Het Lentefeest

In de Wicca wordt het Lentefeest meestal Ostara of voorjaarsequinox genoemd en gevierd op 21 maart.

In Eight sabbats for witches vragen Janet en Stewart Farrar zich af of dit feest ooit wel is gevierd en komen tot de conclusie dat hier in Engeland geen spoor van is te vinden. Ze opperen dat het feest in de vroege middeleeuwen uit het Midden-Oosten is overgewaaid.

In zekere zin zijn beide opmerkingen terecht. Toch is het Lentefeest door de eeuwen heen overal in Europa op grote schaal gevierd, ook in Engeland en ook in Nederland, maar niet onder de naam Ostara of voorjaarsequinox en meestal ook niet op 21 maart.

We zullen de verschillende varianten, met een grote spreiding naar tijd en ruimte, hieronder samenvatten.

De essentie van het Lentefeest

In afbeeldingen van de Lente wordt vaak de vruchtbaarheid van de natuur voorgesteld als een schaars geklede of naakte jonge vrouw met bloemen. De foto linksonder toont de plafondfresco in de Santa Maria del Popolo in Rome, in 1554 gemaakt door de Italiaanse meester Francesco Salviati (1509-1563).

De twee foto's hierboven tonen een jonge vrouw met bloemen en een hoorn van overvloed in de Kaartengalerij in het Vaticaan, gemaakt in 1581 als illustratie bij de kaart van Campana.

In volksgebruiken rond het Lentefeest is eerder sprake van een belofte dan van een overvloed in de natuur.

Tussen zaaien en oogsten ligt het moment dat het zaad ontkiemt. Er zijn nog maar weinig tastbare resultaten en de groei vindt vooral in het verborgene plaats. De Lentefeesten die in heel Europa en ook daarbuiten door de eeuwen heen gehouden zijn en soms nog gehouden worden, hebben de bedoeling de groeikracht van de natuur te versterken en de winter terug te dringen. Voor een deel zijn het dezelfde gebruiken die ook met Imbolc een rol spelen, want de winter laat zich niet zo gemakkelijk verdrijven. Nu gaat het echter niet primair om reiniging van de akkers, maar vooral om het stimuleren van het prille leven dat zich daarin ontwikkelt.

De eesentie van het Lentefeest wordt goed uitgedrukt door het schilderij FrŁhling (Lente) uit 1902 van Franz von Stuck waarop een jonge vrouw blauwe voorjaarsbloemen in haar handen en als een krans om haar hoofd draagt. Von Stuck (1863-1928) maakte verschillende versies van dit schilderij. De afbeelding op de foto rechts is te zien in het Museum voor Beeldende Kunst in Boedapest.

Net als met de Vastenavondoptochten werd de winter vaak als een stropop voorgesteld en verbrand of in het water gegooid. Soms hielden Koning Winter en Koning Zomer schijngevechten waarbij de winter werd verslagen en verjaagd. Vaak werd het voorjaar plechtig en feestelijk ingehaald door een met groene bladeren versierde jongeman uit het bos op te halen. In Engeland werd dit een Green Man genoemd. Hier sprak men meestal van een Wildeman.

Soms was er een Lentekoning en een Lentekoningin, soms een Lentebruid. Vrijwel altijd trok men feestelijk rond de akkers om de levenskracht van de lente hierop over te brengen. De Lentekoning had vaak een staf of roede waarmee hij op de akkers sloeg om de kiemkracht van het gezaaide zaad op te wekken. Op heuvels, als die er waren, werd een lentevuur gebrand. Veel paasgebruiken, zoals het paasvuur, zijn hiervan afgeleid.

Tijdstip van het Lentefeest

De Romeinen maakten onderscheid tussen ver (lente) en primo vere (begin van de lente). Met primo vere werd echter niet het moment van de dag-en-nacht-evening, het aequinoctium, bedoeld. Dat werd gerekend op 24 maart. Het Romeinse Lentefeest begon echter op 1 maart en werd drie dagen na de equinox afgesloten.

Niet in elke samenleving was er een vast tijdstip om het Lentefeest te vieren. Soms wachtte men op de eerste koekoek die werd gehoord, de eerste zwaluw die werd gezien, de eerste meikever die werd gevangen.

Meestal was er wel een vaste manier om het Lentefeest te vieren, maar die datum hoefde niet overeen te komen met de voorjaarsequinox en zelfs niet gebonden te zijn aan het zonnejaar. De Germanen vierden met name de volle maan na de equinox. Hierdoor liet het Lentefeest zich gemakkelijk kerstenen tot Paasfeest, zoals we hieronder uiteen zullen zetten.

Het begrip lente

Het woord lente, in het Middelnederlands lentin, lenten of lentijn, is afgeleid van een Germaanse wortel *langgitinaz, wat vermoedelijk 'lengen van de dagen' betekende.

In de Middeleeuwen werd lenten ook als werkwoord gebruikt, waarmee bedoeld werd 'het bewerken van het veld in het voorjaar' (Verwijs en Verdam: Middelnederlandsch woordenboek, deel 4, p 378). Ongetwijfeld maakten allerlei rituele handelingen deel uit van dit bewerken.

In Duitsland was Lenz tot de achttiende eeuw de gangbare aanduiding van het voorjaar. Daarna werd het verdrongen door het in de vijftiende eeuw opgekomen FrŁhling, waarmee oorspronkelijk een in de lente geboren dier aangeduid werd. Tegenwoordig wordt Lenz alleen nog door dichters gebruikt.

In Nederland verschijnt in de zestiende eeuw het woord voorjaar, dat sindsdien als synoniem voor het oudere lente gebruikt wordt.

In Engeland raakte het begrip lente volledig in de vergetelheid. Het Middelengelse lenten duidde nog het jaargetijde aan, maar in de dertiende eeuw ging de verkorte vorm lent de vastentijd aanduiden, terwijl de oudere betekenis in de zeventiende eeuw in onbruik raakte. Wel heeft het Engels nog steeds een oude benaming voor de lente, waarvan de heidense oorsprong zonneklaar is. Het woord spring is afgeleid van een Indo-Europese wortel *sprength, die springen of ontspringen aanduidt.

Het schilderij Springend in de lente van Karel Appel (1961) lijkt hierbij aan te sluiten. Zie de foto rechtsboven. Het springen als voorjaarsgebruik zullen we hieronder nog verschillende malen tegenkomen.

De lente heeft altijd iets van de oude heidense betekenis in zich gehouden. Het duidelijkst blijkt dit uit het schilderij Lenteavond uit 1879 door Arnold BŲcklin. De god Pan ligt op een rots en speelt op zijn fluit, terwijl twee halfnaakte jonge vrouwen toekijken en luisteren. Pan staat dicht bij de natuur, ook in zijn wilde gedrag en zijn half dierlijke verschijning.

Vanaf de renaissance werd de oudheid vaak gezien als een idyllische periode, waarin de vrouwen altijd mooi en jong zijn. Zo beeldde de Franse schilder Jean Lemaire (1598-1659) jonge vrouwen af die met manden vol bloemen naar een Romeinse tempel liepen. Dergelijke scenes werden vooral geassocieerd met de lente.

Bijna 350 jaar later maakte Auguste Rodin een marmeren beeld van een naakt paar in een vurige kus. De titel die Rodin het schilderij gaf, was Eeuwige lente.

Ostara

In zijn boek De temporum ratione (voltooid in 725) heeft Beda de Angelsaksische kalender beschreven. De maand april, zei hij, werd Esturmonath genoemd, naar een godin Eostra voor wie in die maand feesten werden gevierd.

In 1835 opperde Jacob Grimm in zijn Deutsche Mythologie dat een Germaanse godin EŠstre of Ostara door de Westgermanen is vereerd en dat haar cultus door de Angelen en Saksers is meegenomen naar Engeland. Vanaf het begin is de wetenschap op dit punt verdeeld geweest. Tegenstanders voeren aan dat een godin Ostara nergens in Duitsland of Engeland genoemd is en opperen dat Beda zich vergist heeft en wellicht een verering voor de Maagd Maria heeft aangezien voor een heidense cultus. Wetenschappers die overtuigd zijn van het bestaan van een godin Ostara voeren aan dat ze kennelijk zo belangrijk was dat niet alleen de maand april naar haar werd genoemd, maar bovendien het Paasfeest in het Engels en Duits haar naam kreeg, namelijk Easter en Ostern.

Het Nederlandse woord Pasen is afgeleid van het Latijns-Griekse pascha, dat weer van het Hebreeuwse pesach komt. De Engelse en Duitse kerk zou niet bij machte zijn geweest de oudere heidense naam voor het Lentefeest te vervangen door de kerkelijke term. Volgens Beda was de naam Esturmonath inmiddels door paschalis mensis (paasmaand) vervangen, maar kennelijk is die naam niet aangeslagen en is de oude, heidense naam toch blijven bestaan, en niet alleen in Engeland.

Eginhard (ongeveer 770-840) geeft in zijn biografie van Karel de Grote de namen van de maanden zoals de keizer ze voor zijn hele rijk heeft ingevoerd. April duidt hij daarbij aan als Ostarmanoth. Zou keizer Karel, net als Beda een groot voorvechter van het christelijk geloof, een heidense naam voor een maand hebben gekozen als deze naam al niet volledig ingeburgerd was geweest?

Ostara of Eostra is naar alle waarschijnlijk de Germaanse versie van de Godin van de Dageraad die door de meeste Indo-Europese stammen vereerd werd. In India heette ze Usas, dochter van de Hemelgod Dyaus; de Grieken kenden haar als Eos, de Romeinen als Aurora. Er is duidelijk een verband in vele Indo-Europese talen tussen de woorden voor oosten, dageraad en het voorjaar, dat kennelijk als de dageraad van het jaar werd beschouwd. Niet altijd werd de dageraad als een godin gezien. In Letland was Usins de God van de Dageraad, die ook met de lente werd vereenzelvigd. Aangezien het vuur in de meeste religies een kenmerk van de god is, lijkt het niet vreemd dat ook de dageraad in veel culturen als een god werd gezien.

Wat Wicca's en andere heidenen gewoonlijk over het hoofd zien, is dat het feest voor Ostara niet op de voorjaarsequinox werd gevierd, maar waarschijnlijk tijdens de volle maan die hierop volgde. Niet voor niets stelde Beda Esturmonath gelijk met april, terwijl hij maart Rhedmonath noemde, naar de godin Rheda, over wier bestaan de wetenschap al even felle discussies heeft gevoerd. Ook Karel de Grote stelde, zoals gezegd, april gelijk aan Ostarmanoth, terwijl hij maart Lenzinmanoth noemde, waarvan ons Lentemaand is afgeleid.

Dat Ostara nog niet is vergeten, moge blijken uit de naam van de rondvaartboot van Spido in Rotterdam. Zie bovenstaande foto. Op de site van Spido wordt gezegd dat het schip is "genoemd naar de Godin van de Lente, Ostara." De andere vier schepen van Spido zijn genoemd naar ontdekkingsreizigers als Abel Tasman, dus Ostara valt wel op in dit gezelschap.

De voorjaarsequinox

De voorjaarsequinox is pas met de invoering van de Gregoriaanse kalender op 21 maart vastgesteld, terwijl voordien 25 maart werd aangehouden. De 21e maart werd alleen gebruikt om de paasdatum te berekenen. In ons land gingen de laatste zes provincies in 1700 en 1701 over tot het invoeren van de Gregoriaanse kalender. In Engeland en de Engelse koloniŽn, waaronder de Verenigde Staten, gold 25 maart tot 1752 als voorjaarsequinox en als begin van het jaar. Het is dus niet vreemd dat weinig volksgebruiken zich aan 21 maart gehecht hebben.

Ook 25 maart blinkt echter niet uit door een overvloed aan feestelijkheden en volksgebruiken. "Het astronomische begin van de lente, de voorjaarsequinox, speelt in het volksgeloof geen enkele rol" zegt professor Gustav Jungbauer in het artikel FrŁhling in het HandwŲrterbuch des deutschen Aberglaubens (1931).

Vanaf de renaissance zijn afbeeldingen van de vier jaargetijden, naar Romeins voorbeeld, zeer populair geweest, meestal als vrouwen voorgesteld. Het betreffende jaargetijde is te herkennen aan de attributen die ze draagt. Rechtsboven een foto van het marmeren beeld van de lente door Pierre Legros (1629-1714), te zien in het Louvre. De vrouw draagt een mand met bloemen en een bloemenkrans op haar hoofd.

De foto links toont een vergelijkbare voorstelling in een van de vier beelden die de ingang van kasteel De Berckt in Limburg sieren. In de 20e eeuw gemaakt.

De beelden of schilderijen van de lente tonen het jaargetijde, zonder de exacte datum erbij te geven. Eigenlijk was het alleen de kerk die de voorjaarsequinox een belangrijk moment vond. In de derde eeuw stelde Cyprianus, een van de eerste kerkvaders en bisschop van Carthago van 249 tot 257, dat God de wereld had geschapen toen licht en duister gelijk verdeeld waren, dus dat moest de voorjaarsequinox zijn geweest. Volgens de Juliaanse kalender, die toen gebruikt werd, was dat op 25 maart. De gedachte dat God de wereld tijdens de herfstequinox, eveneens een evenwicht van licht en duister, geschapen zou hebben, werd door Cyprianus als ondenkbaar verworpen. Christus was volgens Cyprianus drie dagen na de voorjaarsequinox, op 27 maart, geboren.

De symboliek van de ontluikende natuur en de nieuw geboren Heiland spreekt voor zich. Een eeuw later ontstond echter de leerstelling dat Jezus op 25 december was geboren en dat 25 maart, 9 maanden vůůr de geboorte, de datum was geweest van de aankondiging door de aartsengel GabriŽl aan Maria dat ze zwanger was (Lucas 1:26-38). Dit werd in Rome Annuntiatione Domini (aankondiging van de geboorte van de Heer) genoemd, terwijl de Byzantijnse kerk sprak van Annuntiatione Beatae Maria Virginis (aankondiging aan de Maagd Maria). Het feest van Maria Boodschap, zoals het in Nederland wordt genoemd, is altijd op die datum blijven staan, ook toen de voorjaarsequinox naar 21 maart verschoof.

De foto links toont de aankondiging door GabriŽl aan Maria als onderdeel van een altaarstuk dat rond 1410 in het Rijnland is gemaakt.

Even populair als Maria Boodschap waren afbeeldingen waarin Maria haar nicht Elisabeth opzoekt om te vertellen dat ze zwanger is. Elisabeth is dan al zes maanden in verwachting van de toekomstige Johannes de Doper. De foto rechts toont deze voorstelling als onderdeel van hetzelfde altaarstuk. Links staat Maria en rechts, met een dikke buik, Elisabeth.

Door Maria Boodschap op 25 maart en de geboorte van Johannes de Doper op 24 juni vast te stellen, probeerde de kerk (vůůr de invoering van de Gregoriaanse kalender) twee heidense feesten te kerstenen. Voor meer informatie over Johannes de Doper, zie het stuk over Midzomer.

In Engeland en Ierland werd 25 maart Lady Day genoemd en dit was een van de quarter-days, waarop o.a. de huishuur betaald diende te worden. De andere zijn kerstmis (25 december), midzomer (24 juni) en Sint MichaŽl (29 september).

Op 25 maart zijn incidenteel in Europa lentegebruiken aan te wijzen, maar niet op een schaal die men zou verwachten bij het begin van het jaar, wat deze datum, zoals gezegd, in veel plaatsen tot de 18e eeuw is geweest. In Duitsland werd op Maria VerkŁndigung in Feldorf bij Siebenburgen een stropop in vrouwenkleren gestoken en verbrand, wat Marienjungfer verbrennen genoemd werd. Het is duidelijk dat een algemeen lentegebruik, de winter verbranden, hier aan de dag is aangepast, zonder er een geheel mee te vormen.

De traditionele Lentefeesten in Europa, AziŽ en Afrika waren waarschijnlijk niet gebonden aan de voorjaarsequinox, maar vooral aan de volle maan daarna. Daarom viel het Germaanse en Angelsaksische Lentefeest niet met de equinox, maar ergens in april en daarom bestempelt Karel de Grote april tot Ostarmanoth en kiest hij niet maart hiervoor uit. Dit verklaart ook waarom het Paasfeest, de christelijke versie van het Lentefeest, gekoppeld werd aan de volle maan na de equinox, later aan de zondag na deze volle maan.

De viering van het Lentefeest op de volle maan na de voorjaarsequinox is niet beperkt tot de Indo-Europese stammen. Ook de semitische stammen volgden dit gebruik. Als erfgenamen van het joodse geloof had het christendom een reden temeer om de joodse lenteviering over te nemen. Om dit op haar waarde te kunnen schatten is het nuttig het joodse Lentefeest eens nader te beschouwen.

Het joodse Lentefeest

De joodse tijdrekening is een lunisolaire kalender, d.w.z. een maankalender die op het zonnejaar is afgestemd door periodiek een dertiende maand aan de twaalf maanden van de kalender toe te voegen. Elke maand begint met de nieuwe maan, de veertiende dag is de volle maan.

In het Oude Testament wordt de eerste maand van het jaar aangeduid als Aviv (lente). Sinds de Babylonische ballingschap wordt deze maand Nisan genoemd en gerekend vanaf de voorjaarsequinox. In deze maand, vertelt de bijbel, is het volk Israel uit de Egyptische slavernij verlost. Voorafgaand aan de uittocht werd door elke familie een lam geslacht en gegeten met ongezuurde broden en bittere kruiden. Tijdens de uittocht werden alleen ongezuurde broden gegeten tot deze op waren. Ter nagedachtenis aan de uittocht geeft God in Exodus 12 het volk Israel de opdracht op elke veertiende dag van de Lentemaand een lam of ander stuk kleinvee te slachten en op te eten en gedurende de daarop volgende zeven dagen ongezuurd brood te eten. De Hebreeuwse naam van het feest is Pesach, maar meestal wordt de Griekse naam Pascha gebruikt. Het Pesachfeest valt op 14-21 Nisan, waarbij met name de eerste en laatste twee dagen gevierd worden.

Het Pesachfeest was oorspronkelijk een Lentefeest, zoals alle semitische volkeren dat vierden. Pesach betekent springen of dansen. "Pesach," zegt The Jewish Encyclopedia in het artikel Passover, "is verbonden met het herdersleven; het is het feest dat in de vroege lente door de herders wordt gevierd voordat ze naar de nieuwe weiden vertrekken." Het slachten van het lam "had de aard van een offer, waaraan de Goden van de stam samen met de menselijke leden geacht werden deel te nemen. Het sterke vermoeden bestaat dat de springende bewegingen van het lam werden nagedaan door de deelnemers aan het feest, die op deze manier rond het geofferde dier dansten." (Vol. IX, p 553)

Naast herdersfeest was Pesach ook een landbouwfeest. Het eten van de Mazzot, de ongezuurde broden, is een overblijfsel van een rituele maaltijd waarbij Goden en leden van de stam de vruchten van de gerstoogst deelden en daarmee jaarlijks het bondgenootschap tussen de Goden en de stam vernieuwden.

Het Babylonische Lentefeest

Het Pesachfeest was de joodse variant van het semitische Lentefeest. In veel opzichten lieten de semieten zich beÔnvloeden door de Soemerisch-Assyrisch-Babylonische beschaving, die vanaf 3500 v.Chr tot de val van het Babylonische keizerrijk in 539 v.Chr. haar alles overheersende invloed in het Midden-Oosten liet gelden.

Het Babylonische nieuwjaar begon sinds de 18e eeuw v.Chr. op de eerste dag van de maand Nisanu. Deze maand begon met de nieuwe maan na de voorjaarsequinox met een groot 12-daags feest dat Akitu genoemd werd. Op de eerste dag van dit feest werd de samenleving op haar kop gezet. Meesters bedienden slaven en alles was anders dan anders. Op de vijfde dag werd de koning door de hogepriester ontdaan van alle emblemen van zijn koninklijke waardigheid. De vorst kreeg daarbij zelfs een klap in zijn gezicht. In de tempels werd de mythe verteld hoe de god Marduk de kosmos schiep uit de oerchaos van de Godin Tiamat. Op de laatste dag van het feest, tegen dat de maan vol begon te worden, werd in de tempel het Heilig Huwelijk voltrokken tussen de koning en de hogepriesteres, waarbij hij Marduk en zij Tiamat vertegenwoordigde. Door de rituele eenwording werd uit de chaos een nieuwe orde geschapen, een orde waarin de koning opnieuw zijn gezag kon laten gelden.

Het Heilig Huwelijk tussen de Grote Moeder en de vegetatiegod is terug te voeren op de religie die in 7000 v.Chr. al bloeide in AnatoliŽ. In De kringloop van het leven hebben we uiteengezet hoe deze religie zich over het Midden-Oosten, Europa en Noord-Afrika heeft verspreid. In Egypte voltrok de farao met zijn vrouw het Heilig Huwelijk in de tempel van Karnak, voorafgaand aan de jaarlijkse overstroming van de Nijl, die meestal in augustus en september plaatsvond.

De semitische volkeren kenden, naar Babylonisch voorbeeld, het Heilig Huwelijk als manier om de groeikracht van de vegetatie in het voorjaar op te wekken. In de tijd dat het Babylonische rijk zich tot een wereldmacht ontwikkelde, werd de positie van de Godin overal in het Midden-Oosten ondermijnd. In Babylon werd Tiamat van Oermoeder tot een oermonster dat door Marduk in stukken gereten werd. Binnen het jodendom werd de Godin nog verder verdrongen en haar bestaan zelfs ontkend. De Grote Moeder Ishtar wordt in de Bijbel aangeduid als De Hoer van Babylon. Andere godinnen werden op soortgelijke wijze aangeduid of doodgezwegen.

De Romeinse Lentefeesten

Romeinse afbeeldingen van de vier jaargetijden waren bijzonder populair in de keizertijd, met name verwerkt in vloermozaÔeken. Vaak werden vrouwen afgebeeld, maar een jaargetijde kan ook door een man worden belichaamd. Soms werd elk jaargetijde zowel door een man als door een vrouw gesymboliseerd.

Bovenstaande foto's zijn genomen in de Romeinse stad Volubilis in het huidige Marokko. De mozaÔeken dateren uit de periode tussen 217 en 235 na Chr. Links een naakte man die een roos draagt. Rechts een vrouw in een goudkleurige tuniek met een krans van rozen op het hoofd. In Noord-Europa worden rozen met de zomer geassocieerd, maar in Noord-Afrika, waar rozen eerder bloeien, symboliseren ze meestal de lente.

De renaissance-pauzen hadden veel bewondering voor de Romeinse kunst en brachten alles wat in Rome en omstreken werd opgegraven onder in het Vaticaan, wat nu de belangrijkste collectie van de Vaticaanse Musea vormt. Ook de mozaÔeken met de jaargetijden hadden hun belangstelling. Julius II della Rovere (1503-1513) liet Romeinse mozaÔeken met de jaargetijden overbrengen naar de Stanza Segnatura in het Vaticaan, waar ze nu nog onderdeel van het vloermozÔek uitmaken. Op de fot rechts de lente als een vrouw een bloemenkrans op haar hoofd en een bladerkrans om haar hals.

Ook toen 1 januari door de Romeinen tot begin van het administratieve jaar werd uitgeroepen, bleef 1 maart het rituele nieuwjaar. Mars, naar wie deze maand is genoemd, werd pas een oorlogsgod toen Rome zich tot een wereldmacht begon uit te breiden.

De foto links toont Mars, gezeten op zijn strijdwagen, ontspannen, maar gereed om zonodig zijn zwaard te trekken. Het marmeren beeld is gemaakt in de 2e eeuw na Chr. en is te zien in Museum Altems in Rome.

Oospronkelijk was Mars veel meer verbonden met de vruchtbaarheid van de akkers. Het was Mars die in het voorjaar de sluimerende levenskracht van de akkers en de natuur weer wekte. De Romeinen noemden zich zonen van Mars en beschouwden de god als vader van Romulus en Remus. Op 1 maart zou het schild van Mars uit de hemel zijn gevallen, voor de voeten van Numa Pompilius, de mythologische koning die de rituele kalender zou hebben ingesteld. Het woord kalender is afgeleid van calendae, de eerste dag van de maand.

Van het schild van Mars werden in opdracht van Numa 11 copieŽn gemaakt. De 12 schilden werden op 1 maart door de priesters van Mars door de straten van Rome gedragen. De priesters werden Salii (springers) genoemd omdat ze met de schilden door de straten dansten en daarbij grote sprongen maakten. Tot 24 maart herhaalden ze dit elke dag. Het springen is niets anders dan het opwekken van de hernieuwde levenskracht door de sprongen van lammeren na te bootsen.

Op 1 maart werd uit naam van Koning Numa een lam geofferd. Ook deze handeling, zoals alle offers van levende wezens, is bedoeld om de levenskracht, niet langer gebonden aan het dier, los te maken.

Het vuur in de ronde tempel van Vesta, dat het hele jaar door de priesteressen brandend werd gehouden, werd op 1 maart opnieuw ontstoken. Aan de deur van de Vestaalse tempel en ook aan de gebouwen van verschillende andere priesterklassen werd op 1 maart een lauriertak bevestigd die er het hele jaar bleef hangen. De laurier, als embleem van Apollo, vertegenwoordigde de levenskracht in de natuur. Op de foto links de restanten van de enige tempel van Vesta in Rome, in het Forum Romanum. De eerste tempel zou door Romulus zelf bij de stichting van Rome (753 v. Chr.) gebouwd zijn. De tempel werd verschillende malen door brand verwoest, maar steeds herbouwd. De laatste tempel op die plaats werd in 394 door de christelijke keizer Theodosius gesloten.

De calendae (eerste dag) van elke maand was gewijd aan Juno en die van maart was speciaal gewijd aan Juno Lucina, ook wel genaamd Matrona, die niet alleen elk kind, maar ook elk jaar het levenslicht schenkt. Het Romeinse nieuwjaarsfeest op 1 maart werd daarom ook wel Matronalia genoemd. Als Juno Sospita werd de godin geacht vruchtbaarheid te brengen en de staat te verdedigen. Op de foto rechts Juno Sospita, een marmeren beeld uit de 2e eeuw dat sinds 1782 in de Vaticaanse Musea is ondergebracht. Op haar hoofd heeft de godin een geitenvel, waarvan de poten voor haar lijf zijn samengebonden. De lans in haar rechterhand is in de 19e eeuw toegevoegd, naar analogie van vergelijkbare beelden elders.

Hoewel de nadruk in de Romeinse Lentefeesten lag op het opwekken van de levenskracht, speelde ook reiniging een bescheiden rol. Het oude werd uitgebannen om het nieuwe te laten groeien. De winter werd verdreven om de zomer binnen te halen. Tijdens de Mamuralia, op 14 maart, werd een man, alleen gekleed in een dierenvel, met twijgen uit de stad verdreven. Het slaan met de twijgen is hier een rituele handeling om de levenskracht los te maken van de drager van deze kracht.

Ook de doden speelden in de Lentefeesten een rol. Tijdens de Liberalia, op 17 maart, werden processies gehouden naar de ArgeÔ, kapellen die verspreid waren over de vier delen van Rome. In deze kapellen werden poppetjes van riet opgehangen, waarin de doden werden geacht zich op te houden. Later, op 15 mei, werden deze poppetjes, eveneens ArgeÔ genaamd, in de Tiber geworpen.

De doden zijn vaak behulpzaam en onontbeerlijk, maar moeten toch op een afstand gehouden worden om te verhinderen dat ze zich te sterk aan de levenden hechten. Op 23 maart, tijdens het Tubilustrium, werden tubae geblazen. Dit zijn lange rechte blaasinstrumenten met een diepe sonore klank, die in de Romeinse dodencultus een grote rol speelden. De tubae werden geblazen nadat de priesters van Mars voor het laatst met de schilden door de stad hadden gesprongen.

Attis en Kybele

Alle genoemde Romeinse Lentefeesten waren erop gericht de levenskracht van de natuur op te wekken, zodat het net gezaaide zaad zou ontkiemen. De hele maand maart was hiervoor de aangewezen tijd.

Vanaf de tweede eeuw voor het begin van onze jaartelling werd rond de equinox het feest van Attis en Kybele gevierd. Kybele, de Frygische Grote Moeder, was in 204 v.Chr. met succes naar Rome gehaald om de oorlogsdreiging van Hannibal af te weren en haar cultus, aangeduid als Magna Mater (Grote Moeder), werd al snel populair.

De godin werd meestal afgebeeld op een troon, geflankeerd door twee leeuwen. Op de foto links een marmeren beeld van Kybele uit Klein-AziŽ, gemaakt eind eerste eeuw na Chr. De tamboerijn onder haar linkerhand verwijst naar de extatische rituelen, met opzwepende muziek en dans. Op haar hoofd draagt de godin een hoge kroon.

De foto rechts is van een stele uit West-AnatoliŽ. Kybele staat tussen haar leeuwen, een tamboerijn in haar linkerhand, een patera (offerschaal) in de rechter. Op haar hoofd draagt ze de hoge kroon. De man en de vrouw achter haar zijn waarschijnlijk de personen die de stele aan haar gewijd hebben.

Volgens de mythen was Attis de geliefde van de Grote Moeder. In het voorjaar werd hij door een wild zwijn gedood en veranderde in een pijnboom, maar kwam drie dagen later weer tot leven.

Volgens een andere versie van de mythe werd Attis door Kybele afgewezen en castreerde hij zichzelf onder een pijnboom, waarna hij stierf. Door zijn castratie bevruchtte hij Moeder Aarde en werd hij in de nieuwe vegetatie herboren. Dit thema is bij verschillende volkeren terug te vinden, bijvoorbeeld in de Griekse mythe van Ouranos.

Op 22 maart werd in Rome een pijnboom gekapt en naar de tempel van Kybele gebracht. De pijnboom vertegenwoordigde Attis, die op deze wijze met de Godin verenigd werd. Ten overvloede werd een beeldje van Attis aan de boom vastgemaakt. De volgende dag werden bij de tempel van Kybele trompetten geblazen, een ritueel dat te vergelijken is met het blazen van de tubae op deze dag. De derde dag, 24 maart, werd Dag van het Bloed genoemd. De dood van Attis werd op rituele wijze uitgebeeld door een van de priesters van Kybele, die bloed uit een snee in zijn arm liet vloeien. De andere priesters dansten zichzelf in extase en verwondden eveneens zichzelf. Novieten werden naar verluid gecastreerd als onderdeel van hun inwijding in de Attis-mysteriŽn. Aan de pijnboom werden linten en slingers van viooltjes gehangen. De viooltjes stelden de bloeddruppels van de gestorven God voor. Het beeldje van Attis werd hierna plechtig begraven.

De volgende dag, op 25 maart, werden de Hilaria gevierd. Zoals de naam, Feest van Vreugde, al aangeeft, werd hierbij de opstanding van Attis uit de dood gevierd. Het beeldje van Attis werd weer opgegraven en opnieuw aan de pijnboom bevestigd. Daar bleef het een jaar hangen, waarna het werd verbrand. Attis is de vegetatiegod die door zijn eenwording met Moeder Aarde in haar opgaat en als het ware zijn leven verliest. Met het ontkiemen van het zaad in de schoot van Moeder Aarde wordt de God in de vorm van de nieuwe vegetatie herboren. Na de wedergeboorte van Attis werd het beeld van Cybele op 27 maart in processie rondgedragen en ondergedompeld in de Almo, een zijriviertje van de Tiber.

Het onderdompelen van de Godin in het voorjaar is een veel voorkomend ritueel. In het vroege voorjaar heeft deze onderdompeling meestal de bedoeling de aarde te reinigen en weer vruchtbaar te maken na de winter, zodat het zaad dat in haar schoot valt wortel zal schieten. Nadat het zaad is ontkiemd en de vegetatie is herboren, heeft de onderdompeling van Moeder Aarde de bedoeling haar vruchtbaarheid te versterken, zodat de jonge vegetatie zal opgroeien en niet voortijdig zal verdorren.

Door de christenen werd de cultus van Kybele en Attis met succes bestreden. In de vroege middeleeuwen raakten de godin en haar geliefde in de vergetelheid. In de renaissance werd Kybele herontdekt, maar kreeg wel een andere functie. In de oudheid hadden Attis en Kybele samen vruchtbaarheid en voorspoed gebracht. Kybele was een machtige, strijdbare godin, die door de Romeinen naar Rome werd gehaald om de stad en het hele Romeinse rijk te beschermen. Dat strijdbare aspect werd in de renaissance weer opgepakt. De hoge kroon van de godin werd opgevat als een stadsmuur, versterkt met torens. Vrijwel iedere Europese stad nam als beschermvrouwe een stadsmaagd die was geŽnt op Kybele.

In het stadhuis van Amsterdam (nu het Paleis op de Dam) werd door de beeldhouwer Artus Quellief rond 1668 zowel Kybele als de van haar afgeleide stadsmaagd afgebeeld. Op de foto linksboven Kybele met haar leeuwen. Ze is door Quellien als enige godheid toegeoegd aan de zeven Romeinse goden en godinnen die de zeven planeten en de dagen van de week vertegenwoordigen. Haar functie is duidelijk het beschermen van de stad Amsterdam. Haar kroon is een stadsmuur met torens en in haar hand houdt ze de sleutel van de stadspoort.

Boven de ingang naar de grote Burgerzaal is de stadsmaagd afgebeeld. Zie de foto rechtsboven. De leeuwen tonen haar verwantschap met Kybele. De olijftakken en palmtakken in haar handen symboliseren de overwinning op Spanje, na de Vrede van Munster in 1648. Amsterdam beheerst in dit tafereel het universum. Links van haar zit Kracht, gewapend met een zwaard, rechts Wijsheid, in de gedaante van Minerva. De kinderen die aan weerskanten van haar zweven dragen voorwerpen die de elementen vertegenwoordigen: een roer (water), een stralend oog (vuur), de gevleugelde hoed van Mercurius (lucht) en een hoorn van overvloed (aarde).

Attis is van het toneel verdwenen en de heidense goden en godinnen officieel ook, maar de door een adelaar gekroonde stadsmaagd heeft de levenskracht van de godin die vanouds het voorjaar bracht en de natuur weer deed herleven overgenomen.

Adonis en Aphrodite-Venus

De dood en wedergeboorte van de vegetatiegod werd door de Grieken en Romeinen niet alleen verbonden met Attis, maar ook met Adonis. Zijn naam is afgeleid van het Semitische Adon (net als Adonai, de naam van God in het Oude Testament) en betekent Heer. Hij was in het Nabije Oosten een vegetatiegod, vergelijkbaar met Tammoez, de geliefde van de godin Isjtar, die jaarlijks stierf, naar de onderwereld ging en in het voorjaar herleefde in de nieuwe vegetatie. De cultus van Tammoez was over het gehele Nabije Oosten verspreid. De profeet EzechiŽl spreekt er zijn afschuw over uit dat vrouwen bij de tempel van de Heer in Jerusalem rouwen om de god Tammoez (Ezechiel 8.14-15).

In Byblos (nu in Libanon) was Adonis de geliefde van Astarte, de godin die rond 1000 v. Chr. op Cyprus versmolt met Aphrodite en volgens de Griekse mythen verliefd werd op de schone jongeling. Tijdens een jachtpartij werd Adonis door een wild zwijn gedood. Uit zijn bloed liet Aphrodite anemonen opgroeien. Een deel van het jaar moest Adonis in de onderwereld verblijven, maar in het voorjaar werd hij herboren in de nieuwe vegetatie.

De Grieken vierden deze gebeurtenis in de Adonia, een tweedaags feest. Op de eerste dag maakten vrouwen op het dak van hun huis een 'Tuin voor Adonis'. Dit was een schaal waarin sla en andere gewassen werden geplant. Een beeldje van de god werd erbij geplaatst. De vrouwen vierden de hele dag feest ter ere van Adonis. Maar de volgende dag lieten de vrouwen de plantjes in de zon verdorren. Ze scheurden hun kleren ten teken van rouw en liepen weeklagend door de stad.

De Romeinen stelden Aphrodite gelijk aan Venus en namen de cultus van Adonis onder zijn eigen naam over. Jaarlijks beweenden Romeinse vrouwen de dood van Adonis. Dat Adonis tot in de uithoeken van het Romeinse rijk werd vereerd, bewijst een votiefaltaar uit de 3e eeuw na Chr. dat is gevonden in Pest, het huidige Boedapest. Zie de foto rechtsboven. De Latijnse tekst op de voorkant zegt dat het altaar 'ex voto' (om een gelofte in te lossen) aan Adonis is gewijd. Op de zijkant is een man afgebeeld die een wierookoffer brengt.

In de middeleeuwen werd Attis, zoals gezegd, vergeten. Adonis werd vanaf de renaissance echter veelvuldig afgebeeld als de geliefde van Venus. Op de foto linksboven kijkt Venus verliefd naar Adonis terwijl haar zoontje Cupido met een duif speelt. Geschilderd door de Italiaanse kunstenaar Luca Giordano (1634-1705).

Als regel werd in de renaissance echter de tragiek van de jong gestorven held benadrukt. De foto linksboven toont een bronzen beeld, gemaakt door Girolama Campagna (1549-1625), te zien in het Museum voor Beeldende Kunst in Boedapest. Adonis is afgebeeld terwijl hij zijn jachthond, die afwachtend naar hem kijkt, lijkt aan te sporen in actie te komen. Een goed verstaander weet dat de jacht noodlottig zal aflopen.

De foto middenboven toont een bronzen beeld, gemaakt door Ferdinando Tacca (1619-1686), eveneens in Boedapest te zien. Attis heeft kennelijk een wild zwijn gezien en heft triomfantelijk zijn jachthoorn. Venus zit op een rotsblok achter hem en kijkt wanhopig naar hem op, terwijl ze probeert hem ervan te weerhouden op het zwijn te jagen. Een goed verstaander weet dat Attis haar waarschuwing naast zich neer zal leggen en zijn noodlot tegemoet zal gaan.

De bronzen beelden tonen alleen de dreiging van de tragedie. De foto rechtsboven laat de afloop zien. Het is een schilderij van Francesco Furini (1603-1646), ook in Boedapest tentoongesteld. Links heft Venus in wanhoop haar armen, terwijl ze kijkt naar het lijk van Adonis, dat rechts door twee vrouwen wordt gedragen.

Ook in de literatuur van de renaissance heeft Adonis een rol gespeeld. In het lange gedicht Venus and Adonis (1593) beschrijft Shakespeare Adonis als een knappe jongeman. Venus wordt verliefd op hem, plukt hem van zijn paard en houdt hem stevig in haar armen terwijl ze haar uiterste best doet hem te verleiden. Maar het jachtinstinkt van Adonis is sterker dan zijn geoelens voor de godin van de liefde. Als Venus hem tenslotte laat gaan zonder dat hij op haar avances is ingegaan, gaat Adonis op jacht en wordt daarbij door een everzwijn gedood. Uit zijn bloed laat de treurende Venus een anemoon ontspringen die ze koestert.

Op de foto rechtsboven het titelblad van de oorspronkelijk uitgave van Venus and Adonis. Zoals op veel boekomslagen uit die tijd zijn de illustraties de moeite waard. Boven de titel zien we een Groene Vrouw. Uit haar hoofd komen bladeren en hoorns van overvloed. Aan weerskanten van haar komt een Groene Man uit een bloem. Hun mond is via een stengel verbonden met de hoorn van overvloed. Aan weerskanten van het anker in de afbeelding onder de titel is een Groene Man gevat in band- en rolwerk. De illustraties sluiten aan bij de mysterieuze wereld waarin Venus en Adonis zijn geplaatst. Voor tijdgenoten was die wereld een realiteit, geen abstract symbool.

De vastentijd

Gegeven de ontstaansgeschiedenis van het paasfeest, die we hieronder uiteen zullen zetten, is het begrijpelijk dat veel gebruiken rond de heidense Lenteviering aan dit christelijke feest gekoppeld zijn. Gebruiken rond de volle maan verschoven op een natuurlijke wijze naar de eerste of tweede paasdag.

De heidense Lenteviering was echter niet beperkt tot de volle maan na de equinox. Vanaf begin maart tot eind april waren er plaatselijk gebruiken om de vruchtbaarheid van het land en het ontkiemen van het zaad te bevorderen. Al deze gebruiken waren de kerk een doorn in het oog en het instellen van de vastentijd is zonder meer op te vatten als een poging deze al te uitbundige feesten in te dammen. Paus Gregorius de Grote verbood in de zesde eeuw het eten van vlees, melk, kaas, boter en eieren tijdens de vasten. In 1491 werd het nuttigen van melk en boter toegestaan.

Hoewel in Engeland de verplichting tot vasten door Charles II in 1664 werd afgeschaft, bleef lent de aanduiding van de vastentijd en raakte, zoals gezegd, de oudere betekenis van lente in onbruik.

Halfvasten

Door de vastentijd werden de Lentefeesten gesplitst in Vastenavond en Pasen. Om deze lange periode te overbruggen, ontstond de gewoonte de vierde zondag van de vastentijd te vieren als Halfvasten. De dag wordt ook wel Laetare (zich verheugen) genoemd.

Tal van volksgebruiken op deze dag zijn te zien als Lenteviering. Een stropop die de winter of de dood voorstelde, werd op veel plaatsen, met name in Duitsland, verbrand, begraven of in het water gegooid.

In SileziŽ werd Halfvasten Dodenzondag genoemd. Op die dag gingen kinderen met een pop die de dood voorstelde de huizen langs. Als ze bij een bepaald huis niets kregen, lieten ze de pop naar binnen kijken, waarna iedereen wist dat de dood daar binnen een jaar iemand zou komen halen.

Naast het verjagen van de winter werd het binnenbrengen van de zomer vaak uitgebeeld. Tijdens processies werden in Duitsland kleine boompjes, takken of roeden, die vruchtbaarheid brachten meegedragen. Soms werd de meiboom, symbool voor de zomerse overvloed en vruchtbaarheid, met Laetare al neergezet.

Op veel plaatsen haalde men een met bloemen, bladgroen en linten versierde jongeman het dorp binnen. In Vlaanderen werd hij de Graaf van Halfvasten of Sinte Greef genoemd. De intocht van Sinte Greef in Antwerpen, gezeten op een wit paard, snoepgoed rondstrooiend, deed niet onder voor die van Sint Nicolaas. Waar de Graaf een Gravin kreeg toebedeeld zien we het vruchtbaarheidsaspect op de voorgrond treden.

In Gmunden, aan de Traunsee in Oostenrijk, stond Halfvasten bekend als Liabbstatsonntag (afspraakjeszondag) omdat jongens dan meisjes op een afgesproken plaats tracteerden op honingkoek en mede. In Engeland is Halfvasten vanaf de 17e eeuw Moederdag.

Palmpasen

Naast Halfvasten was er in de Middeleeuwen nog een gelegenheid om de strenge voorschriften voor de Vastentijd te omzeilen en dat was op Palmzondag. Officieel was het de tweede zondag van de Passietijd, waarin de gelovigen geacht werden zich voor te bereiden op het lijden en sterven van de Heer. In de praktijk was Palmzondag de feestelijke herdenking van de intocht van Jezus in Jerusalem, waarbij het volk hem met palmtakken toewuifde.

Palmprocessies zijn al in de vierde eeuw opgetekend. De populariteit die dit feest al snel genoot, is mede te danken aan het feit dat het aansloot bij het heidense gebruik om de vruchtbaarheid van de lente op te wekken door met groene takken rond te lopen. Daarbij werd vaak zingend langs de huizen gegaan om als dank een beloning in ontvangst te nemen.

De palmtak werd door de Grieken verbonden met Nike, de Godin van de Overwinning, die de overwinnaar in een strijd of wedstrijd kroonde met een lauwerkrans en toewuifde met een palmtak. Vaak werden Romeinse keizers op die manier geŽerd.

In Leptis Magna, een Romeinse kolonie in het huidige LibiŽ, is tijdens de regering van Septimius Severus een triomfboog voor deze keizer opgericht. Zie de foto links. Boven de boog houdt links en rechts Nike (Victoria) een lauwerkrans in de ene hand en een palmtak in de andere. Zie de foto rechts.

Tijdens de reformatie werd de palmprocessie op veel plaatsen verboden, in ons land in 1580, maar het rondlopen met de palmtakken verdween niet. In feite is de palmpaas in het protestantse deel van Nederland langer populair gebleven dan in het katholieke zuiden.

In onze streken werd vaak buxus genomen in plaats van de hier niet voorkomende palmboom. In Duitsland en Zwitserland koos men meestal voor een dennentak, terwijl in Rusland aan de wilg de voorkeur werd gegeven. Belangrijker dan de vraag of het "echte" palmtakken waren, was het feit dat buxus en den het hele jaar door groen blijven en daarom gedurende de winter de vruchtbaarheid van de natuur lijken vast te houden.

Vanaf het eind van de zevende eeuw werden de palmtakken, of wat daarvoor doorging, vůůr de processie in de kerk gewijd. In de loop der eeuwen ontstond de gewoonte de palmtakken te versieren met linten, gekleurd papier, vruchten, bloemen en brooddeegfiguurtjes. Ook nam men wel een stok die met bloemen, takjes den, hulst, bosbes, vruchten, krentenbollen, e.d. werd versierd. Soms werden de vruchten gewoon aan de stok geregen. Soms had de stok een of twee dwarsstokken en werden de versieringen hieraan bevestigd. De versierde tak of stok werd palmpaas of palmpasen genoemd.

In Oostenrijk en Duitsland bestonden de Palmbšume vaak uit meterslange met gekleurde linten en vruchten versierde stokken met in de bast gekerfde figuren. In Oostenrijk zijn nog steeds de Palmbuschen populair. Hierbij worden soms takken van negen verschillende bomen aan een stok bevestigd en met vruchten en linten versierd. Net als bij het negenderlei kruid negen magische kruiden worden gecombineerd, worden in de Palmbusch negen magische bomen samengevoegd om hun werking elkaar te laten versterken.

De haan, vanouds een symbool voor potentie en vruchtbaarheid, ontbrak zelden op de palmpaas. "Haantje op 'n stokkie, bedelt om een brokkie," zongen de kinderen in Drenthe, "bedelt om een stukkie brood, anders gaat het haantje dood."

Het geven van brood of lekkernijen aan de kinderen die met de palmpaas rondlopen, is te beschouwen als het afkopen van een offer. Om de levenskracht van de lente te wekken, werden in veel heidense kulturen dieren geofferd. Het lam dat tijdens het joodse Pesachfeest geofferd werd, is hier een voorbeeld van. In de gekerstende versie werd eveneens een paaslam geofferd. In Zwitserland werden Osterochsen, met linten en kransen versierde ossen, door de stad of streek gevoerd voordat ze geslacht werden.

Het slachten en eten van een haan was een onderdeel van veel Lentefeesten door de eeuwen heen. Ook andere dieren kwamen hiervoor in aanmerking. Soms werd als brooddeegfiguur op de palmpaas een zwaan of andere vogel genomen. De tekst van het lied werd dan aangepast tot "...anders gaat het zwaantje dood." Ook werden wel drie zwanen of drie kuikens afgebeeld. Een andere brooddeegfiguur had de vorm van een cirkel met een kruis hierin. Dit wordt wel uitgelegd als zonnerad en als oervorm van de krakeling.

Aan de takken die voor de processie op Palmzondag gewijd waren, werd een grote kracht toegeschreven. Algemeen was het gebruik na de processie in elk van de vier hoeken van de akker een palmtak te steken. In Noord-Brabant werd dit de rog palmen genoemd. Vaak sprak de boer een magische bezwering uit, terwijl hij de palmtakken plantte in de vier hoeken van de akker, waarin al koren gezaaid was. De magische betekenis van de vier hoeken, die de hele akker vertegenwoordigen, speelde in veel volksgebruiken een rol. De vier hoeken werden met het kruis van Christus vergeleken en meestal werd wel een heilige in de bezwering aangeroepen, maar dat deed niets af aan de in wezen heidense betekenis van de handelingen, die vaak onveranderd waren gebleven.

Het Paasfeest

In de eerste eeuw van haar bestaan moest de jonge en nog tamelijk machteloze christelijke kerk het opnemen tegen invloedrijke tegenstanders die binnen de grenzen van het heidense Romeinse keizerrijk naar de gunsten van het volk dongen. Er was weinig voor nodig geweest om de religie van Mithras en niet het christendom als overwinnaar uit de strijd te laten komen. Ook de vooral onder het volk populaire cultus van de Grote Moeder en haar geliefde, de Vegetatiegod Attis, was een geduchte tegenstander.

Naast deze strijd om het bestaan zag de kerk zich gesteld voor de opgave een liturgie met eigen kerkelijke feesten uit te werken. Als erfgenaam van de Romeinse, Griekse en Joodse traditie werden daarbij zowel heidense als Joodse elementen opgenomen.

Aanvankelijk werd de geboorte, dood en opstanding van Christus, naar het voorbeeld van Attis en andere Vegetatiegoden, zoals Adonis, op de voorjaarsequinox geplaatst. In Adonis, Attis, Osiris (Volume I), het vijfde deel van The golden bough, p 306-7, geeft James Frazer vele voorbeelden die dit aantonen. De kruisiging, werd op 25 maart vastgesteld. De opstanding, drie dagen later, volgens de Romeins-Griekse manier van tellen, inclusief de eerste dag, werd op 27 maart gevierd.

In 1410, toen het altaarstuk op de foto links werd gemaakt, was de geboorte van Jezus al eeuwenlang stevig verankerd in het Kerstfeest op 25 december, toen nog de datum van het wintersolstitium. Zie de pagina over Midwinter. De kruisiging en opstanding uit de dood van Christus, bleven wel verbonden met de periode rond de voorjaarsequinox.

In de tweede helft van de tweede eeuw hadden enkele kerkleiders al geopperd dat Jezus was gekruisigd drie dagen vůůr het joodse Pascha en was opgestaan op de eerste dag van het Pascha. Aangezien het Pascha gebonden was aan de joodse maankalender, diende ook de herdenking van Christus' opstanding hieraan gekoppeld te worden. Veel afdelingen van de kerk gaven hieraan gehoor en vierden het Paasfeest op dezelfde dag als het joodse Pascha. Het lam dat door de joden tijdens het Pascha werd geslacht, werd binnen het christendom symbool voor Jezus, het Lam Gods, dat zijn leven gaf om de zonde van de wereld weg te nemen.

Het schilderij op de foto rechts, in 1470 gemaakt door een onbekende meester, waarschijnlijk uit Haarlem, toont van onder naar boven als een doorlopend stripverhaal de hele lijdensweg. Onderaan wordt Christus met doornenkroon gedwongen zijn eigen kruis te dragen, bespot door de omstanders. Daarboven stort Maria in (zie de detailfoto links), terwijl haar zoon aan het kruis genageld wordt. Bovenaan hangt Christus tussen de twee misdadigers aan het kruis.

Naarmate de zonneverering in het MithraÔsme en de cultus van Sol Invictus belangrijker werden, begon het christendom zich als tegenwicht meer op de zon te richten. De zondag werd de belangrijkste dag van de week en het idee won veld om de opstanding niet op de volle maan na de equinox te vieren, maar op de zondag daarna. Paus Victor I (189-198) stelde dit voor alle kerken verplicht en dreigde de kerken in Klein-AziŽ, die nog steeds de opstanding op de volle maan vierden, te excommuniceren als ze weigerden deze richtlijn te aanvaarden.

Pas in 325, op het Concilie van Nicea, werd deze regel door de meeste christelijke gemeenschappen in Oost en West aanvaard. Toch zou het oude denkbeeld, dat de kruisiging met de voorjaarsequinox had plaatsgevonden, nog lang doorwerken. In De Stad Gods, geschreven tussen 412 en 426, zegt Augustinus: "Christus stierf ... op de vijf en twintigste maart. Hij stond op de derde dag uit de dood op." (Boek XVIII, 54) Geleidelijk aan werd het idee van een vaste paasdatum echter geheel verdrongen door de variabele datum die nog steeds gebruikt wordt.

Het lijkt absurd een maanfeest in te stellen in een samenleving die al volledig is overgegaan op een zonnekalender. De paasdatum was al op 25 maart vastgesteld en werd hier weer van losgemaakt. Dit heeft niet te maken met eerbied voor de joodse traditie. Tegen deze traditie heeft het christendom zich vanaf het begin alleen maar sterk afgezet, om haar eigen profiel duidelijk te maken. Voor een koppeling van het opstandingsfeest aan de maankalender werd vooral gekozen omdat het heidense Lentefeest hiermee verbonden was. De Germanen en Kelten, die als eersten voor kerstening in aanmerking kwamen, volgden grotendeels nog de oude maankalender, zelfs als ze al kennisgemaakt hadden met de Juliaanse kalender.

Het Lentefeest werd vooral gevierd op de volle maan na de voorjaarsequinox en daarom diende het maanfeest gekerstend te worden, niet de equinox zelf. Voor het Midwinterfeest gold hetzelfde: het hoogtepunt van dit heidense feest was de volle maan na het solstitium en niet het solstitium zelf. Het verschil is dat de paasdatum aan de maankalender werd gekoppeld in de tweede eeuw, toen het christendom nog als een indringer in het heidense Romeinse rijk werd gezien, terwijl de geboorte van Jezus aan de Midwinterdatum zelf werd gekoppeld in de tweede helft van de vierde eeuw, toen het christendom de staatsreligie van het Romeinse rijk was geworden. De kerk was, met andere woorden, in de tweede eeuw nog niet sterk genoeg om de Lente-maanviering te onderdrukken en was in de vierde eeuw wel sterk genoeg om de Midwinter-maanviering uit te bannen.

Paasgebruiken

De strijd tussen zomer en winter speelde in veel paasgebruiken een rol. Een stropop, die de winter voorstelde, werd vaak verdronken of in het paasvuur verbrand. Soms werd de pop Judas genoemd.

Het was zaak vroeg op te zijn en op je paasbest gekleed te gaan. Wie in Zwitserland met Pasen lang in bed bleef liggen, werd uitgemaakt voor een Osterkalb, wat gelijk stond aan een luilak en een domoor. Allerlei handelingen waren erop gericht de levenskracht van het net gezaaide zaad te wekken.

Op veel plaatsen in Duitsland werden met Pasen Flurumgšnge, processies rond de akkers, gehouden. In de vier hoeken van de akker werden palmtakken, gewijd op Palmzondag, gestoken. Als er al sprietjes van het jonge graan boven de grond uitkwamen werden hier magische handelingen mee verricht. De jonge sprietjes werden in het bedstro gestoken, om zo de vruchtbaarheid van de oude oogst (stro) te verbinden met de vruchtbaarheid van de nieuwe oogst (sprietjes). Ook werden groene twijgen geplukt en in de stal of huis opgehangen. In Westfalen werd als onderdeel van de akkeromgangen om oude bomen gedanst. Bij Iserlohn werd rond een oude eik de zevensprong gedanst.

Op veel plaatsen werden met Pasen wedstrijden in springen, hardlopen, kogelstoten e.d. georganiseerd. Een populair volksgebruik was het zo hoog mogelijk optillen of omhooggooien en weer opvangen van de meisjes. In Duitsland werd dit Hochheben genoemd. In Schotland tilden de mannen op Tweede Paasdag de vrouwen zo hoog mogelijk op, terwijl de vrouwen de volgende dag hetzelfde deden met de mannen. In Wales bestond met Pasen de gewoonte van heaving of lifting, wat inhield dat tijdens het paasfeest iemand in het cafť, meestal met stoel en al, zo hoog mogelijk werd opgetild.

In Ootmarsum wordt met Pasen al sinds de Middeleeuwen een omgang door het hele dorp georganiseerd. Op eerste en tweede paasdag trekken alle dorpelingen hand in hand zingend het hele dorp door, geleid door acht Paoskearls (paaskerels), gestoken in een lichte regenjas en gleufhoed. Zowel katholieken als protestanten doen traditiegetrouw hieraan mee. Dit wordt vlŲggelen genoemd, een woord waarvan de oorsprong niet meer te achterhalen valt. Aan het eind van de omgang gooien de ouders hun kinderen driemaal zo hoog mogelijk in de lucht. De paaskerels zijn ook verantwoordelijk voor het grote paasvuur waarmee het vlŲggelen besloten wordt. Het boek Paasgebruiken in Ootmarsum (1994), door Ben Morshuis en Harry Oude Elberink, doet in woord en beeld uitgebreid verslag van het VlŲggelen vanaf 1939.

In Duitsland werd het hand in hand door het dorp gaan Schlangenziehen genoemd. In het Luxemburgse Echternach trekt sinds mensenheugenis op de dinsdag na Pasen een springprocessie door de straten. De deelnemers houden een zakdoek in elke hand en zijn zo met elkaar verbonden. Van het ene been op het andere springend, beweegt de stoet zich door de straten.

In de achttiende en negentiende eeuw is vergeefs geprobeerd de springprocessie te verbieden. Op het Concilie van Leptines, in 745, was al een verbod uitgesproken over het uitvoeren van heidense dans- en springprocessies. In zijn Beichtspiegel van 1024 probeerde Burchard van Worms nog steeds het dansen en springen te verbieden. Dit gebruik was echter niet uit te roeien en werd daarom maar gekerstend als paasdans die de opstanding van de Heer uitbeeldt.

De gewoonte de paasdatum als nieuwjaarsdag te rekenen, ontstond rond het jaar 1200 in Frankrijk, Vlaanderen en delen van het huidige Nederland. Dit werd paasstijl genoemd. Het grootste nadeel is dat de jaren, door de verschuivende paasdatum, verschillend van lengte zijn. De paasstijl is in de meeste gebieden in de loop van de zestiende eeuw dan ook vervangen door de boodschapsstijl (nieuwjaar op 25 maart), kerststijl (nieuwjaar op 25 december) of nieuwjaarsstijl (nieuwjaar op 1 januari).

Paaseieren

Dat het Paasfeest het gekerstende Lentefeest is, wordt duidelijk uit gebruiken die door de eeuwen heen aan dit feest verbonden zijn. We hebben het Lentefeest omschreven als een geheel van handelingen die het prille nieuwe leven in de natuur versterken en beschermen. Het net gezaaide zaad, dat bezig is te ontkiemen zonder dat we daar iets van zien, is hiervan een duidelijk voorbeeld. We weten pas of het gezaaide zaad levensvatbaar is als het graan of ander gewas boven de grond uit komt. Voorlopig is deze groei nog aan ons gezichtsveld onttrokken.

Het ei is vanaf de prehistorie een symbool voor deze onzichtbare levenskracht geweest. Aan het ei werden grote magische krachten toegeschreven en bij talloze handelingen die tot doel hadden vruchtbaarheid op te wekken of door te geven, speelde het ei een rol, met name bij het ploegen en zaaien, maar ook bij het oogsten. Vaak werd over een ei heen geploegd. Eierschalen werden in de voren gestrooid of door het zaaizaad gemengd. In ThŁringen en ook elders werden bij het vlaszaaien eierschalen omhoog gegooid. Hoe hoger de eierschalen kwamen, des te hoger zou het vlas groeien. In de eerste of laatste garf van de graanoogst werd op veel plaatsen een ei gebonden. Ook vruchtbaarheid en voorspoed van de veestapel werd met eieren bevorderd. Als de dieren in het voorjaar voor het eerst naar buiten gingen, liet de boer of herder ze over eieren lopen.

De gebruiken rond eieren zijn zo algemeen in alle culturen te vinden dat van een universeel verschijnsel kan worden gesproken. Steeds wordt het ei verbonden met vruchtbaarheid en het doorgeven van de levenskracht. Niet voor niets is het ei uitdrukkelijk opgenomen bij het voedsel dat in de vastentijd taboe was. Pas met Pasen mochten eieren weer gegeten worden. Al in de twaalfde eeuw stelde de kerk de benedictio ovorum in, waarbij eieren met Pasen in de kerk gewijd konden worden. Toen het verbod op het eten van eieren in de vastentijd werd opgeheven, werden ook de palmpasen met eieren versierd, maar het ei bleef vooral met Goede Vrijdag en Pasen verbonden. Het ei, werd in de kerk geleerd, was symbool voor de Heiland die in het graf lag, maar daaruit weer zou opstaan.

Eeuwenoud is het gebruik de paaseieren te verstoppen en deze dan door de kinderen te laten zoeken. Het opsporen van de eieren is van oorsprong een magische handeling om de levenskracht van de lente op te wekken. Het zijn de doelgerichte handelingen en de bewegingen die, net als bij het springen of het slaan met de levensroede, het numen in het ei activeren. In veel volksgebruiken vormt het zoeken van iets waarvan men heil verwacht een essentieel onderdeel van de heilzame werking.

Ook het beschilderen van paaseieren is in wezen een magische handeling. Het beschilderen van voorwerpen heeft in heidense culturen zelden uitsluitend een decoratieve opzet. Door de magische handeling van het beschilderen wordt de kracht van het voorwerp geactiveerd, net als een magische of goddelijke kracht over het eigen lichaam wordt opgeroepen door dit te beschilderen. Op de foto linksboven beschiderde paaseieren in het Etnologisch Museum in boedapest.

De oudste beschrijvingen van het verven van paaseieren in Europa dateren uit de zestiende eeuw, maar binnen de Koptische christelijke gemeenschap in Egypte was het beschilderen van paaseieren tussen de tiende en twaalfde eeuw algemeen gebruikelijk. Beschilderde eieren die zijn aangetroffen in Romeinse graven en andere vindplaatsen uit de Oudheid geven aan dat het beschilderen van eieren al duizenden jaren gedaan wordt.

Naast het beschilderen en zoeken van paaseieren waren er nog andere gebruiken waarbij handelingen met de eieren werd verricht om de levenskracht hieruit los te maken. Eierdansen, waarbij men over op de grond liggende eieren moest dansen, waren alom bekend. Ook het eiertikken was een populair verdrijf. Daarbij tikten twee personen hun ei tegen dat van de ander tot een van de twee eieren barstte. De winnaar kreeg als beloning het gebarsten ei. Op veel plaatsen in Europa was het gebruike¨lijk met Pasen als wedstrijd eieren van een heuvel af te rollen. Op Ameland werd dit eismiten (eirollen) genoemd.

De paashaas

Verhalen over de paashaas die de paaseieren brengt, ze vaak zelf ook legt en verstopt, komen vanaf de zestiende eeuw in Duitsland voor, later ook in andere landen. De haas werd echter al duizenden jaren eerder vereerd om zijn grote voortplantingsvermogen, zijn snelheid en zijn omtembare wildheid.

De Grieken verbonden de haas met Afrodite. Het offeren van een haas aan Afrodite of het eten van hazevlees als afrodisiacum (zinnenprikkelend middel) was algemeen bekend. De Romeinen zagen de haas als het dier van Venus, de Godin van de Liefde, maar ook als het dier van Diana, de Godin van de Jacht. Heksen, die in de Middeleeuwen vaak als volgelingen van Diana werden beschouwd, zouden zich vaak in een haas veranderen.

Hazen werden vooral met de lente geassocieerd. De hevigheid waarmee mannelijke hazen elkaar omwille van de voortplanting in het open veld bevechten, gaf aanleiding tot het beeld van de maartse haas, aan wie de meest fantastische eigenschappen werden toegeschreven. Naast de lente was het ook de oogsttijd waarin de haas een grote rol speelde. In Duitsland zei men dat de Kornhase zich in de laatste garve of schoof verborgen hield. Bij de koolzaadoogst was dit de Kohlhase, die bij ons koolhaas werd genoemd.

Het lentevuur

De paasvuren die vanaf de achtste eeuw vrijwel overal in Europa ontstoken zijn, kunnen worden beschouwd als een gekerstende vorm van het lentevuur dat bij de verschillende heidense lentevieringen gebrand werd. De transformerende kracht van het vuur werd alom geacht vruchtbaarheid, kracht, gezondheid en voorspoed te geven.

Over de vuren werd gesprongen, vooral in gebieden met vlasteelt. Hoe hoger de sprong, hoe langer het vlas zou worden. Geliefden sprongen samen over het vuur; het vee werd door het nog smeulende vuur gedreven. Het vuur werd ook met fakkels hard rennend over de akkers gedragen. De paasvuren werden bij voorkeur op een heuvel gebrand, die dan paasheuvel, in Duitsland Osterberg, heette. Als regel zijn dit oude heidense heiligdommen die op deze manier gekerstend zijn. Nog in de negentiende eeuw werd algemeen gezegd dat al het land waarover het licht van het paasvuur scheen vruchtbaar zou zijn. Van de paasheuvels werden op veel plaatsen brandende wielen ge¨rold. Hoe verder de wielen rolden, hoe voorspoediger de zomer zou worden.

In Nederland worden nog steeds paasvuren gebrand in Overijssel, Drenthe en de Achterhoek. In het Achterhoekse Zieuwent is de Vereniging Paasvuur Ziewent verantwoordelijk voor het oprichten van een twaalf meter hoge stapel, gevormd uit bundels takken die boeskaen worden genoemd. Elk jaar wijst de vereniging een vooraanstaand inwoner van Zieuwent aan, die de eer te beurt valt om het paasvuur te mogen ontsteken. In de andere dorpen waar nog steeds paasvuren gebrand worden, bestaan soortgelijke tradities.

In Denekamp wordt sinds mensenheugenis een paasstaak opgericht. Daartoe wordt op de ochtend van paaszondag een grote spar uit het nabijgelegen bos gehaald en net buiten het dorp overeind gezet. Hoog in de boom is een met teer gevulde ton vastgebonden. 's Middags wordt de boom door een man die Judas wordt genoemd bij opbod verkocht. Op het terrein naast de boom wordt 's avonds een groot paasvuur gebrand. In de teerton wordt ook een vuur ontstoken, maar de paasstaak zelf wordt niet verbrand. Die wordt laat op de avond omvergetrokken en door de koper meegenomen.

Naar alle waarschijnlijkheid houdt het paasvuur verband met het noodvuur dat jaarlijks werd ontstoken door stukken hout over elkaar te wrijven. De Indiculus Superstitionum (Lijst van Bijgeloof), die in 745, onder voorzitterschap van Bonifatius, op het Concilie van Leptines werd samengesteld of overgenomen uit ouder materiaal, verbiedt o.a. het door wrijving ontsteken van een nodfyr. Door de eeuwen heen is dit gebruik echter populair gebleven.

In Duitsland werd het NothfŁr, Notfeuer of Wildes Feuer genoemd, in Engeland sprak men van needfire of wildfire. Noodvuur was in onze streken de gewone benaming. Van Dale omschrijft het als "vuur ontstoken door wrijving van hout, waaraan men reinigende en afwerende krachten toeschreef; leeft nog voort in vreugdevuren". In zijn Deutsche Mythologie geeft Jacob Grimm vele voorbeelden van dit vuur, dat in veel landen tot de negentiende eeuw gebruikelijk was. Als regel werden alle vuren in het dorp of de leefgemeenschap gedoofd voordat het noodvuur ontstoken werd.

In een samenleving die was gebaseerd op het ononderbroken doorgeven van de levenskracht was dit een opmerkelijk verschijnsel. Steeds werd iets van het oude bewaard om het met het nieuwe in aanraking te brengen en de kracht over te dragen. We hebben hiervan al vele voorbeelden genoemd. Het vuur was hierop geen uitzondering. Ook vuur werd aan oud vuur ontstoken en aan nieuw vuur doorgegeven. Eťn keer per jaar echter werd het vuur gedoofd en opnieuw tot leven gebracht, waarmee het als het ware herboren werd. Er zijn sterke aanwijzingen dat dit moment op veel plaatsen het begin van de lente was. In Rome werd, zoals gezegd, het vuur in de tempel van Vesta op 1 maart gedoofd en opnieuw ontstoken. Later is men het noodvuur ook tijdens andere jaarfeesten gaan ontsteken, maar waarschijnlijk gebeurde dit oorspronkelijk alleen tijdens het Lentefeest en werd bij de andere jaarfeesten het vuur op de gebruikelijke wijze aangestoken of doorgegeven.

Een goede reden om aan te nemen dat het noodvuur oorspronkelijk met het Lentefeest ontstoken werd, is dat de kerk dit heeft overgenomen bij het Paasfeest. Op Goede Vrijdag werden alle kaarsen op ťťn na in de kerk gedoofd om te gedenken dat Jezus aan het kruis was gestorven. Op Paasavond, de zaterdag voor Pasen, werd ook deze laatste kaars, de paaskaars, gedoofd en wel in het nieuw gewijde doopwater. Met een vuursteen maakte de priester daarna nieuw vuur en stak hiermee de paaskaars aan. Al in de vijfde eeuw wordt dit gebruik vermeld. Bonifatius kende het als ignis paschalis. De paaskaars, die Christus, het Licht der Wereld, symboliseerde, werd gewijd en gebruikt om alle andere kaarsen mee aan te steken. De paaskaars zelf werd in stukken gesneden die aan de gelovigen werden uitgedeeld. Aan deze stukjes paaskaars werd een grote magische kracht toegeschreven en ze werden dan ook bij talloze gelegenheden gebruikt.

Lentewater

In de Middeleeuwen werd slechts tweemaal per jaar gedoopt en wel op Paasavond en op Pinksteravond. Later werd het doopwater op die dagen gewijd en ook op andere dagen gebruikt. De paaskaars werd, zoals gezegd, in het net gewijde doopwater gedoofd. Het doopwater werd mee naar huis genomen en het hele jaar goed bewaard, want het werd geacht genezing, bescherming en vruchtbaarheid te brengen. Ook werd het over de akkers en op de drempels van huizen en stallen gesprenkeld.

Aan water dat met Pasen uit een bron werd geput, schreef men mysterieuze krachten toe. Paasdauw was al even krachtig. Meisjes legden op Paasavond doekjes buiten neer en wasten zich de volgende ochtend met de in deze doekjes getrokken dauw. Dit zou schoonheid en vruchtbaarheid geven. Het paaswater is duidelijk een gekerstende vorm van het heidense geloof in de kracht van bronwater en dauw in de lente. Het Engelse spring betekent tenslotte naast lente en springen ook bron. Begieten met water om vruchtbaarheid te brengen was een veel voorkomend onderdeel van Lentefeesten.

Een Lenteviering voor deze tijd

Het Lentefeest is voortgekomen uit de landbouwfeesten waarbij allerlei handelingen werden verricht om het ontkiemen van het net gezaaide zaad te stimuleren. Voor veehouders en herders ging het meer om het stimuleren en begeleiden van de geboorte van jonge dieren om de veestapel of kudde op peil te houden.

Voor hedendaagse heidenen spelen landbouw en veeteelt over het algemeen nog maar een geringe rol. Toch kan de cyclus van het jaar zelfs in een flatwoning aanschouwelijk gemaakt worden. Als je met Imbolc in het ritueel tarwe hebt gezaaid in een ketel of teil kun je dit in je Lenteviering opnemen, bijvoorbeeld door er overheen te springen. Springen is sinds mensenheugenis een manier om de groeikracht van de Lente op te wekken. Je kunt dit nog versterken door een kaars in de ketel te branden.

Naast de levenskracht van het gezaaide zaad en de levenskracht van het pasgeboren lam of een ander dier kun je je ook op andere zaken richten. De groeikracht van de lente kan worden opgewekt om iets dat net op gang is gezet te stimuleren en te versterken. Dit kan een baan betreffen die je net bent begonnen en graag wilt houden. Het kan een project zijn dat je net gestart hebt en een goede kans wilt geven, een relatie die je net bent begonnen.

Als je met een groep de Lente viert, kun je iets nemen waar de hele groep achter staat of bij betrokken is en proberen hier een extra stimulans aan te geven. Stel dat er landelijk een actie is gestart om een bepaald bedreigd natuurterrein te behouden. Naast de gewone middelen die iedereen kan aanwenden kun je een manier zoeken om met de groep de actie te steunen. Zoek dan iets tastbaars dat de betreffende actie voor jou symboliseert. Stel dat het natuurterrein Dennenheuvel heet. Je kunt dan een dennentak als symbool voor de actie nemen en deze tijdens het ritueel tussen de groepsleden overgooien om de levenskracht van de tak en daarmee van de actie te stimuleren. Als je het ritueel buiten houdt, kun je de tak zo hoog mogelijk in de lucht gooien en de Cirkel zo groot mogelijk maken. De extra inspanning die het je kost om de tak zo hoog en zo ver mogelijk te gooien, activeert het numen van de tak, dat op zijn beurt de actie die je wilt steunen weer stimuleert.

Op dezelfde wijze kun je voor alles wat je wilt stimuleren een manier vinden om dit in een handeling om te zetten. Je kunt de handeling met een tastbaar voorwerp verrichten, zoals we hiervůůr beschreven hebben. Aangezien het meestal gaat om een groei die in het verborgene plaatsvindt, kun je ook kiezen voor een voorwerp waarin het eigenlijke object zich onzichtbaar bevindt. Denk aan het ei dat de kern van het leven in zich heeft. Denk ook aan de aarde die het leven in zich verbergt tot het zaad ontkiemt en de sprieten zichtbaar worden.

Naast het verrichten van handelingen om bepaalde veranderingen op gang te brengen of te versterken, kun je de Lenteviering ook gebruiken om je dank voor de hernieuwde levenskracht van de natuur uit te drukken. De handelingen die je verricht kunnen dan je gevoelens naar Moeder Aarde toe uitdrukken. Zonder een religieuze basis is de Lenteviering een magische handeling, bedoeld om een verandering tot stand te brengen en niets meer dan dat. In de Middeleeuwen was het christendom over het algemeen het kader waarbinnen de jaarfeesten pasten. Voor hedendaagse heidenen is de religieuze basis een teruggrijpen naar oudere elementen, gestoken in een modern jasje.

De krachten die we in een Lenteviering opwekken zijn niet bedoeld om de lente op gang te brengen. Dat gebeurt zonder ons ook wel. Het is veeleer dat we de groeikracht van de lente, die potentieel aanwezig is, benutten. Net als we met het Joelfeest gebruik maken van de kracht die loskomt als het wiel van de zon weer gaat draaien, kunnen we de kracht benutten die in het voorjaar door de natuur wordt opgewekt. Al wat we hoeven te doen is de kracht die latent aanwezig is activeren. Springen, gooien, begieten met water, slaan met de levensroede, verdrijven van de winter, het ontsteken van een vuur, het zijn evenzovele manieren om de levenskracht te activeren.

Het maken van een palmpaas

Oorspronkelijk was de palmpaas, zoals gezegd, een tak van buxus of den. Later werd vaak een stok genomen, meestal met een of twee dwarsstokken, waaraan de versieringen werden opgehangen.

De palmpaas op de foto is gemaakt door een voormalig lid van onze jaarfeestengroep. Bovenop prijkt het traditionele haantje. Daaronder abrikozen en vijgen aan een draad geregen en een sinaasappel. In Zuid-Europa was de uit China afkomstige sinaasappel al bekend in de tijd van Columbus, die de vrucht meenam naar de Nieuwe Wereld. Tot het eind van de negentiende eeuw was de sinaasappel in Nederland een schaarse delicatesse. In plaats daarvan werd meestal een rode appel genomen om aan de palmpaas te steken. In het midden van de palmpaas is de traditionele broodcirkel met een kruis erin afgebeeld. Drie andere broodfiguurtjes stellen vogels voor. Twee uitgeblazen eieren hangen aan de dwarsstok. Een katoenen draad waaraan gedroogde abrikozen en dadels zijn geregen hangt van de uiteinden van de dwarsstok neer. Aan de onderkant zijn groene takjes bevestigd.

In plaats van een stok met een kruiselings bevestigde dwarsstok kun je ook een grote tak van een groenblijvende struik nemen om hier de slinger en de andere versieringen aan te bevestigen. Je kunt ook verschillende soorten snoep, koekjes, paaseitjes, papieren slingers van crepepapier en dergelijke nemen.

Zonnerad, haantje en krakelingen

De hieronder beschreven broodfiguren kunnen op een palmpaas bevestigd worden of als afzonderlijke versiering bij het Lentefeest gebruikt worden. Je hebt hiervoor nodig:
- 1 kg bloem
- 1/2 l lauw water
- 2 zakjes gist of 75 gr verse gist
- 1 ei
- 1 rozijn
- 1 eetlepel maanzaad
- 1 eetlepel zout
- bakpapier

Leg bakpapier op een bakblik en teken hierop met potlood een cirkel, bijvoorbeeld rond een bord. Teken een vierkant in de cirkel. Kneed een stevig deeg van de genoemde ingrediŽnten en laat dit 30 Š 60 minuten rijzen. Deel de helft van het deeg in drieŽn en vorm hier 3 rollen van ongeveer 1 meter lengte van. Leg de rollen op het bakpapier op het blik en maak er langs de getrokken cirkel een vlecht van. Plak de uiteinden met wat water aan elkaar en zorg dat ze goed aansluiten. Vorm hierna van een gedeelte van het overgebleven deeg 2 rollen, iets dikker dan de eerder gemaakte rollen en iets groter dan de middellijn van de cirkel. Leg de rollen over elkaar heen op het in de cirkel aangegeven kruis. Plak de uiteinden van de rollen met water onder de cirkel vast. Vorm dan 3 dunne rolletjes van ongeveer 20 cm. Maak hier een vlecht van en buig deze tot een cirkel. Maak de onderkant van deze vlecht nat en leg hem op het midden van het kruis.

Voor het maken van de krakelingen vorm je 2 dunne rollen van " 30 cm en legt deze in de vorm van een krakeling.

Van het overgebleven deeg maak je het haantje. Vorm hiervoor een dikke rol van ongeveer 35 cm. Leg deze in de vorm van een haantje. Vorm een snaveltje en knip voor de hanekam het deeg op de kop een stukje in. Knip de andere kant ook in en vorm hier een staart van. Druk het geheel iets plat. Leg een rozijn op de kop om een oog te maken. Bestrijk alles met losgeklopt ei en bestrooi de krakelingen met maanzaad. Laat alles 30 ŗ 60 minuten rijzen en bak het in een oven van 200 graden C in ongeveer 20 minuten.

Versierde eieren voor het Lentefeest

Het beschilderen en ophangen van uitgeblazen eieren in een paasboom is een eeuwenoud gebruik. Tegenwoordig neemt men vaak kronkelhazelaar of kronkelwilg, maar traditioneel werden hiervoor berkentakken gebruikt. Als je de takken in een vaas met water zet, zullen ze na een paar dagen beginnen uit te lopen. Op de eieren worden veel verschillende motieven geschilderd. Vaak zijn het bloemen of takken, maar ook geometrische figuren komen veel voor. Zoals we in De kringloop van het leven uiteengezet hebben, zijn deze figuren vaak te herleiden tot schematische voorstellingen van de Moedergodin en de Vegetatiegod, die overal in het Oude Europa aanbeden werden. Deze voorstellingen werden afgebeeld op aardewerk en andere gebruiksvoorwerpen en zijn zo vaak duizenden jaren lang vrijwel ongewijzigd doorgegeven. Toen men eieren begon te beschilderen voor het Lentefeest of Paasfeest greep men gewoonlijk naar deze zelfde figuren terug.

Om eieren voor een paasboom of lenteboom te maken, begin je met een gaatje in de onder- en bovenkant van het ei te prikken. Hierna kun je het ei uitblazen. Het beste is eieren van scharrelkippen te nemen omdat de schaal van deze eieren harder is. Ganzeneieren zijn ook zeer geschikt hiervoor. Het struif dat je uit de eieren blaast is te gebruiken voor eierkoeken of eierdrank. Maak de eieren na het uitblazen schoon met een doekje met pure azijn. Spoel ook de binnenkant goed uit, bijvoorbeeld met een injectiespuit zonder naald, die bij de apotheek te koop is. Je kunt het ei met waterverf of acrylverf beschilderen of er met een viltstift op tekenen of kleuren. Je kunt het ei met behangersplaksel ook beplakken met figuurtjes die uit papier geknipt zijn of met poesieplaatjes of stickers. Om de eieren op te hangen kun je haakgaren of vissersgaren aan een lange naald (een zogenaamde poppenaald) rijgen. Onder aan de draad knoop je een kraal of paillet. Steek met de naald de draad door de gaatjes in het ei. Maak een lusje aan de draad en hang het ei hieraan.

Eieren kunnen ook met natuurlijke stoffen gekleurd worden. Hiervoor kunnen het beste witte eieren gebruikt worden. Je kunt de eieren met de hieronder beschreven stoffen gewoon in een pan koken. Je kunt ook een takje groen dat nu al in de tuin te vinden is gebruiken. Denk bijvoorbeeld aan buxus, rozemarijn, laurier, tijm of klimop. Leg dit blaadje of takje op het ei en bind dit in een stuk van een oude panty. Trek het goed strak en bind het aan de achterkant bij elkaar met een sluitclip voor boterhamzakjes. Na het koken tekent het blaadje zich wit af op het verder gekleurde ei. Dit heeft niet alleen een decoratieve functie. De altijd groene struiken vertegenwoordigen gedurende de hele winter de levenskracht in de schijnbaar dode natuur. Door een blaadje van een altijd groene plant mee te koken bij het verven breng je de levenskracht van deze plant op het ei over.

Door de eieren in 1 liter water met een flinke scheut azijn te koken, kun je door het toevoegen van natuurlijke stoffen de volgende kleuren op de eieren overbrengen:
- geel/goudbruin/geelbruin: de buitenste schillen van uien
- geel/geelgroen: snij wat verse peterselie fijn
- lichtgroen/groen: snij wat brandnetel fijn
- lichtgroen: spinazie of fluitekruid
- paarsrood: snij wat kool of bieten fijn
- oranje: pluk wat boterbloemen met de stengel en snij ze fijn
- bruin: kook de eieren in sterke koffie of thee

Kook de eieren net zo lang tot je de kleur donker genoeg vindt.

Lentekuikens

Kuikens werden, zoals gezegd, vaak op de palmpaas afgebeeld. Ook werden in de lente of in de paastijd wel kuikens van stof, wol of papier gemaakt en in huis neergezet. Voor het maken van wollen lentekuikens heb je nodig: ong. 10 gram garen per kuiken, dun karton, rood en zwart vilt, schaar, maasnaald en alleslijm.

In bovenstaande tekening zijn de uit te knippen vormen in de juiste verhouding gegeven met de nummers die in de tekst worden gebruikt. Je kunt de tekening uitprinten of overnemen op dun karton. Knip hieruit tweemaal deel 1 en deel 2 met een gat in het midden. Leg de twee grootste kartonnen rondjes (deel 1) op elkaar. Doe 3 ŗ 4 draden garen in de naald en omwind vanuit het midden naar buiten de rondjes tot het middengat dicht is. Knip nu de wol aan de buitenkant tussen de twee kartonnetjes in door. Neem een draad garen en bind het midden vast tussen de kartonnetjes door. Knoop goed vast en laat de uiteinden van het garen waarmee je het midden van de pompoentjes vastgeknoopt hebt hangen. Knip nu het kartonnetje door en verwijder dit van het pompoentje. Nu is ťťn pompoentje klaar. Leg nu de twee kleine rondjes (deel 2) op elkaar en handel verder als boven beschreven.
Knoop de bijhangende draden van elk pompoentje stevig aan elkaar vast. Het kuikentje is nu klaar. Knip nog wat bij als ze niet helemaal goed van vorm zijn. Knip nu uit rood vilt de pootjes (deel 3) en het snaveltje (deel 4) en de oogjes (deel 5) uit zwart vilt. Lijm alles op de juiste plaats met een druppeltje alleslijm.

In de foto van de paashaas met de eieren kun je bekijken hoe de kuikentjes er uitzien.

Eierkoeken

Voor de koekjes-en-wijn ceremonie kun je eierkoeken bakken. De betekenis van eieren in het Lentefeest hebben we al besproken. Voor eierkoeken heb je nodig:

- 3 eieren
- 125 gr suiker
- 150 gr zelfrijzend bakmeel (of 150 gr bloem + 1 theelepel bakpoeder)
- 25 gr maizena
- 2 theelepels vanillesuiker
- mespuntje zout

Zet de schaal waarin je het beslag gaat maken op een pan kokend water. Klop hierin met een garde de eieren met de suiker tot er een dikke schuimige massa is ontstaan. Dit duurt 15 ŗ 20 minuten. Zeef het bakmeel of de bloem met het bakpoeder, de maizena, vanillesuiker en zout. Roer dit luchtig een beetje door de eieren met de suiker. Schep bergjes op een beboterde bakplaat en bak de eierkoeken in een oven op 150 graden C in ongeveer 20 minuten gaar en lichtbruin. Neem ze van de bakplaat en laat ze afkoelen op een rooster.

Dubbele vlecht

In plaats van eierkoeken kun je ook een dubbele vlecht maken. Je hebt hiervoor nodig:

- 500 gr bloem
- zakje gedroogde gist of 50 gr verse gist
- 50 gr suiker
- 3 dl melk
- enkele draadjes saffraan
- 200 gr rozijnen
- 150 gr krenten
- 75 gr sukade
- 50 gr oranjesnippers
- 2 theelepels geraspte citroenschil
- 2 eierdooiers
- 1 theelepel kaneel
- 1 ei los geklopt
- zakje gehakte amandelen

Verwarm de melk tot het kookpunt. Laat de saffraandraadjes een kwartier hierin trekken. Dit zorgt ervoor dat het brood een gele kleur krijgt. Zeef de melk hierna en laat deze tot lauwwarm afkoelen. Maak dan van alle ingrediŽnten, behalve het laatste ei, een gistbrood (zie pagina Wierook, wijn, brood, gewaad) Laat het deeg 1 keer rijzen en kneed het weer door. Deel het deeg daarna in vieren. Rol 3 delen uit tot 3 even lange slierten. Maak hiermee op de ingevette bakplaat een vlecht. Verdeel het resterend deeg in drieŽn en maak ook hier op dezelfde wijze een vlecht van. Leg deze dunne vlecht op de eerder gemaakte vlecht en bestrijk het geheel met het losgeklopte ei. Bestrooi het met de gehakte amandelen en laat het deeg ong. 60 minuten rijzen. Bak het brood in een oven van 200 graden C in 40 ŗ 50 minuten gaar.

Brandnetelwijn

Brandnetels werden in het volksgeloof verbonden met de opwekkende kracht van de lente. De luilak of langslaper, die de afstervende winter vertegenwoordigt, wordt in veel volksgebruiken in de brandnetels gegooid of met brandnetels geslagen om zijn of haar levenskracht weer op te wekken. Ook bij de luilakgebruiken met het Meifeest in ons land speelde de brandnetel een rol. Naast de magische wordt ook de geneeskrachtige, met name bloedzuiverende werking van de brandnetel hoog aangeslagen. De slechte naam die de brandnetel in onze maatschappij heeft is dan ook toe te schrijven aan de degradatie van magie en volksgeneeskunde in onze samenleving. Daardoor zijn andere toepassingsmogelijkheden, bijvoorbeeld om er soep of wijn van te maken, ook een beetje in de vergetelheid geraakt. De meeste mensen weten alleen dat een brandnetel prikt en dat je dus uit de buurt moet blijven. Voor brandnetelwijn heb je nodig:

- 2 liter brandneteltoppen (licht aandrukken in litermaat)
- 1250 gr suiker
- 250 gr rozijnen
- 2 citroenen
- 1 theelepel gistvoedingszout
- giststarter
- 4 liter water

Maak twee dagen van tevoren een giststarter (zie de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad). Pluk 2 liter brandneteltoppen. Als je van onder naar boven plukt vermijd je de prikkende bladeren. Je kunt ook handschoenen aantrekken. Druk de toppen losjes aan in je litermaat om de juiste hoeveelheid te krijgen. Was de toppen en kook ze 45 minuten in 2 liter water. Druk de toppen hierna licht op een zeef uit. Los de suiker op in het hete water. Rasp de schil van de citroen en pers hem dan uit. Doe het sap en de geraspte schil bij de warme vloeistof. Doe alles in een grote pan of schone emmer. Giet de rest van het water erbij. Laat alles afkoelen tot lauwwarm en voeg de giststarter toe. Dek de emmer of pan af en laat dit 5 dagen gisten. Maak daarna met heet water en daarin opgelost sulfiet een 5-liter gistingsfles schoon. Zeef alles en doe het samen met de rozijnen in een gistingsfles met waterslot. Vul zonodig bij met lauw water. Zeef na een maand de rozijnen eruit. Handel verder zoals in de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad is beschreven.

Brandnetelbier

Als je de voorkeur geeft aan bier boven wijn, of voor de afwisseling, kun je brandnetelbier maken. Je hebt nodig:

- 1 kg jonge brandneteltoppen
- 500 gr bruine suiker
- 1 citroen
- 4,5 liter water
- stukje fijngesneden gemberwortel of 1 eetlepel gemberpoeder
- 4 eetlepels wijnsteenzuur
- 2 theelepels biergist

Kook de brandnetel met de gemberwortel in 2 liter water. Zeef dit en los de suiker en het wijnsteenzuur op in de hete vloeistof. Voeg de rest van het water toe. Rasp de schil van de citroen. Pers de citroen uit en doe het sap en de geraspte schil bij de vloeistof. Los de gist op in een beetje lauw water en doe dit bij de vloeistof als deze tot lauwwarm is afgekoeld. Laat dit 3 dagen in een schone emmer of grote pan afgedekt gisten. Doe het dan in flessen. Na 3 weken kan het al gedronken worden.

Eierdrank

Deze kan met of zonder alcohol gemaakt worden. Hiervoor heb je nodig:

- Ĺ l appelsap of witte wijn
- 4 eierdooiers
- 4 eetlepels poedersuiker
- nootmuskaat

Klop de eierdooiers met de suiker en de nootmuskaat tot alles mooi schuimig is. Klop dan langzaam het sap of de wijn erdoor.

Lentewierook

Hiervoor kun je 1/2 eetlepel van het basisrecept nemen (zie de pagina Wierook, wijn, brood, gewaad). Voeg hieraan toe 1 theelepel jasmijn en 1 theelepel lindebloesem. Je kunt ook een van de andere op deze pagina gegeven recepten nemen.

Versiering van de ruimte

Als er een palmpaas is gemaakt, kan deze worden neergezet. Met lentebloemen en groene takjes kunnen het altaar en de ruimte versierd worden. Een eierboom kan worden neergezet, gemaakt van een paar takken berk, waaraan uitgeblazen en beschilderde eieren worden gehangen. Een paar kuikentjes hierbij maakt het geheel nog fleuriger.

Voorbereiding voor het ritueel

Midden in de Cirkel staat een ketel of een kandelaar met daarin een kaars. Op het altaar ligt een rood lint. Je hebt ongeveer 1 meter nodig voor elk van de aanwezigen. Verder ligt er een mes om het lint door te snijden of een schaar. Er is een trommel aanwezig, waarmee PS ritmisch het rondlopen kan begeleiden.

Het ritueel

PS en P zijn de priesteres en priester die het ritueel leiden. De Cirkel wordt volgens het basisritueel uit De Acht Jaarfeesten getrokken (wordt nog op deze site gezet). Iedereen gaat in een kring zitten. PS zegt:

Vanavond vieren wij het feest van de Lente, de onstuitbare groeikracht, die na de rust van de winter voor het nieuwe leven zorgt. Denk na over wat je in jezelf in gang wilt zetten, wat je wilt laten groeien en tot volle wasdom laten komen. Denk na over welke plaats anderen hierin kunnen innemen om samen met jou dit te verwezenlijken.

Er is een korte meditatie. Alle aanwezigen vormen hierna een kring. Er is een even aantal deelnemers. Ze staan achter elkaar, met hun rechterzij naar het middelpunt van de Cirkel. Iemand neemt het uiteinde van het rode lint in de linkerhand. De persoon hiervůůr neemt het lint in de rechterhand; de persoon hiervůůr weer in de linkerhand. Zo gaat het verder tot het eind van het lint bij de eerste persoon is gekomen die beide uiteinden goed vasthoudt. Op deze manier staat steeds iemand buiten en een volgende binnen de door het lint gevormde ster. PS en P kunnen hieraan meedoen of buiten de kring gaan staan. PS zegt:

De winter ligt achter ons
Wat afgedwaald was, is teruggekeerd
Wat verborgen was, is zichtbaar geworden
Waar duister was, zal licht schijnen

De groep loopt deosil rond en zegt, terwijl PS ritmisch op de trommel slaat:

Oost, West, Zuid, Noord
Sluit de Cirkel
Wij gaan voort

De groep blijft staan als de trommel stopt en iedereen neemt het lint over in de andere hand, zodat wie eerst binnen de door het lint gevormde ster was, er nu buiten staat en omgekeerd. P zegt:

De natuur ontwaakt uit haar sluimer
De eerste bloemen wiegen met de wind
Lammeren springen door de wei
Alles leeft, beweegt en danst

De groep herhaalt hetzelfde als hierboven. PS herhaalt haar eerste regels, waarna de groep opnieuw hetzelfde doet als voorheen. Als de groep weer stilstaat, pakt PS het mes en snijdt het lint tussen alle aanwezigen door, terwijl ze zegt:

Wat voorbij gaat is vergankelijk (snijdt) Wat voortduurt is eeuwig

Ze gaat naar de volgende en herhaalt dit tot ze het lint tussen alle aanwezigen heeft doorgesneden. Hierna steekt P de kaars midden in de Cirkel aan en zegt:

Moge de band tussen ons verbroken
En tegelijk oneindig zijn

PS bindt bij alle aanwezigen het lint om de pols. De hele groep, ook PS en P, loopt daarna rond met de tekst:

Oost, West, Zuid, Noord
Hoog het vuur
Graan groei voort

Iedereen springt driemaal over het vuur. Daarna gaat de groep in een kring zitten. PS zegt:

Ga gemakkelijk zitten. Sluit je ogen en ontspan je. Haal een paar keer diep adem. Voel hoe de adem je longen en je buik vult. Hou je adem een paar seconden vast en laat hem dan weer rustig ontsnappen. Ontspan je bij het uitademen.

Je loopt op een met gras bedekte heuvel. Er is een pad langs de helling dat je volgt. Links van je, niet ver onder je, is een meer. Aan de kant is het water lichtblauw, naar turkoois toe, maar het meer is diep en in het midden is het water donker, bijna zwart. Het pad is bezaaid met stenen, soms zulke grote rotsblokken dat je een flinke stap moet nemen of er maar omheen loopt. Tussen de stenen groeit mos en je ziet dat het bloeit met heel kleine witte bloempjes. Links en rechts van het pad staat een enkele berk of bremstruik, maar verder is de heuvel onbegroeid en op veel plaatsen komt de kale rots boven het gras uit. Je ziet de zon weerspiegeld op de berghelling die achter het meer oprijst, maar je bevindt je op een noordhelling en het is kil in de schaduw.

Het pad wordt steeds ruiger en steiler en soms moet je op grote stenen en rotspartijen klauteren om verder te kunnen. Als je over je schouder kijkt, zie je het water in de diepte liggen en je verbaast je erover hoe hoog je geklommen bent. Je kunt nu pas goed zien hoe donker het water midden in het meer is. Nadat je even hebt rondgeke¨ken en wat hebt uitgerust, ga je weer verder. Je bent niet ver van de heuveltop af en het pad wordt hier wat minder steil en wat minder oneffen, maar toch kost het klauteren je steeds meer moeite. Je voelt jezelf steeds zwaarder en lomer worden en ineens besef je dat je armen en benen kleiner worden terwijl je romp tegelijk groeit. Je probeert je hoofd te buigen om naar je kogelronde buik en naar je verschrompelende armen te kijken, maar je kunt je nek niet meer draaien en je hoofd groeit steeds verder aan je romp vast tot het er tenslotte niet meer van te onderscheiden is.

Je struikelt en probeert een stap naar voren te doen om je evenwicht terug te vinden, maar je hebt geen voeten meer en je valt. Je probeert je aan een boom vast te grijpen, maar je hebt geen handen meer en je rolt het pad af. De wereld draait om je heen.

Met een bons kom je tot stilstand en hijgend en trillend van emoties blijf je liggen. Je kunt niet anders, want je hebt nog steeds geen armen of benen, maar je kunt wel je ogen openen en als je dat doet, slaat de schrik je om het hart, want je ziet dat je op een uitstekende richel boven een met gras bedekte helling ligt. Je voelt de warmte van de zon op je huid branden en het maakt je nog lomer dan je al bent.

Je vraagt je af of je nog wel een huid hebt. Het lijkt eerder iets hards en onbuigzaams als een eierschaal. Je sluit je ogen om je beter te kunnen concentreren, want je voelt je steeds lomer in de warme zon, maar tot je schrik merk je dat je ze niet meer kunt openen en dat de eier¨schaal aan alle kanten om je heen sluit.

Je probeert je armen en benen te strekken om je los te maken, maar de eierschaal geeft niet mee. Toch voel je iets bewegen en je schopt opnieuw, maar dan besef je dat je daar boven die helling ligt te wankelen en je verroert je niet meer, bang als je bent naar beneden te rollen.

Je hebt geen besef van tijd, maar soms wordt het koud en ben je in een inktzwarte duisternis gehuld, alsof je op de bodem van dat diepe meer bent afgedaald, en soms is het warm en dringt er een vaag diffuus licht tot je door. Je besluit de kou nacht en de warmte dag te noemen, maar het zijn tamelijk zinloze begrippen en je probeert ze niet te tellen.

Op een dag voel je je anders dan anders. Je voelt de warmte na de nacht terugkomen, maar het geeft niet het behaaglijke gevoel dat je er anders bij hebt. Het vage licht dringt door de eierschaal heen, maar je intuÔtie zegt je dat het de laatste keer is. Het is alsof je door een onzichtbare hand wordt opgetild, een hand die alleen wacht op het juiste moment om je van die helling te duwen. Je begint te schoppen en met je armen om je heen te slaan en hoewel je voelt dat je begint te wankelen ga je door. Je schopt en je slaat steeds harder om je heen tot je met je handen en voeten door die schaal heen breekt. Je knippert tegen het felle zonlicht dat ineens in je ogen schijnt en op het moment dat je je longen vol lucht zuigt en wilt schreeuwen, voel je jezelf omdraaien en de onzichtbare hand die je tegenhoudt, laat je los en je glijdt van de helling.

Steeds sneller en sneller rol je naar beneden. Je wordt door elkaar geschud en je voelt je duizelig worden. Soms zie je het gras onder je, soms de hemel boven je, tot de hele wereld in een regenboog van kleuren uiteenspat.

Het dringt tot je door dat je stil op de grond ligt. De felle voorjaarszon brandt op je huid en het geeft je een behaaglijk gevoel. Je krabbelt overeind en je kijkt om je heen. Je bent op dezelfde heuvel waar je je tocht begonnen bent, maar nu op de zuidheuvel. Achter de heuvel kun je nog net een klein stukje van het meer met zijn licht-turkooise water zien. Je kijkt omhoog naar de steile helling boven je en je verbaast je erover dat je je niet bezeerd hebt. Terwijl je verder de heuvel afklautert schieten af en toe hazen voor je voeten weg, maar een van hen schijnt niet bang te zijn en blijft zitten als je op haar toe loopt. Je vraagt je af waarom je denkt dat het een vrouwtje is, maar je weet het niet. Als je voor haar hurkt, pakt ze van onder haar buik een zilveren ei en geeft het aan je, waarna ze zonder enige haast weghuppelt.

Met het ei in je hand loop je verder naar beneden. In het dal staat een huis. De voordeur staat open en je gaat naar binnen. Op de grond in de huiskamer ligt een kussen. Je gaat erop zitten. Je sluit je ogen. Je voelt je prettig en ontspannen. Je opent je ogen; je kijkt om je heen, rekt je uit en je bent weer terug waar je bent begonnen.

PS schenkt wijn in een beker, pakt de schaal met eierkoeken en zegt:

Ik zegen deze wijn en dit voedsel uit naam van de Oude Goden.

Ze neemt een slok wijn en geeft de beker met een kus aan P, waarbij ze zegt:

Blessed be!

P neemt een slok en geeft de beker met een kus en de wens "Blessed be!" aan de vrouw die links van hem staat. De vrouw neemt een slok en geeft de beker door. Daarna hetzelfde met de koekjes. Hierna wordt de Cirkel op de gebruikelijke wijze afgesloten.