnederlandse middenwinter, middel winter, middewinter of medewinter werd samengetrokken tot midwinter. Op dezelfde manier werd het Middelhoogduitse mittewinter tot Mittwinter.

Tot de invoering van de Gregoriaanse kalender (zie boven) stond Midwinter gelijk aan het wintersolstitium en dat werd op 25 december gerekend. De afwijking van de kalender was aan astronomen bekend, maar dit had geen invloed op de volksgebruiken. Ook toen de Gregoriaanse kalender het wintersolstitium officieel op 21 december vaststelde, bleven de volksgebruiken aan de 25e december gekoppeld.

Het Woordenboek der Nederlandsche taal omschrijft Midwinter dan ook als volgt: "Het midden van den winter, of ook de kortste dag, ook Kerstmis." Het Middelnederlandsch woordenboek van Verwijs en Verdam omschrijft middewinter als: "Het midden van den winter, de winterzonnestilstand... Ook en vooral als benaming van het christelijke feest, dat omstreeks dien tijd gevierd werd, nl. het kerstfeest."

In onze samenleving is het wintersolstitium het begin van de winter. De naam Midwinter en vergelijkbare namen in andere Germaanse talen wijzen op een gemeenschappijk idee dat het wintersolstitium niet het begin, maar het midden van de winter is. Dit berust op een oude tweedeling van het jaar in zomer en winter. In de beginpagina van de Jaarfeesten hebben we de polariteit van het jaar al genoemd.

Het is verleidelijk een mooie verdeling van het jaar te maken, waarbij de herfstequinox het begin van de winter, het wintersolstitium het midden van de winter, de voorjaarsequinox het begin van de zomer en het zomersolstitium het midden van de zomer is. Heidense jaarfeesten en volksgebruiken volgen echter zelden of nooit zo'n mooi schema. Het begin van de winter kon plaatselijk variëren van 1 september tot 5 december, zoals we in de pagina over Samhain uiteengezet hebben. Het begin van de zomer was niet de voorjaarsequinox, maar Meiavond, zoals we in de pagina over Beltane toelichten.

De namen Midwinter en Midzomer drukken vooral een gevoel uit dat de winter halverwege is nu de dagen weer gaan lengen en dat de zomer halverwege is nu de dagen weer korter worden. Een gevoel is iets anders dan een rekenkundig verdelen van de dagen van het jaar.

Het begrip winterzonnewende

Het Latijnse solstitium betekent letterlijk zonnestilstand. Dit verwijst uiteraard naar het feit dat de zon gedurende een aantal dagen niet hoger of lager gaat en op dezelfde plaats lijkt te blijven. Het Middelhoogduitse sunnenwende, sonnenwende of sonbende verwijst naar het verschijnsel dat de zon zich na de stilstand als het ware omwendt en de andere kant uit gaat, dus niet steeds lager, maar elke dag wat hoger.

Het Duitse Wintersonnenwende werd meestal gebruikt om het solstitium mee aan te duiden, maar er werd ook wel het Midwinterfeest van 25 december mee bedoeld. Het Middelnederlandse wintersonnenwende werd, net als het moderne winterzonnewende, zelden gebruikt en nooit om het feest mee aan te duiden.

De Saturnalia en Larentalia (17-23 december)

Veel van de latere kerstgebruiken zijn een mengeling van christelijke, Romeinse en Germaanse elementen. De Saturnalia zijn gewijd aan Saturnus, een van oorsprong Etruskische landbouwgod. Zijn naam is vermoedelijk afgeleid van satum, het gezaaide, en houdt ook verband met saturare, in overvloed schenken.

Saturnus is de Vegetatiegod die overvloed schenkt. Tijdens de Saturnalia heeft hij echter een andere rol. In de winter is de vegetatie afgestorven en de natuur moet worden wakkergeschud om de laatste vonk van leven aan te wakkeren. De grote populariteit van de Saturnalia heeft ertoe bijgedragen dat Saturnus vooral met de afstervende natuur geassocieerd werd. In de nadagen van het Romeinse rijk werd Saturnus gelijkgesteld aan de Griekse God Kronos, die de tijd en de dood symboliseerde. In de middeleeuwen was Saturnus niet meer dan een symbool voor de dood, een geraamte met een zeis in de ene hand, een zandloper in de andere. Oorspronkelijk was Saturnus echter niet de dood, maar juist de levenskracht die de dood overwint.

In 1714 maakte Jacobus Cressant twee marmeren tuinvazen voor de buitenplaats Elsenburg in Maarssen. De buitenplaats bestaat niet meer, maar de vazen zijn te zien in het Rijksmuseum. Op elke vaas zijn twee van de vier jaargetijden uitgebeeld. Op de foto rechts is de winter voorgesteld als Saturnus/Kronos met zijn zeis. Naast hem een brandende vuurpot en een jongetje dat zijn schaatsen onderbindt. Links leunt een jongetje op een omgekeerde bijl - een verwijzing naar het brandhout in de vuurpot en in de rechterhand van Saternus/Kronos. Het meisje naast hem houdt een masker in de ene hand en een slaghout in de andere - een verwijzing naar sport en toneelspel in het winterseizoen.

De Saturnalia (17-23 december) en de daarop aansluitende Larentalia (23 december) waren erop gericht de levenskracht van het graan op te wekken en over het dode punt van het jaar heen te helpen. Waarschijnlijk duurden de Larentalia oorspronkelijk 23-29 december.

In zijn hierboven al genoemde boek Saturnalia (zie de foto links) laat Macrobius een aantal mensen samenkomen tijdens de viering van de Saturnalia. Het geeft aan dat dit feest, zelfs in een gekerstend Romeins rijk, rond 430 nog gevierd werd.

De Saturnalia waren enerzijds een omkering van alle waarden en normen, anderzijds een periode om elkaar geschenken te geven. Het was een tijd buiten de tijd, een plaats buiten de ruimte, een moment dat alles anders was. Slaven werden op hun wenken door hun meesters bediend, scholen en openbare gebouwen werden gesloten, oorlogen werden onderbroken en alles was anders dan anders.

In deze geordende chaos ging iedereen bij buren en vrienden op bezoek en bracht kleine geschenken mee, met name waskaarsen, aardewerk beeldjes en strenae, kleine attenties, bijvoorbeeld takjes waaraan gedroogde vruchten werden gehangen. Dit waren vaak hulsttakjes, waarmee ook de huizen werden versierd. Op de betekenis van de hulst komen we verderop in dit stuk terug. Het feest op de derde dag van de Saturnalia werd Opalia genoemd, gewijd aan Ops, de Godin van overvloed en vruchtbaarheid, vooral geassocieerd met de rijpende vruchten. In de latere mythen werd ze de gemalin van Saturnus genoemd.

"Het idee van buiten-de-tijd," zegt Michael York in verband met de Saturnalia, "hoort duidelijk bij de tijdloze wereld van de doden." (The Roman festival calendar of Numa Pompilius, p 195) Ook het geven van geschenken maakt, zoals we in het stuk over Samhain uiteengezet hebben, deel uit van de geestenwereld.

In de Larentalia, op 23 december, is het verband met de dodencultus nog duidelijker aanwezig. De Godin aan wie dit feest was gewijd, Acca Larentia, was de beschermvrouwe van de lares, de goede geesten van de overledenen. Over deze van oorsprong Etruskische Godin werden zeer uiteenlopende verhalen verteld. Soms was ze een Godin, soms de wolvin die Romulus en Remus met haar melk voedde, soms was ze een beeldschone prostitué in de tempel van Heracles die de stad Rome een fortuin naliet. In Rome was een heiligdom dat als het graf van Acca Larentia werd beschouwd. Bij dit graf werden tijdens de Larentalia offerdiensten gehouden ter ere van de lares.

Het Luciafeest (13 december)

Volgens vroeg-Middeleeuwse hagiografen is Lucia in de derde eeuw geboren op Sicilië. Ze gaf haar verloving op voor haar christelijke roeping en werd voor haar geloof terechtgesteld in 304 tijdens de christenvervolgingen door de heidense keizer Diocletianus.

In de late middeleeuwen werd ze door haar naam (Lucia = licht) verbonden met de terugkeer van het licht na het wintersolstitium. Haar naamdag, 13 december, werd vóór de invoering van de Gregoriaanse kalender vaak beschouwd als kortste dag.

In Zweden, waar de Gregoriaanse kalender pas halverwege de 19e eeuw werd ingevoerd, is het Luciafeest vanaf de achttiende eeuw tot op heden bijzonder populair gebleven. Een in het wit gekleed meisje met een kroon van brandende kaarsen, meestal de jongste dochter, gaat als Lussibrud (Luciabruid) alle kamers af en brengt, vaak geholpen door bruidsmeisjes, alle huisgenoten koffie en lekkernijen in de slaapkamer.

De foto links toont de handgeschilderde poppetjes in ons bezit van de Luciastoet die door de firma Wendt und Kühn in Duitsland nog steeds gemaakt worden.

Na de invoering van de Gregoriaanse kalender werd 21 december de kortste dag, maar het Luciafeest bleef op de dertiende staan. Ook in andere delen van Europa werd dit feest gevierd, al zijn de gebruiken buiten Zweden vrijwel verdwenen.

In Silezië, de Boheemse, later Pruisische streek, die in 1922 werd verdeeld in een Pruisisch, Pools en Tsjechisch deel, verstond men onder Zwölften de twaalf dagen van Sinte Lucia tot de kerst.

Waar de Luciadag gevierd werd, zijn de gebruiken vrijwel altijd te herleiden tot Midwintervieringen. De optochten van de Luciabruid en haar gevolg zijn te vergelijken met de Midwinteromgangen, die we verderop zullen bespreken. In de loop der eeuwen zijn verschillende gebruiken rond Holda en Perchta door Lucia overgenomen. Ook hierop komen we nog terug.

Sint-Thomas (21 december)

Hoewel 21 december pas na de invoering van de Gregoriaanse kalender de kortste dag werd, was het vanouds een van de dagen rond de Joeltijd waarin Midwintergebruiken bestonden, heidense gebruiken die op een vrij doorzichtige wijze door de heilige werden gekerstend.

Veel volksgebruiken op Sint-Thomas zetten de wereld op haar kop, zoals de Romeinen tijdens de Saturnalia deden. In Tettnang, vlakbij het Bodenmeer, gingen jongeren in de Thomasnacht de buurt rond en gooiden stenen potten en kruiken tegen de huisdeuren kapot. Elders waren soortgelijke gebruiken. De hernieuwde levenskracht werd vaak met zang en dans gevierd. In een geschrift uit 1521 klaagt Erasmus dat er in de Thomasnacht in de Rotterdamse kerken wordt gedanst.

Ook het Thomasluiden was bedoeld om de levenskracht weer te wekken. In veel delen van Nederland, met name in het noorden, werden de kerkklokken tussen 21 en 31 december de hele dag geluid.

Het Midwinterhoornblazen, dat met name in Twente tot vandaag de dag populair is gebleven, heeft in wezen dezelfde functie als het Thomasluiden. Bovenstaande foto toont midwinterhoornblazers in Twente op de omslag van het boek Onze Folklore (1980). Op onderstaande foto de midwinterhoorn die we op een jaarmarkt in Twente kochten.

In de Elzas was het toegestaan om in de Thomasnacht alles te stelen wat je te pakken kon krijgen. Wie de volgende ochtend het laatste opstond, werd Thomasezel genoemd. In België werd Sint-Thomas ook wel Sluiterkesdag genoemd omdat de dienstboden hun werkgevers en de schoolkinderen hun onderwijzers buitensloten en pas weer binnenlieten als ze een gunst of tractatie hadden toegezegd. In bepaalde plaatsen droegen kinderen die dag papieren kronen en deelden de lakens uit.

Kerstmis (25 december)

Als belangrijkste christelijke feest in de Joeltijd en als traditionele datum voor het solstitium heeft het kerstfeest veel van de oude Midwintergebruiken naar zich toe getrokken.

Het Oudengelse Cristemæsse en het Middelnederlandse kerstesmisse verwijzen naar de mis voor het Christuskind en naar het heidense feest waarop dit gebaseerd was. Voor een verdere uitleg van het woord mis verwijzen we naar het stuk over Lammas.

Vermoedelijk zijn de verschillende namen voor kerstmis in de dertiende eeuw ontstaan. Het Duitse Weihnachten is ontleend aan het Gotische weihs en het Oudhoogduitse wih ,die beiden "heilig" betekenen, zoals we op de pagina over wierook hebben uitgelegd.

Het is niet duidelijk of de Duitse naam teruggaat tot een Germaans heidense aanduiding van de Joeltijd. De naam Wihnacht (in het enkelvoud) werd voor het eerst rond 1170 opgeschreven door de dichter Spervogel. Het is aannemelijk dat voordien het woord Jul werd gebruikt, dat in het noorden gebruikelijk bleef, terwijl in het zuiden Weihnachten (meervoud) de overhand kreeg.

Vaak zijn heidense gebruiken eerder verbonden aan kerstavond, dus de avond van 24 december, dan aan kerstmis zelf. Meestal werd er gedanst, gezongen en muziek gemaakt. Soms gingen jongeren met lantaarns langs alle huizen en zongen voor geld of snoep. Ook met kerstmis zelf werd wel gedanst en overal in Europa werden gemaskerde optochten georganiseerd.

In Duitsland was daarbij meestal de Erbsenbär present. Daartoe werd een gemaskerde man geheel in erwtenstro gewikkeld en aan een ketting rondgeleid. Erwtenspijzen werden speciaal als voedsel voor de doden beschouwd en als zodanig voor hen neergezet. De Erwtenbeer vertegenwoordigt, net als de andere gemaskerde figuren, duidelijk de geesten van de overledenen. Het stro is wat overblijft van de oogst van graan, erwten en andere peulvruchten en het heeft daarom de levenskracht van de vegetatie in zich opgenomen. Wie erin slaagde wat stro uit de Erwtenbeer te trekken, bewaarde dit het hele jaar als krachtig middel tegen allerlei onheil of strooide dit over de akker voordat er werd gezaaid.

Alom verbreid was het gebruik om met kerstmis of nieuwjaar stro om de vruchtbomen te winden om de levenskracht van deze vegetatie op de bomen over te brengen. Meestal werd in de Twaalf Dagen stro in huis neergelegd, waar de geesten van de overledenen zacht op konden rusten. Op dit stro werden, met name in Finland en Estland, plengoffers en spijsoffers gebracht. Ook onder de kersttafel werd stro neergelegd, zodat de geesten daar tijdens het kerstmaal konden rusten. Het stro in de kribbe van de kerststal is hier een afspiegeling van.

Soms werd een kamer in huis speciaal voor de doden ingericht en werd daar gedurende de Twaalf Nachten een olielichtje gebrand zodat de geesten ook 's-nachts hun weg konden vinden. Vooral stro van de laatste garve werd bewaard om in de Joeltijd op velerlei wijzen te gebruiken. Als de Twaalf Dagen waren verstreken, werd het stro niet weggegooid, maar bewaard om later over de akkers te strooien voordat er gezaaid werd.

Het kerstmaal

Het kerstmaal was vanouds met vele van oorsprong heidense gebruiken doorspekt. In veel landen, met name Zweden en Tsjechië, bleef de gedekte kersttafel tot 6 januari staan. Op de deuren van de kathedraal van Saint Denis zijn in 1140 de twaalf maanden afgebeeld en het werk dat bij die periode hoort. Het reliëf op de foto links toont de maand december met een gedekte tafel.

In een van de gebrandschilderde ramen in de kathedraal van Chartres, gemaakt in de 13e eeuw, zijn eveneens de maanden afgebeeld en ook hier wordt december door een gedekte tafel weergegeven. Zie de foto rechts onder.

In Niederösterreich en Beieren werd op kerstavond een tafel voor Percht gedekt. In de kerstnacht kwam Percht en heiligde het voedsel en de drank op deze tafel. De Perchtmilch en de neergezette spijzen werden de volgende ochtend door het hele gezin en het vee genuttigd.

Voor Frau Holda werd in de middeleeuwen in Duitsland een kersttafel gedekt. Het is aannemelijk dat deze gebruiken teruggaan op offers aan heidense Goden en aan de geesten van overledenen.

In Zweden legde men stro en een van stro gemaakte joelbok onder de kersttafel. In plaats van de joelbok werd ook wel een julgubbe gemaakt, een stropop voor wie voedsel en drinken werd neergezet. In het Saarland legden kinderen stro en haver onder de kersttafel "voor het paard van het kerstkind".

Het kerstmaal zelf moest altijd zeer overvloedig zijn, want de Joeltijd is een keerpunt in het jaar en als dat slecht begint, zul je het hele jaar honger lijden. Ook uitbundig "joel drinken" met bier of mede hoorde bij de feestvreugde. Het drinken van champagne bij het aanbreken van het nieuwe jaar is een hiermee vergelijkbare gewoonte.

Aan het kerstbrood of -gebak, dat vaak tot nieuwjaar of Driekoningen op tafel bleef staan, werden grote krachten toegeschreven. Na de Twaalf Dagen werden de restanten aan het vee gegeven of gedroogd en in de stal gehangen. Een ander deel werd bewaard om zonodig de magische kracht van het brood te kunnen benutten. Ook was algemeen gebruikelijk kruimels van het kerstbrood onder het zaaigoed te mengen of over de akkers te strooien voordat er gezaaid werd. Ook werden de kruimels wel aan de voet van de vruchtbomen gestrooid. Vaak werd het kerst- of joelbrood gebakken van het meel van de laatste schoof. Het meel dat bij het bakken overbleef had dezelfde levenskracht als het brood zelf. Ook dit meel werd aan het vee gegeven of door het zaaigoed gemengd.

Behalve brood werd vrij algemeen varkensvlees gegeten. Op de betekenis hiervan komen we bij de bespreking van de verschillende broodvormen terug.

Het joelblok

Verspreid over grote delen van Europa, ook in Nederland, werd op kerstavond of de eerste kerstdag een joelblok of kerstblok gebrand. In Letland werd kerstavond bluchvahar (blokavond) genoemd. Vanaf de dertiende eeuw zijn er talloze verwijzingen die aantonen hoe algemeen dit gebruik was, maar toch voelde J. ter Gouw zich in 1871 genoodzaakt te vragen: "Herinnert ge u het Kersblok nog? - Ja, welligt zien sommigen mijner lezers 't nog jaarlijks helder onder den schoorsteen vlammen". (De Volksvermaken, p 166)

Het is duidelijk dat het joelblok in die tijd opnieuw populair werd. Het Franse weekblad Le Monde Illustré publiceerde op de omslag van de editie van 27 december 1873 een illustratie die laat zien hoe het joelblok in de brandende haard wordt gezegend door de vrouw des huizes, terwijl het hele gezin eerbiedig toekijkt. In het weekblad La Presse Illustrée van 26 december 1874 werd dezelfde foto op de omslag afgedrukt. Klik op de foto linksboven om de hele voorpagina te zien. De tekst onder de foto licht hoe dat het de zegening van het joelblok in het district Touraine betreft voordat men op kerstdag naar de mis in de kerk vertrekt.

In 1891 publiceerde Harrison Morris in drie delen het boek In the Yule-log glow met kerstverhalen van over de hele wereld. De titel verwijst natuurlijk naar het joelblok. In de illustratie op de omslag van het eerste deel, met als onderschrift The Yule-log glow, warmen twee kleine meisjes zich bij de haard waarin het joelblok brandt. Zie de foto rechtsboven. Het boek wordt nog steeds herdrukt, maar niet meer met deze illustratie op de omslag.

Het joelblok was meestal een stuk eikenhout dat in de open haard gebrand werd. Het verbranden van het blok is een heidens gebruik dat zich nauwelijks heeft laten kerstenen. Het vuur activeert de kracht van het hout en maakt deze kracht los, zodat die gebruikt kan worden, bijvoorbeeld om vruchtbaarheid door te geven.

Bepaalde rituele handelingen bij het verbranden werden geacht deze werking te versterken. Soms werd het blok met wijwater besprenkeld, maar vaker nam men hiervoor wijn en olie. In de zesde eeuw protesteert Martinus, aartsbisschop van Bracara (nu Braga in Portugal) in zijn geschrift De correctione rusticorum al tegen het met kerst of nieuwjaar verbranden van een met wijn besprenkeld blok waarover men veldvruchten strooide.

Naast wijn en vruchten werden soms bepaalde kruiden in het vuur gegooid of op het joelblok gebonden.

Soms probeerde men het blok tot na nieuwjaar brandend te houden. De as van het joelblok werd over de akkers gestrooid voordat er gezaaid werd. Het restant van het joelblok werd soms bij de graanoggst in de laatste korenschoot gebonden. Altijd werd dit restant gebruikt om het nieuwe joelblok mee aan te steken.

In de middeleeuwen werd het joelblok vaak het hele dorp door gesleept en tijdens een groot feest op het dorpsplein verbrand, maar naarmate kerstmis steeds meer een huiselijk feest werd, kwam de open haard of het fornuis hiervoor in de plaats.

Het joelvuur

Afgezien van de gebruiken rond het joelblok was ook het branden van een joelvuur of kerstvuur in heel Europa gebruikelijk. Vooral toen de kerst- of joelviering nog een gemeenschapsfeest was, werden hiervoor vaak grote vuren op de pleinen gebrand. Op andere plaatsen nam het nieuwjaarsfeest deze rol over. Aan de as en verkoolde resten van het kerst- of nieuwjaarsvuur werden wonderbaarlijke krachten toegeschreven.

De kerstboom

De kerstboom zoals wij die tegenwoordig kennen, met lichtjes en ballen, stamt uit de 19e eeuw, maar het gebruiken van bomen en groene takken rond Midwinter dateert al minstens uit de tijd dat Romeinen elkaar tijdens de Saturnalia met vruchten versierde takjes schonken.

Voor de heidense Germanen en Kelten was elk bos heilig en elke boom een potentiële tempel waar een God of Godin vereerd kon worden. De boomverering is niet met de kerstening verdwenen. Nog in de late middeleeuwen werden de balken van het huis, samen met de haard, gezien als de belangrijkste verblijfplaats van huisgeesten en in de winter de verblijfplaats van de voorouders.

Vanaf de vroege middeleeuwen zijn er voorbeelden, op vele plaatsen in Europa, van bomen of takken die rond Midwinter of met de kerst versierd werden met vruchten en bloemen. Ook hiertegen heeft Martinus van Bracara tevergeefs geprotesteerd. Het was tot in de zeventiende eeuw op vele plaatsen in Europa gebruikelijk een met appels en andere vruchten versierde boom op het dorpsplein te zetten en er omheen te dansen. In de zeventiende eeuw ontstond in Duitsland de gewoonte een kerstboom in huis neer te zetten, waarna de gemeenschapsboom geleidelijk aan verdween om pas na de Tweede Wereldoorlog weer terug te keren.

Rond 1880 werden in Thüringen voor het eerst glazen appels en ballen gemaakt, waarna de oorspronkelijke versiering met vruchten en bloemen langzaamaan verdween.

Wonderbaarlijke verschijnselen rond kerstmis

Kerstmis is vanouds een feest waarin de meest wonderbaarlijke dingen gebeuren. De dieren spreken en water verandert in wijn. Verzonken klokken gaan luiden en verborgen schatten worden zichtbaar. Volksverhalen hierover zijn door de eeuwen heen populair gebleven.

Voor de Germanen beschikten de in de Joeltijd teruggekeerde doden over magische krachten en maakten ze het onmogelijke mogelijk.

In een christelijke context was het wonder van de geboorte in Bethlehem voldoende om steeds opnieuw voor de gelovigen een wonder te laten geschieden. De geboorte en de aanbidding door de herders bleef door de eeuwen heen een populair thema om de wonderen van de joeltijd zichtbaar te maken.

De verhalen over met kerst bloeiende bomen en bloemen kunnen deels ontstaan zijn uit de gewoonte joelbomen met vruchten en papieren bloemen te versieren. Toch zijn er veel verklaringen opgetekend van mensen die dit wonder met eigen ogen aanschouwd hebben.

De meidoorn van Glastonbury, die elk jaar met de kerst bloeit en een afstammeling heet te zijn van Christus' doornenkroon, is hiervan het bekendste voorbeeld. In 2010 werd de boom door vandalen afgezaagd. In 1979 fotografeerden wij op het terrein van Glastonbury Abbey een stek van deze boom. Zie de wat vergeelde foto links.

Sint Stefanus (26 december)

Sint Stefanus, ook wel genoemd Sint Steffen, wordt beschouwd als de eerste christen die als martelaar gestorven is. Hij zou door de joden van het Sanhedrin, de Grote Raad in Jerusalem, zijn gestenigd omdat de joden weigerden te geloven dat Christus de messias was geweest. De datum van zijn dood is niet bekend, maar als zijn sterfdag wordt 26 december gerekend. Hij werd bijzonder populair nadat in 415 zijn gebeente werd teruggevonden en overgebraht naar Rome.

Sint Steffen is vanouds een dag waarop de wereld op haar kop werd gezet. In Duitsland haalden jongeren in de nacht alles overhoop. Dit werd steffeln genoemd. De overvloed die geassocieerd werd met de gaven van de doden en met het opnieuw in beweging komen van de zon is ook in Stephanusgebruiken terug te vinden. Het steffelen hield vaak in dat de jongeren van huis tot huis gingen om geld en snoep te krijgen.

In Limburg gingen de kinderen op deze dag rond en riepen "heio", waarna er appels en noten naar ze gegooid werden. Het geven van geschenken op Sint Steffen was zo algemeen dat de tweede kerstdag in Engeland nog steeds boxing day (pakjesdag) heet, waarbij de kadootjes onder de kerstboom worden gelegd. De overvloed uitte zich ook in feestmaaltijden en drinkgelagen. De minnedronk die ter ere van de overledenen werd uitgebracht, ontbrak op deze dag niet. De Stefansminne was al in de eerste eeuwen van onze jaartelling over heel Europa bekend.

De foto rechts toont Stefanus, geschilderd door Domenico Ghirlandaio tussen 1490 en 1494. Oorspronkelijk was dit een onderdeel van het hoogaltaar van de Santa Maria Novella in Florence. In 1804 werd het altaar gesloopt en de verschillende panelen vonden hun weg naar musea over heel Europa verspreid. In 1914 werd de afbeelding van Stephanus in Parijs aangekocht door het Museum voor Beeldende Kunst in Boedapest. De heilige heeft een bijbel in zijn linkerhand en een palmtak in de rechter. De wonden op zijn hoofd en de stenen aan zijn voeten laten zijn martelaarschap zien. De houten omlijsting, met veel Groene Mannen, is waarschijnlijk in Parijs of Boedapest gemaakt.

Sint Jan de Evangelist (27 december)

De dag gewijd aan Johannes de Evangelist werd vroeger wel gevierd als derde kerstdag. Het Evangelie van Johannes wordt aan hem toegeschreven. De Openbaringen van Johannes zijn waarschijnlijk door een ander geschreven. Hij zou rond het jaar 100 overleden zijn, als enige van de apostelen die een natuurlijke dood is gestorven. Zijn sterfdag is niet bekend, maar zijn naamdag wordt traditioneel op 27 december gerekend. Zijn attributen zijn een boek, waarin hij zijn Evangelie schrijft, en een adelaar. De foto rechts toont de evangelist op het schema van het kerkelijk jaar dat we hierboven gaven.

Ook op deze dag werd een minnedronk uitgebracht, de Sint Jansminne, niet te verwarren met de gelijknamige minnedronk voor Johannes de Doper op 24 juni.

In Duitsland en Limburg werd, vanaf de twaalfde eeuw of eerder, op 27 december witte wijn in de kerk namens Sint Jan gewijd, terwijl een dag eerder de rode wijn namens Sint Steffen werd gewijd. Het woord minne werd daarbij in de Latijnse tekst vertaald als amor. De priester wijdde de wijn en zei dan: "Bibe amorem sancti Johannis in nomine patris et filii et spiritus sanctus" - "Drink de liefde van Sint Jan, in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest." Daarna dronken alle aanwezigen van de wijn.

Voor Stephanus werd een vergelijkbare formule gebruikt. Daarmee werd de heidense afscheidsdronk ter ere van de overledenen veranderd in een dronk op de liefde van de Heilige Driëenheid, die via Johannes en Stephanus de gewone mensen bereikte.

Pas in de loop van de twintigste eeuw begon de Sint Jansminne, net als de Stefansminne, geleidelijk aan te verdwijnen. In de protestantse landen was deze wijnwijding al in de zestiende eeuw verboden.

Allerkinderen (28 december)

Deze dag heet ook wel Onnozele Kinderdag of Onnozele Kinderen en is gewijd aan de kinderen die Herodes in Bethlehem ter dood liet brengen in een poging de voorspelde Koning der Joden uit te schakelen. Volgens Mattheus 2 vond de kindermoord plaats na het bezoek van de wijzen uit het oosten, dat traditioneel op 6 januari wordt gevierd. Dat dit feit op 28 december herdacht wordt, heeft dan ook voornamelijk te maken met de tijd van het jaar: de Joeltijd waarin de wereld op haar kop wordt gezet.

Op Allerkinderen maakten de kinderen de dienst uit en deden alles wat anders verboden was. In de tiende eeuw ontstond in Duitsland de gewoonte van de Kinderbischof, waarbij een leerling van de kloosterschool of een koorknaap voor die dag tot bisschop werd benoemd. Aan het hoofd van een grote processie trok de kinderbisschop plechtig door de stad of driemaal rond de kathedraal, zeer tot ongenoegen van de kerkelijke autoriteiten.

Het is duidelijk dat deze omkering van de orde alles te maken heeft met het wekken van de levenskracht. Tijdens Allerkinderen liepen de kinderen, maar soms ook volwassenen, met een twijg rond en gaven hiermee de vruchtbaarheid door aan met name jonge volwassenen, maar ook sloegen ze de vruchtbomen om ze vruchtbaar te maken. In België werden vooral paren die het afgelopen jaar getrouwd waren op deze wijze met de levensroede geslagen.

Oud en nieuw

In Rome werd in 153 v.Chr. het begin van het jaar op 1 januari gezet, terwijl voordien de Voorjaarsequinox als eerste dag van het jaar gold. Symbool voor het begin van het jaar, en voor elk nieuw begin, was Janus, de god met een hoofd dat zowel naar voren als naar achteren kijkt, naar het verleden, zowel als naar de toekomst. Meestal heeft het ene hoofd een baard en is het andere baardloos.

In de deuren van de kathedraal van Saint Denis werd januari in 1140 afgebeeld als Janus. Het rechterhoofd heeft een baard, het linker niet. Zie de foto rechts.

Aanvankelijk werd de eerste januari niet gevierd en had alleen een administratieve funktie. Het Midwinterfeest vond, zoals we uiteengezet hebben, plaats tijdens de laatste 12 of 13 dagen van het oude jaar. Pas in de vierde eeuw, nadat het christendom haar intrede had gedaan, werd de Kalendae Januariae ingesteld, een vijfdaags feest om de geboorte van het kindje Jezus op 6 januari in te luiden.

Nog in dezelfde eeuw ging de kerk ertoe over de geboorte van Jezus op 25 december te plaatsen en deed men al het mogelijke om de snel gegroeide populariteit van de Kalendae Januariae in te dammen. De eerste drie dagen van januari werden door de Synode van Tours uitgeroepen tot vastendagen en het werd op straffe van excommunicatie verboden aan de "heidense" nieuwjaarsviering deel te nemen.

Ook werden er diverse pogingen gedaan een andere datum als nieuwjaar te bestempelen. In de oosterse kerk rekent men vanaf de middeleeuwen 1 september als begin van het jaar. In de westerse wereld werden diverse nieuwjaarsdata na elkaar en soms tegelijkertijd gehanteerd: 1 september, 24 september, Kerstmis, 1 maart, 25 maart, Pasen. Het kerkelijk nieuwjaar werd, zoals gezegd, in 480 vastgesteld op het begin van de advent.

Gedurende de gehele middeleeuwen bleef de nieuwjaarsdag afhankelijk van regionale gebruiken, waarbij op één plaats vaak twee of meer data tegelijkertijd als nieuwjaar golden. In de vijftiende en zestiende eeuw gingen de meeste staten in Europa er toe over het nieuwjaar op de eerste januari te vieren, maar de verwarring bleef nog lang doorwerken. Tussen 1660 en 1669 veranderde Samuel Pepys, bijvoorbeeld, in zijn dagboeken het jaartal op 25 maart en zette toch "New Year" bij de eerste januari.

Toch is 1 januari overwegend de nieuwjaarsdag gebleven in alle delen van het voormalige Romeinse rijk. En Janus bleef een populaire verschijning. De foto links toont een kapiteel uit de 14e eeuw met het dubbele hoofd van Janus, met en zonder baard, afkomstig uit de plaats Pomaz in Hongarije.

Voorzover 1 januari als nieuwjaar gevierd werd, ontstonden op deze datum gebruiken die vergelijkbaar zijn met die van andere dagen in de Joeltijd. Het feest begon, zoals alle Germaanse en Keltische feesten, op de vooravond, die in het Engels nog steeds New Year's Eve heet.

Naar de heilige aan wie deze dag gewijd is, werd vroeger ook wel van Silvesteravond gesproken, een naam die in Duitsland nog steeds gebruikt wordt. Silvester was paus van 314 tot 335 en wordt vaak in verband gebracht met keizer Constantijn de Grote, de eerste christelijke keizer.

Toen de heiligenverering tijdens de Reformatie werd afgeschaft, ontstond de gewoonte van Oudejaarsavond te spreken. Het knallen van vuurwerk bij het begin van het nieuwe jaar en allerlei gebruiken om de gevestigde orde op haar kop te zetten, zijn een algemeen verschijnsel tijdens de Joeltijd.

Van Dertiendag naar Driekoningen (6 januari)

De zesde januari gold vrij algemeen als het eind van de twaalf dagen durende Joeltijd en werd daarom Dertiendag genoemd. Het feest werd volgens oud heidens gebruik gevierd op de vóóravond. In het Engels spreekt men daarom van Twelfth Night.

Onder invloed van het christendom werd het eind van de heidense Joeltijd vervangen door een ander feest op deze datum. De wijzen uit het oosten die volgens het Mattheus-evangelie het kindje Jezus in Bethlehem bezochten en geschenken brachten, werden in de volksoverleveringen tot de koningen Melchior, Balthazar en Caspar. Het moment dat ze het kindje vonden, wordt epifanie (verschijning) genoemd en gerekend op 6 januari. De naam Driekoningen verdrong al snel het oudere Dertiendag.

De foto links toont het schilderij De aanbidding der koningen, rond 1520 gemaakt in de streek Kleef-Gelre en te zien in Museum Catharijneconvent in Utrecht.

Alle gebruiken die we op de andere dagen van de Joeltijd beschreven hebben, kunnen ook hier voorkomen. De omkering van de gevestigde orde vinden we in de gewoonte een boon in de maaltijd te verbergen. In katholieke gezinnen was tot in de twintigste eeuw gebruikelijk een koek te bakken met een boon erin. Wie de boon trof was "koning" voor die dag, wat bepaalde rechten en plichten met zich meebracht.

In de avond gingen groepen kinderen, waarvan drie verkleed als koning, met een lampion als ster de huizen langs om voor een kleine vergoeding te zingen.

Tot de meer huiselijke gebruiken hoorde het kaarsjesspringen, waarbij het hele gezin over drie op de grond staande kaarsen sprong.

Het wiel gaat weer draaien

Midwinter werd door de eeuwen gezien als een magisch moment, waarop de zon een paar dagen dezelfde baan rond de aarde beschrijft en dan weer in beweging komt om een half jaar lang elke dag steeds hoger te komen.

Dit magische moment is op magistrale wijze weergegeven door Charles de la Fosse (1636-1716) in het schilderij Het opkomen van de zon, gemaakt tussen 1672 en 1680. Zie de foto links. Apollo als Zonnegod verschijnt in zijn door paarden door het luchtruim getrokken wagen. Hoewel dit de ochtend van een willekeurige dag kan uitbeelden, heeft de schilder toch ook de gang van de zon door het jaar gesymboliseerd door de vier jaargetijden die zijn komst gadeslaan. Links zien we de Zomer, belichaamd door een naakte vrouw, omringd door vruchten, die door cupido's gekroond wordt. Midden onder is de Herfst uitgebeeld door Bacchus met een wijnbokaal en met druiven op zijn hoofd, omringd door slapende bacchanten. De Winter, rechts, is gehuld in duisternis, belichaamd door gewapende mannen in zwarte gewaden, op de vlucht gedreven door Minerva die met opgeven zwaard voor Apollo uitsnelt. Het Voorjaar, boven, is een zoete belofte, belichaamd door gevleugelde cupido's die door de lucht zweven. Het is duidelijk dat Charles de la Fosse zijn mythische zonsopgang met Midwinter heeft weergegeven.

Een algemeen voorkomend Joelgebruik is alles wat bewegen en met name draaien kan, eerst enkele uren of dagen bewegingloos stil te houden en daarna weer in beweging te zetten.

In streken waar Holda of Perchta met Midwinter werd geacht rond te gaan mocht van Midwinter tot na nieuwjaar niet gesponnen worden, anders zou de Godin voor straf je buik openrijten. Waar de Luciadag werd gevierd, was het vaak verboden vanaf deze dag tot de kerst te spinnen. Vaak waren allerlei werkzaamheden in de Joeltijd tot na nieuwjaar verboden. Er mocht niet op het land worden gewerkt, het huis mocht niet worden geveegd. Er mocht niet op wagens worden gereden want de draaiende wielen zouden een bespotting van de stilstaande zon betekenen. Vaak mocht in de Joeltijd niet gebakken worden en moest het kerstbrood en kerstgebak al op Thomasavond (21 december) bereid worden.

Soms werd het wiel na de Thomasdag (met Thomasluiden of Midwinterhoornblazen) weer in beweging gezet, soms na kerst, het oude Midwinter, en soms pas na nieuwjaar of na Dertiendag. Het afschieten van vuurwerk tijdens de nieuwjaarsviering is eenzelfde poging de sluimerende natuurkrachten weer op te wekken.

In Europa is vuurwerk vanaf de dertiende eeuw bekend, maar pas in de twintigste eeuw werd het algemeen gebruikt met nieuwjaar. Voordien werden vooral ratels, trommels en geweren gebruikt om zoveel mogelijk herrie te produceren. Ook was het de gewoonte in de nieuwjaarsnacht van alles te verplaatsen, liefst zware voorwerpen of voertuigen die met man en macht werden versleept naar een dak of heuveltop. In bepaalde streken, met name Texel, is het slepen in de nieuwjaarsnacht tot de Tweede Wereldoorlog algemeen gangbaar geweest.

Het gebruik elkaar gelukkig nieuwjaar te wensen berust op het volksgeloof dat een begin bepalend is voor het verdere verloop. In Engeland, Schotland en het eiland Man bestond het gebruik van First Foot, wat inhield dat de eerste die het huis betrad in het nieuwe jaar het wel en wee van het hele jaar beïnvloedde. Als deze persoon een geschenk meebracht of bepaalde rituele handelingen verrichtte zou dat een goed jaar beloven.

De Wilde Jacht

In het stuk over Samhain hebben we de Wilde Jacht beschreven als de verschijning van de teruggekeerde doden in het begin van de winter. Ook in de Joeltijd werd het Wilde Heer vaak waargenomen. In Duitsland was het beurtelings Wodan of Frau Holle die de hemelse bende aanvoerde; in Zuid-Duitsland en Oostenrijk was het vooral Perchta, Frau Berhta of Königin Bertha die deze taak op zich nam. In de Slavische landen werd ze Parychta genoemd. Zie op de foto rechts de achttiende eeuwse afbeelding van Wodan op zijn achtbenige paard op de omslag van een uitgave van de Edda uit 1987. De meeste afbeeldingen van Wodan dateren uit de 19e eeuw.

Zowel Perchta als Holda is te beschouwen als een verschijningsvorm van de Germaanse Moedergodin die alles wat leeft, beschermt en behoedt. Ze schenkt ook het leven. In volksverhalen werd gezegd dat kinderen uit het deeg of uit de put van Holda komen. Tegelijk is Holda de Godin die de overledenen begeleidt naar de onderwereld. Haar naam is afgeleid van huld, wat zowel helen als verhullen aangeeft. Ze is Moeder Aarde die de levenden beschermt en de doden toedekt. De hel is de beschutting die Moeder Aarde ons biedt.

Perchta is vermoedelijk een vorm van de Godin die door de Germanen in de berk gestalte werd gegeven.(Zie Ko Lankester: Het vieren van de Maanfeesten, hoofdstuk 7). De berk werd door de Germanen en Kelten verbonden met een reiniging in of na de Joeltijd. Het oude wordt vernietigd om het nieuwe een kans te geven. Dit is precies wat de Wilde Jacht doet. In de Joeltijd werd het oude op alle mogelijke manieren afgebroken. De sociale orde werd op haar kop gezet. In Engeland werd in de middeleeuwen een Lord of Misrule gekozen die vaak tot het eind van de Joeltijd de scepter zwaaide en alle autoriteiten tartte door overal aan te tornen, net als de Wilde Jacht alles overhoop haalde.

Binnen het christendom werd vooral het afbrekende aspect van de Wilde Jacht benadrukt. Holda werd voorgesteld als de koningin van de hel, met demonen en ongedoopte stervelingen in haar gevolg. Perchta werd tot een afzichtelijk monster dat je buik openklauwt als je vergeet je te laten zegenen met wijwater. Toch lijkt het gewone volk zich weinig van deze gruwelverhalen aangetrokken te hebben. In volksgebruiken tijdens de Joeltijd spelen de Perchten in Tirol en Oostenrijk een grote rol. De tafel werd voor ze gedekt en tijdens optochten en omgangen waren er vaak als Perchten verklede wezens die lekkernijen rondstrooiden.

De strijd tussen winter en zomer

Afbeeldingen van de Winter getuigen vaak van de strijd tegen de kou. De foto rechts toont een man die verkleumd zijn kleren om zich heen trekt. Het is een van de vier jaargetijden op een verguld model van een tempel met de vier seizoenen uit de 18e eeuw.

De foto links laat een van de vier jaargetijden zien bij de ingang van kasteel De Berckt in Limburg, waarschijnlijk gemaakt begin 19e eeuw. Een jonge vrouw houdt een stapel takken onder haar rechterarm, duidelijk bedoeld om het haardvuur mee aan te steken.

Veel jaarfeestgebruiken rond Midwinter geven de strijd tussen winter en zomer weer. Vaak wordt de winter vertegenwoordigd door een stropop die in het voorjaar wordt verbrand of in het water gegooid. Ook wel beeldt een met stro omwonden man de winter uit. Een met groene twijgen omwonden jongeman daagt hem dan uit en verslaat hem.

In Engeland was er in de Joeltijd steevast een mummers' play (toneelstukje of optocht met gemaskerde acteurs) waarbij zomer en winter met elkaar vochten. Vooral het verslaan van Koning Winter is door de eeuwen heen populair gebleven, begrijpelijk in een samenleving die voor haar bestaan afhankelijk was van de nieuwe oogst die de komende zomer zou brengen.

De Hulst- en Eikkoning

Een van de manieren om de strijd tussen zomer en winter uit te beelden, was door de Eikkoning met de Hulstkoning te confronteren. Vooral in Engeland was dit gebruikelijk, maar ook elders in Europa zijn hier wel sporen van gevonden. De Eikkoning vertegenwoordigt de groeikracht van de natuur. Hij heerst van Midwinter tot Midzomer. De Hulstkoning symboliseert de afbrekende kracht die ervoor zorgt dat de natuur weer terugkeert tot een periode van winterse rust. In ons ritueel voor het Midzomerfeest spelen de Eik- en Hulstkoning een grote rol, maar ook in het Midwinterritueel zijn ze, zij het minder lijflijk, aanwezig. Voor een meer gedetailleerde beschrijving van de Hulst- en Eikkoning verwijzen we naar de uiteenzetting die Ko geeft in Het vieren van de Maanfeesten, hoofdstuk 13.

Een Joelviering voor deze tijd

Het Joelfeest is door de eeuwen heen een gelegenheid geweest waarbij de sluimerende levenskracht van de natuur opnieuw werd gewekt. Het exacte moment van het wintersolstitium is daarbij niet van belang. Tussen 17 en 30 december gaat de zon vrijwel elke dag op hetzelfde tijdstip op (in Nederland rond 8.45) en onder (rond 16.30). Na deze periode van stilstand komt het wiel weer in beweging. In het verleden is meestal een periode van twaalf of dertien dagen beschouwd als de Joeltijd waarin deze verandering zich voltrekt.

Het ontwaken van de levenskracht van de natuur kunnen we ons voorstellen als een besneeuwd landschap dat langzaam ontdooit, of een besneeuwde tuin, zoals op het schilderij van Gauguin links. De ergste kou kan nog komen, in januari of februari, maar het licht dat is teruggekeerd, heeft de belofte van de lente en de hernieuwde groei in zich.

Door dit proces van beweging na stilstand vorm te geven in een rituele context kun je de aanwezige levenskracht activeren en gebruiken. Onze heidense en christelijke voorouders vierden niet het Joelfeest omdat ze bang waren dat de zon anders stil zou blijven staan. Onze heidense voorouders wisten heel goed dat een magische handeling haar kracht ontleent aan het meegaan met de stroom - nooit door er tegenin te gaan of zich eraan te onttrekken. Door aan de kant te blijven staan, kun je de kracht van een rivier bewonderen, maar je hebt er geen deel aan. Door een boot in het water los te laten, kun je de kracht van de rivier benutten om een bepaald doel te bereiken. De zon komt heus wel weer in beweging zonder dat wij het Joelfeest vieren, maar door het Joelfeest rond het wintersolstitium te vieren, komen wij zelf in beweging.

De Joeltijd is, net als het begin van de winter, een moment dat de grens tussen deze en gene wereld wat minder absoluut is. Een prachtig versierde Nederlandse slee uit de 18e eeuw, te zien in Huis van Loon in Amsterdam, is een mooie illustratie van dit schemergebied. De foto linksboven toont de linkerzijkant van de slee, de foto rechts de voorkant. Bovenop de zijkanten ligt rechts een meermin en links een meerman. Achter ze komen een hert en een jachthond uit een bloem te voorschijn. Op de voorkant van de slee houden twee kinderen een bord omhoog met een broedende zwaan, terwijl daaronder twee gevleugelde cupido's op een hoorn blazen boven een liggende koe. De afbeelding op de zijkant van de slee toont een boerderij in de zomer met een gevulde hooiberg en een boerin die twee melkemmers aan een juk draagt.

Het is duidelijk dat grenzen vervagen in de afbeeldingen op de slee, de grenzen tussen mens, dier en vegetatie, de grens tussen zomer en winter. Men keek er niet van op in de wonderbaarlijke Joeltijd.

Voor de Germanen, Kelten en andere Indo-Europese stammen waren het de voorouders die nog een aantal generaties lang in de wintertijd contact zochten. Ook tegenwoordig geloven nog veel mensen dat overledenen zich, als ze dat willen, onder de levenden kunnen begeven, soms zonder gezien of gehoord te worden, maar soms ook duidelijk met een van onze zintuigen waarneembaar.

Veel moderne heidenen geloven in reïncarnatie, wat niet uitsluit dat de overledene een tijdlang aan gene zijde doorbrengt en bij bepaalde gelegenheden terug kan komen. Anderen geloven dat een overledene zich geleidelijk aan oplost in de kosmos tot alleen de basiselementen overblijven, waaruit weer talloze nieuwe organismen gevormd worden. De Joeltijd kan voor ons een gelegenheid zijn om, op wat voor manier dan ook, contact te maken met een overleden vriend, vriendin of familielid.

Ook andere wezens uit de andere werkelijkheid kunnen in de Joeltijd dichter bij ons zijn dan anders. Voor de een zal de aanwezigheid van de God en de Godin een gegeven zijn. Voor de ander kunnen het vele Goden en Godinnen zijn die zich kunnen manifesteren, of krachten die verbonden zijn met een bepaald element, zoals lucht- of watergeesten. Deze wezens kun je op een bepaalde manier eer bewijzen om ze te danken voor hun goede zorgen en de bescherming die ze je bieden. Je kunt ze ook vragen iets voor je te doen, bijvoorbeeld de in het ritueel opgewekte kracht een bepaalde toepassing te geven.

Het Joelritueel leent zich bij uitstek om zaken die al een tijd vastzitten opnieuw in beweging te brengen. Probeer datgene dat is vastgelopen een bepaalde vorm te geven en verricht er dan een handeling mee die de beweging uitbeeldt.

Stel dat je het gevoel hebt dat de relatie met een vriend, vriendin of familielid een beetje is vastgelopen. Je maakt dan iets dat voor jou deze persoon uitbeeldt, bijvoorbeeld door een foto van die persoon te nemen, of een voorwerp dat je van deze persoon hebt gekregen. Leg dit voorwerp midden in de Cirkel en loop er driemaal widdershins (tegen de klok in) omheen. Daarna neem je het voorwerp in je hand en loopt er driemaal deosil (met de klok mee) de Cirkel rond. Door widdershins te lopen, laat je dingen achter je. Je laat daarbij het voorwerp liggen, waarmee je aangeeft dat je niet deze persoon achter je wilt laten, maar wat er tussen jullie is gekomen. Door deosil te lopen, bouw je iets nieuws op. Door het voorwerp hierbij mee te nemen geef je aan dat je samen met deze persoon iets nieuws wilt opbouwen en dingen weer in beweging wilt zetten. Als je het ritueel met anderen doet, kan elk op deze manier iets uitbeelden dat is vastgelopen en weer op gang gezet moet worden.

Versieren van een Joelboom

Het versieren van een joelboom is een manier om de gehele Joeltijd een tastbaar symbool hiervan in huis te hebben. De altijd groene boom vertegenwoordigt de levenskracht in de natuur die zelfs de winter trotseert. In plaats van de gebruikelijke kerstboomversieringen kun je kiezen voor appels en andere vruchten die vermoedelijk teruggaan op een van oorsprong heidense boomversiering.

Papieren bloemen

Ook kun je papieren bloemen maken en in de boom hangen. Hiervoor heb je nodig:

- bloemistendraad (voor elke bloem ongeveer 40 cm)
- crepe-papier (rood en wit)
- bloembindtape
- wattenbolletjes
- alleslijm
- schaar
- nijptang

Een simpele manier om bloemen te maken is met behulp van bovenstaande tekening. Knip een strook van ongeveer 8 cm van de rol crepepapier. Laat hierbij het papier op elkaar zitten. Nu kun je de volgende variaties maken. Je kunt het rolletje in de breedte inknippen tot ongeveer 1 cm van de kant (afb.1a).

Je kunt ook één kant van het rolletje uittrekken zodat je een geschulpte rand krijgt (afb. 2a).

Een derde methode is de strook uit te rollen en in de lengte dubbel te vouwen. In elk van deze drie gevallen haal je twee bloemen uit één strook papier.

Neem een stuk bloemistendraad van 40 cm en vouw het dubbel. Vorm een oogje en sla de rest van de twee einden om elkaar heen (afb. 3). Als je een hartje in de bloem wilt maken, neem dan een wattenbolletje en een stukje crepepapier van 5 x 5 cm. Sla het wattenbolletje om het oogje en vorm zo met het crepepapier er omheen een hartje (afb. 4).

Neem nu de afgeknipte strook crepepapier en wikkel de onderkant om het bloemistendraad, zodanig dat de onderkant van het papier ongeveer 1 cm onder het oogje of onder het gemaakte hartje valt. Gebruik hiervoor ongeveer de helft van de strook papier. Met de andere helft kun je een tweede bloem maken. Plooi het papier losjes om het binddraad. Draai de bloembindtape er stevig omheen en ga daarmee door tot de onderkant van het binddraad of zo lang als je het steeltje wilt hebben. Knip de rest van het binddraad af. Dit uiteinde wikkel je om de takken van de joelboom. Met de ingeknipte strook maak je een bloem zoals in afb. 1b. Als je een hartje hebt gemaak,t ziet de bovenkant eruit zoals in afb. 1c. Met de dubbelgevouwen strook maak je een bloem zoals in afb.5.

Noten en appels

Je kunt ook noten en appels in de joelboom hangen. Neem hiervoor een stukje smal kerstlint van ongeveer 20 cm. Knoop de eindjes aan elkaar en knip de losse stukjes af. Met alleslijm kun je een noot aan het lint lijmen, waarna je het lusje aan een tak kunt hangen. Met stukken kerstlint van ongeveer een halve meter kun je appels in de joelboom hangen. Knoop het lint kruiselings om de appel en hang hem op aan een hangertje voor kerstboomballen.

Koekdeegfiguurtjes

In de traditionele joelboom werden naast vruchten en bloemen ook deegfiguurtjes gehangen. In Engeland zijn deze koekjes bekend als gingerbread men. Teken het rechts afgebeelde figuurtje over met hoogte van ongeveer 12 cm. Trek deze afbeelding over, plak hem op karton, knip dit uit en snij hierlangs de figuurtjes uit het deeg.

Je kunt natuurlijk ook zelf andere figuurtjes maken, zoals paarden, herten, varkens of kransjes. Veel verschillende vormpjes om koekjes mee uit te steken zijn te koop. Kransjes kun je ook uitsteken met twee glazen van verschillende groot¬te. Je hebt verder nodig:

- 250 gr bloem
- mespunt zout
- 1/2 theelepel gemberpoeder
- 3 eetlepels schenkstroop
- 2 eetlepels suiker
- 1 eierdooier
- krenten

Verwarm de oven op 175 graden celcius. Vet de bakplaat in met 1 eetlepel boter. Doe de bloem samen met het zout, bakpoeder en gemberpoeder in een kom en roer dit door. Smelt de boter met de schenkstroop en suiker in een pan. Laat het wat afkoelen en doe dit dan samen met de eierdooier bij het bloemmengsel. Kneed een stevig deeg. Rol het deeg op een met bloem bestrooid werkvlak uit tot een dunne lap. Snij de mannetjes langs de kartonnen mal uit het deeg. Leg de mannetjes op een bakplaat. Maak met de krenten gezichtjes en bak ze in het midden van de oven in ongeveer 15 minuten lichtbruin en gaar.

Met een lint, bijvoorbeeld om de hals gebonden, kun je de figuurtjes in de boom hangen. Je kunt ook, voordat het figuurtje gebakken wordt, een gaatje in het deeg prikken om een lint of haakje door te doen.

Joelbrood

Voor de Joeltijd bestaan veel traditionele brood- en gebakvormen, zodat we een keuze hebben moeten maken. In Duitsland en Scandinavië hebben veel joelbroden een spiraalvorm. Soms is er een enkele spiraal, soms een dubbele en vaak zijn er alleen vier spiraalvormige uiteinden. Naar alle waarschijnlijkheid zijn deze broden een gestileerde afbeelding van de wagen waarmee Freya of Holda in de Joeltijd door het luchtruim vliegt, aan het hoofd van het Wilde Heer. Het is haar wagen die na de zonnestilstand de kosmos weer in beweging zet.

De Gullwagen, een bekend Zweeds joelgebak, heeft de vorm van een dubbele spiraal. Ook elders komen dergelijke broden voor. De Groningse variant wordt kütschewaoge of kütsche waogen genoemd. De in Zweden alom bekende julkuse is een langwerpig brood met vier spiraalvormige uiteinden. De naam betekent "joelkalf". De koe werd in Scandinavië met Freya verbonden en koeien trokken de wagen waarmee in het vroege voorjaar haar beeltenis werd rondgereden.

De duivekater

Bij het bekendste Nederlandse joelgebak, de duivekater, zijn de vier spiralen tot knobbels geworden. De verklaring dat dit een scheenbeengebak is als vervanging van heidense mensen- of dierenoffers is afkomstig van Max Höfler die, zoals gezegd, vrijwel elk feestbrood als substituut voor bloederige offers interpreteerde.

Aannemelijker is dat de duivekater is gebaseerd op de wagen van Freya, die volgens Scandinavische mythen werd getrokken door katten. Een Zweeds brood voor de Luciaviering vertoont veel overeenkomst met de duivekater en wordt döfvelskatt genoemd (zie bovenstaande foto, afb.3). De duivekater is in de middeleeuwse zienswijze de duivelse wagen van de Koningin van de Hel, getrokken door dat duivelse monster, de kat.

Van Freya werd ook gezegd dat ze niet op een wagen door de lucht reed, maar op een everzwijn met gouden borstels, Hildeswin, genaamd. De naam geeft al aan dat Holda en Freya in wezen twee verschijningsvormen van dezelfde Godin zijn. In de nadagen van het Germaanse heidendom werden de Goden steeds belangrijker en namen veel taken en kenmerken van de Godinnen over. Zo ging het everzwijn over van Freya op haar broer Freyr en werd Gullinborsti (gouden borstels) genoemd.

Op dezelfde manier werd het leiderschap van de Wilde Jacht in het zuiden door Wodan en in het noorden door Odin overgenomen. In de Achterhoek en Noord-Brabant zei men dat in de Joeltijd Derk-met-de-Beer rondging, waarmee een everzwijn bedoeld werd. Vooral in Noord-Europa is het everzwijn in volksgebruiken populair gebleven.

In Zweden is de julgalt een bekend joelbrood, dat meestal de hele Joeltijd op de gedekte tafel bleef staan. De naam betekent "joeleverzwijn". Het brood kon de vorm van een zwijn uitbeelden, maar ook de dubbele spiraal werd wel julgalt genoemd. De duivekater werd vaak met gekartelde zijkanten gemaakt, ongetwijfeld een overblijfsel van de borstels van het joeleverzwijn.

Om een kütschewaoge te bakken heb je nodig:

- 500 gr bloem
- 50 gr verse gist of 2 zakjes droge gist
- 1 eetlepel zout
- geraspte schil van 1 citroen
- 3 dl melk

Maak op de gewone wijze een gistdeeg (zie de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad) en laat dit rijzen. Voeg nu de vulling toe, bestaande uit:

- 150 gr rozijnen
- 300 gr krenten
- 75 gr fijngehakte sukade (of neem 75 gr groene bigaro's)
- 100 gr geconfijte sinaasappelschil
- 150 gr rozijnen

Werk deze vulling door het gerezen deeg. Verdeel het deeg in vieren en maak hier vier rollen van ongeveer 40 cm lang van. Leg deze repen op de ingevette bakplaat naast elkaar en maak een viervlecht vanuit het midden. Vlecht niet door tot het einde, maar rol deze twee aan twee op en sla ze naar buiten om. Duw de uiteinden onder de vlecht terug. Draai de bakplaat om en vlecht weer vanuit het midden. Buig ook hier de twee uiteinden in elkaar en sla ze om. Klop nu 1 ei los en bestrijk het brood hiermee. Laat het brood weer rijzen en bak het in 30 minuten in een oven op 180 graden Celsius.

Van de duivekater bestaan verschillende modellen. De Amsterdamse duivekater wordt vaak met opgelegde vlechten gemaakt (zie bovenstaande foto, afbeelding 2) De gekartelde zijkant is bij de Amsterdamse duivekater duidelijk aanwezig.

Verder is er nog de Nieuwendamse duivekater, met naar binnen gerolde uiteinden en bladmotief (zie afbeelding 1). De Zaandamse duivekater heeft de knobbelvormige uiteinden verloren en is alleen nog door de naam als zodanig te herkennen. De Assendelftse duivekater heeft evenmin knobbels, maar nog wel de kartels die waarschijnlijk de borstels van Hildeswin uitbeelden.

Onderstaand recept is voor het maken van een gewone duivekater, zoals die in afbeelding 4 is weergegeven. Hiervoor kun je het recept voor fijn brooddeeg bij Imbolc of witbrood bij het Lentefeest (zie de betreffende pagina's) als basis gebruiken.

Vorm van het deeg een langwerpig brood, in het midden breder dan aan de uiteinden. Snij de onder- en bovenkant van het brood in, vouw deze uiteinden om naar buiten en krul ze wat om. Bestrijk nu het brood een paar keer dun met losgeklopt ei. Snij de motieven in het brood, halve cirkels, tot het midden over de lengte van het brood. Laat het brood nu weer rijzen tot dubbel het volume en bak het in een oven van 180 graden celcius in ongeveer 20 minuten bruin en gaar.

Engelse kerstcake

In plaats van joelbrood kun je een traditionele Engelse kerstcake maken. Je hebt nodig:

- 1 bakvorm van ong. 30 cm
- bakpapier
- 350 gr zelfrijzend bakmeel
- 350 gr lichtbruine suiker
- 350 gr zachte boter
- 100 gr gemalen amandelen
- 6 eieren
- 2 theelepels bakpoeder
- ½ theelepel zout
- 175 ml melk
- 1 eetlepel stroop

Mix dit door elkaar. Als het, na 1 á 2 minuten, een schuimige massa is, roer je er het volgende door:

- 100 gr bigaro's
- 100 gr geconfijte sinaasappelschil
- 350 gr rozijnen
- 350 gr sultana's (blanke rozijnen)
- 350 gr krenten
- sap en schil van 1 citroen

Beboter de vorm, leg het bakpapier erin en doe alles in de vorm. Bak in een vóórverwarmde oven van 175 graden celsius zo'n 1 ½ uur. Doe dan aluminiumfolie op de bovenkant en bak nog 1 uur. Controleer, bijvoorbeeld met een breinaald of satéprikker, of de cake gaar is. Steek de naald in de cake. Als hij er droog uitkomt is de cake gaar. Laat hem anders nog 15 á 20 minuten staan. Haal de cake uit de oven en laat hem een half uur afkoelen in de bakvorm. Laat hem daarna op een rooster verder afkoelen. De cake kun je tot 3 weken vóór Joel bakken en goed in plastic verpakt koel bewaren.

Joelmede

In Scandinavië werd met Joel traditioneel mede gedronken, een drank die volgens de mythen door de Goden werd uitgevonden en ook door hen werd gedronken om goddelijke inspiratie op te doen. De reuzen stalen de mede, maar Odin veranderde zichzelf in een adelaar, vond de mede, dronk hem helemaal op en bracht de drank op deze manier terug naar Walhalla. Ook de Grieken beschouwden mede als een godendrank.

Door de eeuwen heen is altijd iets van dit mysterie rond de mede blijven hangen, al bleef de drank niet aan Goden voorbehouden. In Nederland en Duitsland werd met nieuwjaar vaak brandewijn gedronken. Wie daar nog te jong voor was, kreeg mede. Om deze zoete mede te maken heb je het volgende nodig:

- 5 potten honing van 450 gr
- 3 sinaasappels
- 1 citroen
- 1 theelepel tannine
- 1 theelepel citroenzuur
- 1 theelepel wijnsteenzuur
- 1 theelepel pecto-enzym
- 1 theelepel gistvoedingszout
- sulfiet
- 3 liter water

Maak twee dagen van tevoren een giststarter (zie de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad). Maak met een hete sulfietoplossing een 5-liter gistingsfles schoon. Kook het water, zet dan de warmtebron uit en voeg 4 potten honing hieraan toe. Los het wijnsteenzuur, het citroenzuur, het gistvoedingszout en de tannine hierin op. Rasp de schil van de sinaasappels en de citroen. Rasp geen wit mee. Pers de vruchten uit en voeg sap en geraspte schil aan het mengsel toe. Als alles voldoende is afgekoeld kan de giststarter en het pecto-enzym worden toegevoegd en alles kan in de 5-liter gistingfles worden gedaan. Als het nodig is, kun je nog wat lauw water toevoegen. Het kan soms lang duren voordat de mede begint te gisten. Als dit proces eenmaal goed op gang is gekomen, kun je af en toe een beetje honing van de overgebleven pot erbij doen. Neem niet teveel tegelijk, anders stopt de gisting voortijdig.

Warme joelwijn

Om na het joelritueel te drinken, kun je een warme wijn maken van vlierbes-druivenwijn. Het recept voor deze wijn is in de pagina over het herfstfeest te vinden. Je kunt ook gewone rode wijn nemen. Je hebt nodig:

- 1 liter (vlierbes-druiven)wijn
- 1 glaasje brandewijn
- 1 liter sinaasappelsap
- 150 gr suiker
- 1 citroen
- 1 sinaasappel
- 2 kaneelstokjes
- 150 gr suiker
- 20 kruidnagels

Snij de citroenen en de sinaasappel door. Steek de kruidnagels in de schil van de vruchten. Doe alles in een roestvrij stalen pan en verwarm de vloeistof tot ongeveer 90 graden celsius. Pas op dat het niet gaat koken. Laat dit zachtjes 2 á 3 uur trekken op een klein pitje en een vlamverdeler. Voeg de brandewijn toe. Zeef de warme wijn en dien deze op in hittebestendige (dikke) glazen.

Joelwierook

In de Joeltijd speelde wierook vanouds een grote rol. In Duitsland werden tijdens de Rauchnächte het hele huis en de stallen bewierookt. Dit werd over het algemeen vier keer gedaan, namelijk met Sint Thomas, kerst, nieuwjaar en Driekoningen. Om een joelwierook te maken, voeg je aan ½ eetlepel van het basisrecept (zie de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad) het volgende toe:

- ½ theelepel geplette jeneverbes
- ½ theelepel dennennaalden
- 1 druppel sinaasappelolie of rozemarijnolie

Waskaarsen maken

In het door ons gegeven joelritueel vervullen kaarsen een belangrijke funktie. Ook in de andere rituelen worden kaarsen gebruikt. Je kunt deze kaarsen op een eenvoudige manier zelf maken. Je hebt hiervoor nodig:

- 1 kg bijenwas
- 1 bol witte katoenen breigaren nr. 8
- 2 lege en schone conservenblikken, waarvan liefst 1 hoog blik, bijvoorbeeld van Duitse worsten.

Doe de was in de twee blikken en zet elk blik in een pannetje kokend water zodat de was smelt. Het hoge blik gebruik je om de kaarsen te dompelen. Het andere blik hou je warm om het eerste blik bij te vullen. Je knipt een stuk van het breigaren. Neem ongeveer 10 cm langer dan de lengte van de kaars die je wilt maken. Als de was gesmolten is, ga je dompelen. Je laat daartoe de draad in de warme was zakken en haalt hem weer omhoog om de was te laten stollen. Dit herhaal je tot je de kaars dik genoeg vindt. Als de hoeveelheid was in het blik mindert, kun je dit bijvullen uit het andere blik. De was moet niet te heet zijn, anders smelt de kaars weer. Dit merk je vanzelf terwijl je bezig bent. Je kunt wat druppeltjes essentiële olie in de vloeibare was doen. Hiervoor kun je sinaasappelolie nemen of een andere verwamende olie, zoals rozemarijn. Door de kaarsen vóór of tijdens het ritueel met wasplaatjes te versieren, krijgt elke kaars iets persoonlijks. Deze methode hebben we op de pagina over Samhain beschreven.

Kandelaars maken

In het Joelritueel heeft ieder een eigen kaars. Je kunt deze kaarsen in gewone kandelaars zetten of ieder een eigen kandelaar laten maken. Hiervoor kan klei gebruikt worden die per brood te koop is, maar mooier en sterker is zelfhardende klei.

Het beste resultaat krijg je als je zelfhardende klei en houtpasta mengt omdat dit mengsel niet gaat scheuren na het drogen. Beide zijn te koop in hobbywinkels. Koop hiervoor een pak zelfhardende klei en een zak modelleerpoeder op houtbasis.

Meng eerst de houtpasta met de voorgeschreven hoeveelheid water en werk daarna de zelfhardende klei erdoor. Dit kun je 1-2 dagen van tevoren doen. Verdeel dit in porties van ongeveer 100 gram. Uit deze hoeveelheid haal je zo'n 15 porties, elk voor 1 kandelaar. Je kunt ook ongeveer 300 gram gebruiken om een grote kandelaar te maken. Doe de klei wel goed in plastic als je deze van tevoren aanmaakt.

Tijdens het ritueel kan ieder een kandelaar voor zichzelf maken. Om blaadjes te maken, kun je klei met een deegroller of fles tussen twee stukjes folie plat maken en daarna uitsnijden. Met een cocktailprikker of mesje kun je versieringen in de kandelaar aanbrengen. Met wetties kan de klei weer van je handen worden verwijderd. Na het ritueel kan ieder desgewenst de eigen kandelaar meenemen om thuis verder te laten drogen. Laat de kaars erin zitten, anders krimpt de kandelaar en past de kaars daarna niet meer. Als de kandelaar helemaal droog is, kan deze beschilderd worden met acrylverf en afgelakt worden.

Een pentagram van klimop

Klimop (hedera helix) heeft altijd groene bladeren en is vanouds, net als hulst en maretak, gebruikt als joelversiering. In Griekenland waren de wijnrank en de klimop de ornamenten die de Wijngod vertegenwoordigden. Meer in algemene zin is de klimop symbool voor de levenskracht die ook in de winter nog in de schijnbaar afgestorven vegetatie sluimert. Het is daarom een goed idee voor het joelritueel een Cirkel van klimop uit te leggen.

Ook kun je van tonkinstokken of takken van gelijke lengte een groot pentagram maken en met klimop versieren. Het pentagram is een magisch symbool dat al in de oudheid bekend was. In de westerse esoterische traditie vertegenwoordigt het de vier elementen en de geest die deze vier verbindt.

Met vijf tonkinstokken of takken van zo'n 60 cm kun je een pentagram maken dat je bij verschillende gelegenheden kunt gebruiken. In het Joelritueel kun je het met klimop versieren en midden in de Cirkel leggen. De grote kaars kan dan midden in het pentagram, de andere kaarsen er omheen. Voor andere rituelen kun je het pentagram versieren met bloemen, kruiden of graan.

Met dun ijzerdraad of wikkel (te koop in tuincentra) bind je twee stokken kruiselings aan elkaar, zoals in bovenstaande figuur, afbeelding 1, is aangegeven. Bind daarna de andere stokken hieraan, zoals in de volgende tekeningen is te zien en bind als laatste ook de 5 binnen-kruispunten vast. Op deze grondvorm bind je met stukjes wikkel de klimop vast.

Na het ritueel kun je het pentagram boven je altaar (als je dat hebt) hangen, of gewoon in de kamer. Als je dat wilt, kun je voor elk feest een andere versiering nemen en het pentagram laten hangen tot het volgende jaarfeest, zodat je daarmee de feesten als het ware met elkaar verbindt.

Versieren van de ruimte

Veel van de gebruikelijke kerstversieringen zijn afgeleid van de heidense Joelviering. Tijdens de Saturnalia versierden de Romeinen, zoals gezegd, hun huis met hulst. De kerstboom en sparrentakken zijn een gekerstende vorm van de heidense boomverering tijdens het Germaanse Joelfeest.

Je kunt ook maretak in de kamer hangen. De maretak is een plant die door de druïden bijzonder hoog werd aangeslagen en ook elders in de winterse volksgebruiken een grote rol speelde. De belangrijkste reden is waarschijnlijk dat de maretak zijn bladeren houdt, terwijl de boom waarop hij zich heeft vastgehecht, deze verliest.

Het Engelse mistletoe betekent misteltak. De naam mistel werd in de middeleeuwen in Duitsland en in Nederland gebruikt en is waarschijnlijk een verwijzing naar de slijmerige bessen waarmee de maretak zich aan een boomtak hecht. Doordat hij groen blijft, is de maretak vanouds geassocieerd met vruchtbaarheid. Een meisje dat onder een maretak stond mocht dan ook ongestraft gekust worden.

Ook werd de plant in verband gebracht met de geesten die in de Joeltijd rondwaren. Deze geesten werden in de middeleeuwen ook wel maren genoemd, wat nog in ons woord nachtmerrie en het Engelse nightmare terug te vinden is. Het kussen onder de maretak heeft ook te maken met het omkeren van de sociale orde in de Joeltijd, bedoeld om de levenskracht weer op te wekken.

Voorbereiding voor het ritueel

De ruimte is versierd op een bij het Joelfeest passende wijze. Alle voorwerpen die bij het basisritueel worden gebruikt, zijn aanwezig. Bij het altaar staat een fles mede of anders gewone wijn. Er is een joelbrood of kerstcake. In het midden staat een grote kandelaar met een onaangestoken kaars. Als er een met klimop versierd pentagram is gemaakt, ligt dit ook in het midden. Er omheen liggen evenveel hulsttakken en staan evenveel onaangestoken kaarsen als er aanwezigen zijn.

Als iedereen in het ritueel een kaars met was versiert, moeten de wasplaatjes aanwezig zijn. Als iedereen een eigen kandelaar maakt, staan de kaarsen nog niet in het midden, maar liggen ze terzijde met het materiaal om de kandelaars te maken.

Als je een wiel met acht spaken hebt, kun je dit buiten de Cirkel neerzetten. Het wiel is een eeuwenoud symbool voor de kringloop van het jaar. Er is een blok eikenhout dat fungeert als Joelblok. Er zijn een rood lint en een paar hulsttakken om het blok te versieren.

Als er een houtkachel of open haard is, kan het blok hierin verbrand worden. Je kunt ook in de tuin of op het balkon een vuurkorf of barbecue neerzetten en een van de groepsleden met het blok naar buiten laten gaan om het aan te steken. Je kunt, als het weer dat toestaat, natuurlijk ook met de hele groep naar buiten gaan.

Op de pagina Basisritueel is beschreven hoe je tijdens het ritueel de Cirkel kunt openen en weer sluiten. Als het buiten verbranden van een houtblok op teveel bezwaren stuit, kun je ook een takje in een ijzeren ketel verbranden. Neem dan wel een klein en droog takje om niet teveel rook in de kamer te krijgen. Het gaat om de handeling, niet om de hoeveelheid hout die verbrand wordt.

Het ritueel

PS en P zijn de priesteres en priester die het ritueel leiden. De Cirkel is volgens het basisritueel getrokken. Iedereen gaat in een kring zitten. Als er kaarsen worden versierd of kandelaars gemaakt, vindt dit nu plaats. PS zegt hierna:

Vanavond vieren we het Joelfeest. Een half jaar lang is de dag steeds korter geworden en de afbrekende krachten in de natuur zijn steeds sterker geworden. We noemen dat wel het Rijk van de Hulstkoning. Met Joel vindt een omkeer plaats: de dagen worden langer en de opbouwende krachten in de natuur zullen steeds sterker worden. Het Rijk van de Eikkoning gaat nu weer beginnen. Denk na over wat deze twee Rijken, het afbrekende en het opbouwende, voor jou persoonlijk betekenen.

Iedereen denkt hier een moment over na. Daarna gaat iedereen staan. PS staat in het Oosten, de anderen verdeeld over de Cirkel. PS zegt:

De aarde is duister, duister en koud
Het licht is verdwenen, in de afgrond verborgen
Dit is het Rijk van de Hulst en de Winter
De aarde is vochtig, vochtig en kil
Het licht is gevallen, het vuur is gedoofd

Ze blaast de Oostkaars uit. De groep loopt widdershins de Cirkel rond tot PS in het Zuiden is gekomen, dus 3/4 cirkel, en herhaalt daarbij:

Het licht is gevallen, het vuur is gedoofd

PS blijft in het Zuiden staan, herhaalt haar tekst en blaast de Zuidkaars uit. Iedereen loopt widdershins 3/4 cirkel en herhaalt de laatste zin. PS blijft in het Westen staan, herhaalt haar tekst en blaast de Westkaars uit. Iedereen loopt widdershins 3/4 cirkel en herhaalt de laatste zin. PS blijft in het Noorden staan. Ze begint haar tekst te zeggen:

De aarde is...

P valt haar in de rede en zegt:

De aarde is warm, warm en behaaglijk
Het licht zal weer rijzen, uit de afgrond herboren
Dit is het Rijk van de Eik en de Lente
De aarde is vochtig, vochtig en vruchtbaar
Het licht zal weer rijzen, het vuur wordt ontstoken

Het Joelblok wordt door twee groepsleden versierd, in de kachel gelegd en aangestoken. Als het blok brandt pakt P zijn eigen kaars uit de in het midden staande kaarsen, steekt hem aan de Noordkaars aan en loopt met de groep deosil de Cirkel rond, een hele cirkel en verder tot het Oosten, terwijl ze herhalen:

Het licht zal weer rijzen, het vuur is ontstoken.

In het Oosten blijft P staan, herhaalt zijn tekst, steekt met zijn kaars de Oostkaars aan en loopt dan met de groep deosil rond, een hele cirkel en verder naar het Zuiden, terwijl ze de laatste regel herhalen. In het Zuiden blijft P staan, herhaalt zijn tekst, steekt de Zuidkaars aan en loopt deosil met de groep rond, een hele Cirkel en verder naar het Westen, terwijl ze de laatste regel herhalen. In het Westen blijft P staan, herhaalt zijn tekst, steekt de Westkaars aan, loopt dan naar het midden, steekt met zijn kaars de grote kaars aan en zet zijn eigen kaars ernaast. Hij zegt:

Dit is het Rijk van de Eik en de Lente.

Hij pakt een hulsttak van de grond en gooit hem buiten de Cirkel. PS loopt naar het midden, steekt haar eigen kaars aan de grote kaars aan, zet hem op de grond en pakt een hulsttak. Ze zegt:

Dit is het Rijk van de Eik en de Lente.

Ze gooit de hulsttak buiten de Cirkel. Alle aanwezigen volgen een voor een haar voorbeeld, tot alle hulsttakken door brandende kaarsen zijn vervangen.

PS zegt:

Zoals ons vuur is ontstoken
Zo zal een vonk van het oude
Op het nieuwe overspringen

Hierna gaat iedereen zitten. PS (of een ander groepslid) zegt:

Ga gemakkelijk zitten, ontspan je en sluit je ogen. Je haalt een paar keer diep adem. Je loopt op een smal pad tussen de ruïnes van een oude tempel. Links van je zie je grote steenhopen en de restanten van een muur. Rechts zie je diepe gewelven. Het is warm en de zon brandt op je hoofd. Je probeert je voor te stellen hoe de tempel er uitzag toen hij net voltooid was en wat voor mensen hem gebouwd hebben. Je vraagt je af wat voor Goden en Godinnen ze aanbaden en wat voor rituelen ze in die tempel uitvoerden.

Als je de ruïne achter je laat, voel je een aandrang om terug te gaan en opnieuw die oude beschaving te beleven, maar in de verte zie je een heuvel, waardoor je op de een of andere manier wordt aangetrokken. Je voelt een mysterieuze kracht van die heuvel uitgaan en je durft er niet op te klimmen, dus je loopt er omheen. Je ziet niets bijzonders, maar je voelt die kracht en je loopt nogmaals om de heuvel heen en nog een derde keer.

Opeens blijf je staan. Je ziet een opening in de heuvel die op de een of andere manier aan je aandacht ontsnapt is. Je loopt er naartoe en kruipt er doorheen naar binnen. Eerst is het donker, maar er schijnt een vaag licht door de opening en als je ogen aan het donker zijn gewend, zie je dat je in een grote door mensen gemaakte ruimte bent. Uitgehouwen natuurstenen vormen een koepel van meer dan vijf meter hoog en je beseft dat de heuvel waar je driemaal omheen gelopen bent niets anders is dan de buitenwand van die koepel. Het hele bouwsel ademt een serene kracht en harmonie en je wordt erdoor opgetild, alsof je door de lucht zweeft.

Opnieuw zie je een ronde opening in de muur en als je er naartoe loopt, voel je de energie rondom je sterker worden. Het beangstigt je een beetje, maar je voelt dat je verder moet gaan. Als je door de opening kruipt, kom je in een volledige duisternis terecht. Het zwakke licht van buiten reikt niet tot hier. Je wacht tot je ogen aan het duister zullen wennen, maar tevergeefs. Daar vóór je is niets dan een absolute leegte. Je overweegt terug te gaan naar die grote koepel, en die vreemde heuvel achter je te laten, maar je hebt geen idee uit welke richting je bent gekomen. Je doet een paar stappen die duisternis in en hoewel je bang bent ergens tegenaan te lopen is er niets, absoluut niets, voor je, hoe ver je ook gaat.

Je blijft staan en je houdt je adem in. Je hoort zachte, klotsende geluiden, die je aan stromend water doen denken, maar ook aan vage stemmen. Je probeert iets te zeggen, maar je hoort je eigen stem niet. Je wilt schreeuwen, maar je hoort alleen die vreemde, ondefinieerbare geluiden. Er strijkt heel zacht iets over je gezicht als je in de richting van het geluid loopt. Je denkt aan spinnenwebben, maar je voelt niets als je over je wang veegt. Toch strijkt opnieuw iets over je gezicht, als een zachte, warme wind. Je probeert tevergeefs het te pakken. Een vage lucht, als van zoet geurende bloemen, prikkelt je neus. Je probeert de bloemen te pakken, maar je vindt ze niet. Je doet een paar stappen voor je uit, maar je voelt de vloer onder je voeten wegzakken en je struikelt.

Je valt en je houdt je handen voor je gezicht om het te beschermen, maar je slaat nergens tegenaan. Je blijft alsmaar vallen en je begint te begrijpen dat je handen een val van zo ver nooit kunnen breken. Je voelt een warme wind langs je gezicht strijken, terwijl je steeds sneller en sneller valt. Maar dan voel je dat iets je handen grijpt. Heel geleidelijk aan remt het je af tot je niet langer naar beneden valt en blijft zweven. Je reikt naar de handen die je leven hebben gered, maar dan besef je dat het je ene hand is die de andere vasthoudt. Er is niemand anders en je zweeft helemaal op eigen kracht. Je haalt diep adem en duikt, als in het water. Je voelt dat je naar beneden gaat, maar je bent niet bang neer te storten omdat je weet dat je kunt vliegen. Toch schrik je een beetje als je ineens de grond onder je voelt. Je blijft even liggen om wat tot jezelf te komen.

Als je je ogen opent, zie je dat je op een met gras bedekte heuvel ligt. De zon schijnt en je voelt zijn warmte op je huid branden. Niet ver van je vandaan zie je de ruïne van de tempel die je bezocht hebt voordat je die heuvel binnen ging. Je staat op, loopt de helling af en je beseft dat dit diezelfde heuvel is. Je loopt er omheen, en nog eens, en een derde keer, maar je kunt de opening niet vinden, dus je laat de heuvel achter je en loopt weg. Je weet dat je er geweest bent en dat je die herinnering altijd bij je zult dragen.

Je voelt je prettig en ontspannen. Heel langzaam bereid je je erop voor weer in deze ruimte terug te komen. Je opent je ogen en rekt je eens uit, terwijl je weer hele¬maal terugkomt op de plaats waar je zit.

PS neemt de schaal met het joelbrood of de kerstcake en de kelk met mede of wijn. Ze zegt:

Ik zegen deze mede (wijn) en dit brood (deze cake) uit naam van de Oude Goden.

Ze drinkt en geeft de kelk aan P. Na gedronken te hebben, geeft P de kelk aan een ander, die van de wijn drinkt en de kelk doorgeeft. Als iedereen heeft gedronken, neemt PS het joelbrood, breekt er een stuk af en geeft de schaal aan P. Na een stuk brood genomen te hebben, geeft P de schaal door.

Hierna wordt de Cirkel op de gewone manier afgesloten.