Het maken van wierook, wijn, brood en een gewaad

Het maken en branden van wierook

Basisrecept wierook
Voor elk jaarfeest kun je een wierook maken die hier speciaal bij past. Daarvoor gebruik je het volgende basisrecept: 2 eetlepels mirre, 2 eetlepels frankincense en 3 druppels sandelhoutolie of 1 eetlepel rood sandelhout.

Je kunt het basisrecept maken en in een afgesloten pot bewaren. Aan 1/2 eetlepel van dit basisrecept kun je voor elk jaarfeest bepaalde ingrediŽnten, die specifiek bij dit feest passen, toevoegen. De aangegeven hoeveelheid van het basisrecept is voldoende voor een heel jaar. Bij elk feest worden de toe te voegen ingrediŽnten genoemd. Deze kun je meestal in de zomer zelf plukken en drogen of anders gedroogd kopen bij een kruidenwinkel.

Algemene wierook 1
Een algemene wierook, die voor alle jaarfeesten te gebruiken is, kun je maken met gelijke hoeveelheden, bijvoorbeeld 1 eetlepel, van de volgende bestanddelen: rozemarijn, riet, marjoraan, tijm, basilicum en lindebloesem. Meng alles goed door elkaar en bewaar het in een afgesloten pot.

Algemene wierook 2
Een ander recept voor een algemene wierook bestaat uit 1 eetlepel frankincense, 1 1/2 eetlepel mirre en 1/2 eetlepel kaneel, ijzerhard, iriswortelpoeder, maretak en laurier. Meng dit goed door elkaar en bewaar het in een afgesloten pot.

IngrediŽnten
De ingrediŽnten voor de verschillende recepten zijn eenvoudig zelf te kweken en te drogen. Pluk op een droge middag zoveel als je nodig hebt en hang het op tot het goed droog is. Daarna kun je het in een afgesloten pot bewaren. De ingrediŽnten zijn ook bij kruidenzaken te koop.

Het branden van de wierook
De wierook brand je op speciaal hiervoor gemaakte ronde houtskooltjes, waaraan salpeter is toegevoegd om ze beter te laten branden. De kooltjes zijn er in drie verschillende maten. De middelste maat brandt anderhalf Š twee uur en wordt het meeste verkocht.

Steek het kooltje met een brandende kaars aan. Eerst trekken wat vonkjes door het kooltje. Leg het nog niet weg, maar hou het aan de kant waar het niet brandt aan een puntje vast tot je een klein stukje aan de rand grijs ziet worden. Leg het dan op een hittebestendig schaaltje of in een wierookbrander. Het beste is wat zand in de brander te doen met een steentje in het midden, waarop je het kooltje legt. Je kunt ook het zand in het midden iets ophogen. Belangrijk is dat er lucht onder het kooltje kan komen, anders zal het snel weer uitdoven.

Neem je tijd om de wierook goed aan te steken. Volg de gegeven aanwijzingen en dan zul je weinig problemen ondervinden. Vaak zijn mensen te haastig en zeggen dan dat het kooltje te oud of vochtig is als het niet wil branden. Als je het kooltje te snel neerlegt of de wierook te snel erop deponeert zal het kooltje doven. Als het kooltje goed brandt, kun je er 1/2 theelepel wierook op neerleggen. Steeds als dit is opgebrand kun je er 1/2 theelepel aan toevoegen. Het kooltje blijft nog lang nagloeien. Hou hier rekening mee als je het feest buiten viert. Doof de restanten van het kooltje met water en overtuig je ervan dat ze niet meer gloeien voordat je ze achterlaat of, liefst in zand, begraaft.

Het maken van wijn

Voor elk jaarfeest kun je een bij dit feest passende wijn maken. Over het algemeen maak je de wijn rond de tijd van het betreffende feest en kun je de wijn een jaar later op dit feest gebruiken. Alleen bij het Lentefeest en Meiavond begin je ongeveer een maand later met de voorbereiding.

IngrediŽnten voor wijn Veel van de ingrediŽnten kun je zelf plukken. Doe dit niet te dicht bij snelwegen en was alles goed voordat je het gebruikt. Alle recepten zijn voor 5 liter wijn. Vergeet niet genoeg lege wijnflessen te bewaren. Verder zijn er een aantal zaken die je nodig hebt. Je hebt in ieder geval nodig:

- kurken (alleen nieuwe kurken gebruiken)
- kurkapparaat, tenzij je flessen met een schroefdop gebruikt
- 5-literflessen voor de gisting
- waterslot en rubber kap of dop om de fles af te sluiten
- hevel
- emmer die je alleen voor wijn gebruikt, een gistingsvat of een grote pan
- grote trechter
- zeef en houten lepel
- sulfiet om alles wat je gebruikt schoon te maken
- wijngist en gistvoedingszout
- pecto-enzym, wijnsteenzuur en tannine

Wat je verder nog nodig hebt, bijvoorbeeld suiker, wordt bij het recept voor het betreffende jaarfeest genoemd. Voor algemene richtlijnen bij het maken van wijn kunnen we Groot zelf wijn maak boek van Jan van Schaik aanbevelen. In De Keltische maankalender in het zonnejaar herschreven als Het vieren van de Maanfeesten en via deze site als pdf te koop, heeft Joke het zelf maken van wijn beschreven.

Giststarter
Voor het maken van wijn bij de acht jaarfeesten zijn onderstaande aanwijzingen en de recepten bij de betreffende jaarfeesten voldoende. Bij de meeste recepten maak je twee dagen van tevoren een giststarter die ervoor zorgt dat de gisting van de most begint. Hiervoor heb je nodig:

- een halve literfles
- 1/2 liter water
- 20 gr suiker
- sap van 1/2 citroen
- mespuntje gistvoeding
- 1 1/2 theelepel algemene wijngist

Maak de fles schoon met heet water en een theelepel sulfiet. Kook de 1/2 liter water met de suiker. Laat het afkoelen tot 27 graden C en giet het in de fles. Doe de gist, gistvoeding en het citroensap erbij en schud de fles. Laat de fles met een prop watten in de hals twee nachten staan.

Overhevelen
Als de wijn in de 5-literfles is uitgegist (dan komen er geen belletjes meer in het waterslot) kan je hem overhevelen in een andere fles. Maak een lege 5-literfles schoon met heet water en sulfiet en zet deze lager dan de volle fles. Met een slangetje kun je dan de wijn overhevelen door het slangetje in de volle fles te steken en de lucht eruit te zuigen. Steek het andere eind in de lege fles en de rest gaat vanzelf. Het bezinksel blijft in de lege fles achter. Speciale hevels voor wijn zijn aan het ene eind iets gebogen zodat je geen bezinksel opzuigt. Aan het andere eind zit een kraantje dat je kunt gebruiken als je later de wijn gaat bottelen.

Bottelen
Wacht tot de wijn helder is geworden. Dit duurt soms wel een jaar. Pas daarna kun je de wijn bottelen. Maak voldoende flessen schoon met heet water, waarin sulfiet is opgelost en hevel de wijn in deze flessen over. Doe de kurk of schroefdop op de flessen. Plak een etiket met de naam en de datum van de wijn op elke fles. Er zijn speciale etiketten hiervoor te koop, maar je kunt ze ook zelf maken, kopiŽren en met behangersplaksel op de flessen plakken. Het geeft je wijn een professioneel uiterlijk en je weet later nog precies wat voor wijn je hebt gemaakt en wanneer.
Er zijn krimpcapsules te koop, die je over de hals van de fles heen schuift. Je laat ze krimpen door de fles met de capsule omgekeerd in een pannetje kokend water te doen. Je kan een kleur kiezen die bij de wijn past, bijvoorbeeld rood voor vlier/druif, goud voor mede en groen voor brandnetelwijn.

Bewaren
Leg de flessen weg op een koele, maar vorstvrije plaats. De meeste wijnen worden er beter van als je ze een paar maanden laat liggen. Er zijn ook soorten, bijvoorbeeld mede, die na 2 of 3 jaar het beste smaken. Na verloop van tijd gaat de smaak weer achteruit, dus bewaar de flessen niet te lang. Ervaring is hierin de beste leermeester. Vaak kun je na het openen van een eerste fles pas beoordelen of deze goed op smaak is of dat je de rest beter nog even kunt laten liggen.

Het bakken van brood

Voor elk jaarfeest is een recept gegeven om een bij dit feest passend brood te bakken. De benodigheden staan in het betreffende artikel vermeld.

Je begint met alles wat in het recept genoemd wordt, klaar te zetten. De vloeistof (melk of water) dient lauw-warm te zijn. Voeg, als je verse gist gebruikt, hiervan een klein gedeelte bij de gist. Als je gedroogde korrelgist gebruikt, kun je dit droog door het meel mengen. Doe de bloem in een grote kom. Maak een kuiltje voor de vloeistof. Strooi het zout langs de rand van het kuiltje. Strooi dit niet in het kuiltje, want dit gaat de werking van de gist tegen. Hou wat bloem achter om op je werkvlak te strooien. Giet de vloeistof in het kuiltje en werk vanuit het midden de vloeistof door het deeg.

Als er volgens het recept boter of margarine wordt gebruikt, voeg dit dan samen met de vloeistof in licht gesmolten toestand toe. Maak dit niet te warm, anders werkt de gist niet meer.

Als alles goed door elkaar is gemengd, kun je het gaan kneden tot het een samenhangend geheel is. Als het te droog is kun je nog wat vloeistof toevoegen; als het te nat is kun je meel of bloem toevoegen.

Bestrooi je werkblad met wat bloem en leg het deeg hierop. Je handen en de kom kun je schoonmaken door met wassende bewegingen bloem tussen je handen te wrijven. Doe dit telkens als het deeg aan je handen plakt. Kneed het deeg goed door op je werkvlak. Duw het met je handpalmen van je af. Sla het dan dubbel. Ga zo door tot het een soepele gladde bol is die niet meer aan je handen plakt en doe hem dan terug in de kom. Strooi hier eerst wat bloem in. Dek het af met huishoudfolie of smeer de hele bol in met olijfolie.

Laat het rijzen tot ongeveer dubbel de grootte. Doe dit op een warme plaats, bijvoorbeeld op de verwarming, in de zon, boven een kom met warm water of in een oven die je verwarmt tot 50 graden C en daarna uitdoet. Het rijzen duurt 30-60 minuten.

Als er een vulling, bijvoorbeeld kruiden of krenten en rozijnen, in gaat, kneed je het deeg weer door en geeft het een bepaalde vorm. Volg hiervoor de aanwijzingen in het betreffende recept. Leg het deeg dan op een ingevette bakplaat of in een vorm en laat het weer rijzen, zoals hiervůůr beschreven.

Werk het deeg verder af volgens het betreffende recept en bak het bij de daar aangegeven temperatuur. Om het brood een mooi glanzend uiterlijk te geven kun je het, voordat het de tweede keer rijst, bestrijken met losgeklopt ei. In plaats hiervan kun je het brood, als het bruin en gaar is, uit de oven halen, bestrijken met wat water en nog een paar seconden in de oven zetten om het zacht te laten glanzen.

Haal brood, als het bruin en gaar is, altijd gelijk uit de oven en laat het uitdampen op een rooster, bijvoorbeeld het rooster van de oven, en snij het pas aan als het helemaal is afgekoeld.

Het maken van een gewaad

Hierbij een beschrijving en een patroon voor het maken van twee verschillende gewaden. Ze zijn eenvoudig met de hand of de naaimachine te maken. Voor een gewaad met mouwen kun je patroon 1 gebruiken, naar keuze met uitlopende wijde of rechte mouwen en naar beneden toe uitlopend of recht. Kleur en stof zijn naar keuze. Je kunt een dunne stof, bijvoorbeeld katoen of viscose, gebruiken voor een gewaad om binnen te dragen en een dikkere stof, bijvoorbeeld wol of fluweel, kiezen om rituelen buiten te doen.

Het patroon links is 70 x 150 cm. Het patroon rechts is 70 x 190 cm. Deze patronen zijn voor iemand van ongeveer 1.70 m lengte en een bovenwijdte van 100-120 cm. Vergroot of verklein waar nodig het patroon.

Patroon 1 Op patroon 1 (de tekening links) staan twee gewaden. Om een wijd uitlopend gewaad met wijde mouwen te maken, volg je de stippellijn. De gewone lijn is voor een smaller gewaad met rechte mouwen en een split. Het beleg voor de halslijn is aangegeven met een stippellijn. Voor elk van deze gewaden heb je bij de aangegeven lengte 3,25 m stof van 140 cm breed nodig.

Je gaat als volgt te werk. Maak eerst een patroon op ware grootte en kijk of dit klopt met je eigen lichaamsmaten. Als dat zo is vouw je de stof twee keer dubbel; eenmaal in de lengte en eenmaal in de breedte. Speld je patroon op de stof, ook die van de beleggen, zoals je op de tekening ziet. Knip het patroon uit. Denk eraan dat je de naden en zomen er nog bij moet doen. Denk er ook aan dat je eerst de achterhals en dan pas de voorhals knipt. De achterhals is hoger. Stik de beleggen bij de schouderlijn en voor- en achternaad op elkaar en naai nu de beleggen met de goede kant tegen elkaar op het voor- en achterpand. Denk bij het voorpand aan het split. Knip het split in, keer de stof en stik de naden door. Naai dan de mouwnaden en de zijnaden. Als je voor meer loopruimte een split wilt, stik dan tot het aangegeven teken. Bij het smal uitlopend gewaad is dit nodig, bij het wijd uitlopende gewaad niet. Zoom tot slot de mouwen, het eventuele split en de onderkant.

Patroon 2 Patroon 2 (de tekening rechts) is een zomergewaad zonder mouwen. Hiervoor heb je 2 m dunne stof van 140 cm breed nodig. Maak ook hiervoor eerst een papieren patroon en kijk of dit klopt met je eigen maten. Leg de stof met de zelfkanten tegen elkaar. Je hebt dan dus aan beide kanten een stofvouw. Speld het patroon op je stof. Knip dit uit met voldoende ruimte voor zoom en naden. Naai de beleggen op voor- en achterpand. Leg ze met de goede kanten tegen elkaar, keer ze en stik ze door. Stik de schoudernaden en de zijnaden tussen de tekentjes. Zoom de zijnaden en onderpand tot het dichtgestikte deel. Zoom ook de armsgatranden.