Wat is heidendom?

Het woord heiden heeft door de eeuwen heen veel verschillende betekenissen gehad. Er werden aanhangers van natuurreligies mee aangeduid, maar ook moslims, joden, atheÔsten en ketters.

Het ontstaan van het begrip heidendom

Duidelijk is dat het begrip in een joods-christelijke context is ontstaan. In het Oude Testament werden de joden, het uitverkoren volk, afgezet tegen de gojim, de niet-joden, waarbij deels een etnisch, deels een religieus onderscheid werd bedoeld.

Toen het Oude Testament in de derde eeuw v.Chr. voor de in AlexandriŽ woonachtige joden in het Grieks werd vertaald, gaf dit problemen omdat de Grieken geen woord hadden voor mensen die een andere godsdienst aanhingen. Weliswaar duidden ze alle niet-Grieken aan als barbaros, maar dat betekende gewoon dat zo iemand een andere taal sprak en ook wel dat deze persoon niet zo beschaafd was, maar het woord had geen religieuze betekenis. In bovengenoemde Griekse Bijbelvertaling, de zogeheten Septuagint, werd gojim meestal vertaald als etnos, in feite het woord voor volk, zonder religieuze bijbedoeling.

De Romeinen hadden net zo min als de Grieken een woord voor iemand die een andere godsdienst aanhing. Het woord paganus duidde oorspronkelijk iemand aan die in een dorp of op het platteland woonde. Toen Rome zich tot een militaire macht ontwikkelde, ontstond het gebruik gewone burgers aan te duiden als pagani, om ze te onderscheiden van militis, de soldaten.

Pas de eerste christenen gaven een religieuze betekenis aan het woord paganus en verstonden hieronder iemand die niet in het leger van Christus voor het ware geloof wilde strijden. In de Romaanse talen worden niet-christenen aangeduid met hiervan afgeleide woorden, zoals het Engelse pagan, het Franse paÔen, het Spaanse en Italiaanse pagano en het Roemeense pagin.

Omstreeks 341 vertaalde bisschop Ulfilas grote delen van de bijbel in het Gotisch, de eerste poging de Heilige Schrift in een Germaanse taal weer te geven. Hij ging daarbij, net als de schrijvers van het Nieuwe Testament hadden gedaan, uit van de Griekse Septuagint en vertaalde ook het Nieuwe Testament uit het Grieks. Het woord etnos vertaalde Ulfilas meestal met piudos, dat is volk of stam. Slechts eenmaal, in Marcus 7:26, werd een niet-joodse vrouw aangeduid als haithno, dat is een bewoonster van de heide. Volgens de gebroeders Grimm in hun gezaghebbend Deutsches WŲrterbuch is dit vermoedelijk een latere toevoeging uit de tijd dat de Goten zich in ItaliŽ bevonden, waarbij het Latijnse paganus ten onrechte is opgevat als "bewoner van het platteland".

Fout of niet, het begrip van de heidebewoner bleef hangen. Een niet-christen werd in het Oudhoogduits heidan genoemd, wat later het Duitse Heide en het Nederlandse heiden werd. Alle Germaanse talen volgen deze regel, zoals het Zweedse en Deense hedning en het Engelse heathen. In dit boek zullen de woorden heidendom en paganisme als synoniemen door elkaar worden gebruikt.

De Germanen en Kelten was het begrip heidendom wezensvreemd. Elke stam had haar eigen gebruiken en deels haar eigen Goden en Godinnen, maar geen enkele stam had een woord om aan te geven dat iemand niet de godsdienst van de eigen stam aanhing. Toen de eerste Ieren zich tot het christendom bekeerden moest dan ook het leenwoord pŠgŠnach aan de Iers-Keltische taal worden toegevoegd.

In de loop der eeuwen ondergingen de begrippen paganus en heiden een aantal gedaanteverwisselingen. Kerkvaders als Augustinus duidden de Romeinen en Grieken aan als pagani en al snel werd iedereen die niet tot het christendom bekeerd en gedoopt was een heiden genoemd. Ook joden en later moslims waren dus heidenen. Zelfs christenen die uit de pas liepen en zich niet hielden aan de vanuit Rome gegeven richtlijnen, werden als heidenen beschouwd. De Goten, die waren bekeerd tot een variant van het christelijke geloof die als Arianisme bekend stond, werden heidenen genoemd en om hun geloof bitter vervolgd.

In de middeleeuwen werd het ene Europese volk na het andere, in ieder geval in naam, gekerstend. Rond het jaar 800 werden de meeste gebieden geregeerd door tot het christendom bekeerde heersers. Met name vanuit de Angelsaksische landen trokken missionarissen naar de laatste gebieden waar nog heidense Goden en Godinnen werden vereerd. Het zou nog tot de elfde eeuw duren voordat ook grote delen van Noord-Europa gekerstend waren.

Wat is heidendom?

De eerste missionarissen ijverden om zoveel mogelijk mensen over te halen zich te laten dopen. Wie was gedoopt, werd als een christen beschouwd en was niet langer een heiden. Zelfs als de doop werd afgedwongen, was deze geldig. Karel de Grote stelde de leiders van de door hem onderworpen Saksische stammen voor de keus onthoofd of gedoopt te worden. Zo werden de Saksers bekeerd. In veel heiligenlevens wordt beschreven hoe de betreffende heilige de heidenen bekeerde door hun gewijde bomen om te hakken of op een andere manier de machteloosheid van de heidense Goden aan te tonen, waarna de heidenen zo verbijsterd waren dat ze zich prompt lieten dopen.

In werkelijkheid is heidendom niet iets wat je door een simpele handeling achter je laat. In De heidense middeleeuwen onderscheidt historicus Ludo Milis drie fasen in het eeuwen durende bekeringsproces. In eerste instantie was er een aanpassing van het openbare leven. In de meeste gevallen bekeerde de vorst of plaatselijke heerser zich, waarna de kerkelijke vertegenwoordigers erop aandrongen dat heidense tempels werden gesloten en heidense erediensten verboden.

De tweede fase was erop gericht het individuele gedrag te veranderen. De tempels waren weliswaar gesloten of veranderd in kerken en heidense erediensten werden officieel niet meer gehouden, maar toch bleven de kerkelijke autoriteiten zich verzetten tegen wat ze als heidense elementen beschouwden.

De laatste fase was de verandering van gevoelens en overtuigingen. Het werd niet als voldoende beschouwd je als een christen te gedragen; je moest je ook een christen voelen en ervan overtuigd zijn dat het christendom het enige ware geloof is.

Historisch theoloog James Russell ziet bekering (conversion) in de vroege middeleeuwen als een hoogst zelden voorkomend verschijnsel. Onder bekering verstaat hij dan een radicale breuk met het heidense verleden, waardoor iemand zich volledig met het christendom identificeert. Meestal is er sprake van milde dwang of in het gunstigste geval adhesie, waarbij iemand bepaalde christelijke ideeŽn of gebruiken overneemt, zonder zich verder met dit geloof te verbinden.

In The Germanization of early Medieval Christianity (1994) zet Russell uiteen dat het christendom zich niet heeft verspreid door een keten van individuele bekeringen, maar door een proces van enerzijds christianisatie, anderzijds Germanisatie. Christianisatie is een eeuwenlang proces, dat in sommige streken tot de huidige dag voortduurt, waarbij de kerk zich ervoor inzet om heidense gebruiken af te schaffen of een christelijke wending te geven. Vaak stuitten missionarissen op zoveel weerstand dat ze noodgedwongen bepaalde heidense gebruiken oogluikend toestonden of probeerden er een christelijke interpretatie van te geven.

De onderliggende gedachte was dat deze heidense gebruiken later konden worden verwijderd als het christendom in een bepaalde streek eenmaal wortel geschoten had. In de praktijk bleken christelijke en heidense elementen zich onlosmakelijk met elkaar te vermengen. Volgens Russell hebben de missionarissen zich volledig verkeken op de diepgang en vitaliteit van het Germaanse heidendom. Ook hebben de missionarissen de mogelijkheden tot het overbrengen van kennis over het christendom overschat. Tot in de late middeleeuwen had het grootste gedeelte van de Europese bevolking nauwelijks enig idee wat het christendom inhield.

In de vroege middeleeuwen verschoof de politieke en militaire macht steeds verder naar het noorden en met name onder Karel de Grote en het latere Heilige Roomse Rijk was de invloed van de Germaanse landen zo overheersend dat het daar ontstane gegermaniseerde christendom groot werd. In de 9e en 10e eeuw werd de Germaanse vorm van het christendom in Rome overgenomen en daarna van daaruit weer over de hele christelijke wereld verspreid.

Hoewel er zeer uiteenlopende definities van het begrip heidendom bestaan, is men het er meestal wel over eens dat heidendom zowel een geloofsovertuiging als een meer of minder samenhangend geheel van rituele handelingen omvat. De geloofsovertuiging kan zijn gebaseerd op openbaringen en opgetekend in heilige boeken, zoals bijvoorbeeld in het HindoeÔsme het geval is, maar vaker betreft het een geheel van mondeling overgeleverde verhalen, die soms pas veel later worden opgetekend, zoals bijvoorbeeld met de Griekse mythen is gebeurd. De handelingen zijn echter, zoals we uiteen zullen zetten, van essentieel belang binnen het heidendom.

James Russell onderscheidt in The Germanization of early Medieval Christianity twee typen religie. Het ene beschrijft hij als "folk, ethnic, or natural religions" (p 40). De volksreligie is "world-accepting", want de natuur is heilig en vele alledaagse handelingen hebben een sacrale betekenis binnen het kader van deze religie. Alle Indo-Europese religies rekent Russell tot dit type.

Het tweede type omschrijft hij als "universal, revealed, prophetic, or historical religions" (p 40). Hiertoe behoren o.a. het boeddhisme, de islam en het christendom. Deze religies zijn in wezen en oorsprong "world-rejecting". Ze verwerpen de wereld als zondig en onvolmaakt en richten zich op het hiernamaals. Een samenhangend geheel van leerstellingen en dogma's geeft binnen de universele religies aan hoe de wereld en het hiernamaals in elkaar zitten en welke plaats de mens daarin heeft.

Voor de Germanen, net als voor alle andere heidenen, was het idee van zonde en verlossing in het hiernamaals volkomen vreemd. Missionarissen slaagden er dan ook niet in het belang van deze of andere religieuze denkbeelden op de heidenen over te brengen. Ze slaagden er evenmin in de heidense gebruiken te verbieden, maar de heidenen bleken er verrassend weinig bezwaar tegen te hebben de gebruiken anders te benoemen. Voor een Germaan was belangrijk wat je deed, niet welke naam je eraan gaf. De schijnbare overwinning van het christendom in de vroege middeleeuwen was voor een groot gedeelte gebaseerd op dit misverstand. Voor de heidenen zelf deden ze gewoon wat ze altijd gedaan hadden; voor de christenen waren ze gekerstend en verrichtten ze christelijke handelingen, met nog een zweem van heidendom, wat wel zou slijten.

Om de aard en het doel van de rituele handelingen binnen heidense rituelen uiteen te zetten, is het nodig eerst in te gaan op de krachten waarmee binnen het heidendom wordt gewerkt.

Bovennatuurlijke wezens

Heidendom omvat vrijwel altijd een geloof in bovennatuurlijke wezens. Dit kunnen Goden en Godinnen zijn, maar ook geesten, elven, kabouters, trollen en alle andere wezens die in volksverhalen een rol spelen. De namen van Goden en Godinnen kunnen plaatselijk en in de loop der eeuwen variŽren en vaak is de naam op een titel als Vrouwe of Heer terug te voeren.

Eigennamen en soortnamen gaan vaak vloeiend in elkaar over. Zo worden de bovennatuurlijke wezens die rond Midwinter de mensen opzoeken in Zuid-Duitsland aangeduid als Perchten, maar het is niet duidelijk of de Godin Percht van hen is afgeleid of omgekeerd. Op de Perchten gaan we in het stuk over de Joeltijd dieper in.

Veel wezens uit de andere werkelijkheid worden alleen aangeduid als vertegenwoordiger van hun soort of ras, zoals dwergen en sylfen. In de middeleeuwen werden, onder invloed van de kerk, bovennatuurlijke wezens vaak aangeduid als demonen. Soms hadden demonen een naam, maar vaker werden ze als vertegenwoordigers van een bepaald soort wezens, bijvoorbeeld incubi, beschreven.

De doden

De doden, die in veel heidense gebruiken en rituelen een rol spelen, nemen een aparte plaats in omdat ze, anders dan alle andere wezens, ooit mens zijn geweest.

De Romeinen gingen ervan uit dat ieder mens een onsterfelijke kracht in zich heeft. Bij een man heet deze kracht genius (waarvan ons woord genie is afgeleid), bij een vrouw juno. Als iemand overlijdt, wordt zijn genius of haar juno een lar en het zijn deze lares waarmee we na iemands dood nog in contact kunnen komen. De lares werden geacht, vooral in de winter, in of bij de huishaard te verblijven. De Germaanse en Keltische dodencultus komt in vele opzichten overeen met de Romeinse gebruiken.

De onpersoonlijke kracht

Wat alle tot nu toe genoemde wezens gemeen hebben, is dat ze een entiteit vormen. Een watergeest kan elk individueel trekje missen en geheel schuilgaan achter wat over undines gezegd wordt, maar het is nog steeds een entiteit die zich op een bepaalde plaats in het water bevindt.

Er is echter ook een onpersoonlijke kracht, een kracht die binnen het heidendom altijd een cruciale plaats heeft ingenomen, een kracht die talloze heidense gebruiken en rituelen verklaart, een kracht die ooit zo vanzelfsprekend was dat onze woorden macht, kracht en heilig hiervan zijn afge¨leid.

Het begrip numen

De Kracht die wij bedoelen werd door de Romeinen numen genoemd. Numen is de vitale levenskracht die alles doordringt. Mensen, dieren en planten zijn doortrokken van numen, maar ook levenloze materie bevat numen.

Een voorbeeld kan het verschil tussen numen en de eerder genoemde bovenatuurlijke wezens duidelijk maken. De Grieken gingen ervan uit dat bomen worden bezield door Dryaden of boomgeesten. De Dryade zorgt ervoor dat de boom floreert en als de Dryade zich terugtrekt zal de boom sterven, tenzij een andere Dryade zich erover ontfermt. Als je een boom in tien stukken zaagt, heb je negen stukken zonder en hooguit ťťn stuk met een Dryade.

Numen daarentegen is de levenskracht die zich in elke vezel van de boom bevindt. Elk takje dat je van de boom snijdt, elk stukje schors en elk blad heeft dit numen in zich. Numina zijn geen bovennatuurlijke wezens of Goden. Het numen is de kracht die deze wezens en ook Goden bezielt, maar numen is evenzeer de kracht die in een steen of graankorrel huist. Het omgaan met deze numineuze krachten is de essentie van de Romeinse religie.

Pas later is men deze goddelijke krachten naar Grieks voorbeeld als anthropomorfe wezens gaan zien, als kibbelende en jaloerse echtelieden, helden en minnaars. De Romeinse Goden en Godinnen zijn nooit veel meer dan karikaturen geworden en hun afbeeldingen zijn vaak houterig. De ware aard van de Romeinse Goden is niet in een vaste vorm en een fysiek lichaam te vangen.

In zijn klassieke studie The religious experience of the Roman people stelt Warde Fowler dat numen een kracht is die altijd als potentie aanwezig is, maar pas door een handeling wordt geactiveerd. Deze handeling is een uiting van wilskracht. Het woord numen betekent letterlijk "met het hoofd knikken", als teken van "het is zover, laat het nu gebeuren!" De Romeinse Goden, stelt Fowler, waren in wezen niets anders dan personificaties van de wilskracht die een bepaald numen in werking zet. Een God of Godin is in deze visie een mystiek en mysterieus wezen dat een bepaald numen activeert. Het graan is vruchtbaar omdat de Graangod of Graangodin het numen van het graan activeert. Ook mensen kunnen, vaak met behulp van de Goden of andere wezens, bepaalde numina activeren. Vrijwel alle landbouwriten en jaarfeesten zijn hierop gebaseerd.

Het begrip macht

De Germanen waren bekend met een kracht die in alle opzichten met het Romeinse numen overeenkomt. Ons woord macht is net als het Duitse equivalent en het Engelse might afgeleid van een Indo-Europese wortel *magh die een potentie of vermogen aanduidde. Het woord magie is, via het Oudpersische magos, van dezelfde wortel afgeleid.

De Germaanse wortel *magan vinden we nog terug in mogen, vermogen en de gebiedende wijs moge. Al deze afleidingen en nog vele andere geven aan dat het begrip macht oorspronkelijk dezelfde betekenis had als het Latijnse numen. Toch was deze betekenis in de loop der eeuwen zover weggezakt dat anthropologen sinds de vorige eeuw de numineuze kracht gewoonlijk aanduiden met het Melanesische woord mana of het aan de Irokezen ontleende begrip orenda.

Bij het woord macht zijn we geneigd te denken aan "macht uitoefenen over" of "in zijn macht hebben", maar toch drukt het moderne woord nog steeds iets van de oude betekenis uit. Niet voor niets geeft Van Dale als eerste betekenis voor macht "vermogen om iets te doen".

Jacob en Wilhelm Grimm geven in hun WŲrterbuch als eerste en oorspronkelijke betekenis van het woord macht: "kraft, zumal zeugungskraft haben", d.w.z. macht is in de eerste plaats het vermogen zich voort te planten, waarbij we deze vruchtbaarheid in de meest ruime zin willen opvatten. Macht is enerzijds het vermogen een verandering tot stand te brengen en anderzijds het vermogen zich voort te planten. Macht is het vermogen de winter in het voorjaar en het voorjaar in de zomer te veranderen. Macht is ook het vermogen de vruchtbaarheid van het ene jaar op het volgende jaar over te dragen. Dit vermogen moet echter door bepaalde handelingen worden geactiveerd.

Het begrip kracht

Het woord kracht had, net als het Duitse Kraft, oorspronkelijk dezelfde betekenis als macht.

Kracht is het vermogen veranderingen tot stand te brengen. Overtuigingskracht is het vermogen iemands mening te veranderen. Geneeskracht is het vermogen een ziekte te veranderen.

Kracht kan ook gebruikt worden om een bepaalde situatie in stand te houden.

Levenskracht is het vermogen een organisme te laten voortleven.

De kracht is altijd een potentie die onder bepaalde omstandigheden verwezenlijkt kan worden. Kiemkracht is het vermogen onder de juiste omstandigheden te ontkiemen.

Kracht is ook het vermogen vruchtbaarheid over te dragen, zoals het Duitse "Zeugungskraft" nog steeds bewijst.

Kracht is, net als macht en numen geen handeling, maar een vermogen dat door een handeling geactiveerd kan worden. Een springplank heeft veerkracht. Door op de plank te springen wordt deze kracht geactiveerd en daardoor verandert er iets. Veel handelingen in heidense rituelen zijn op dit principe terug te voeren.

Het begrip energie

Tot het begin van deze eeuw ging de westerse wetenschap over het algemeen uit van een dualistisch model van het universum, waarbij geest en materie strikt gescheiden werden gehouden. De katholieke kerk heeft vanaf het prilste begin dit absolute onderscheid tussen lichaam en ziel benadrukt.

Nadat Einstein had aangetoond dat massa kan worden omgezet in energie en omgekeerd, is dat onderscheid in de wetenschap niet zo absoluut meer.

In de kwantumfysica is het idee dat materie een verschijningsvorm van energie is nog verder uitgewerkt.

In Masks of the Universe (1985) beschrijft Edward Harrison, professor in de fysica en astronomie aan de Universiteit van Massachusetts, de verschillende verklaringsmodellen van de kosmos als evenzovele maskers die vanaf de prehistorie over de werkelijkheid geplaatst zijn.

Als oudste masker dat door de mensheid is gehanteerd ziet Harrison "the magic universe", een magisch wereldbeeld waarin alles met alles samenhangt en waarin elke handeling een verandering teweeg kan brengen op elk onderdeel van de kosmos.

Zo'n 5000 jaar geleden werd dit wereldbeeld geleidelijk aan vervangen door wat Harrison noemt "the mythic universe", een mythisch wereldbeeld waarin verre en machtige Goden de overal aanwezige magische krachten langzaam verdrongen en vaste materie het wezen van de kosmos ging uitdrukken.

Ook dit wereldbeeld moest weer wijken, voor een geometrisch model van het universum, waarin planeten de rol van de Goden overnamen.

Dit model werd weer verdreven door een mechanistisch model, waarin voorspelbare bewegingen en onveranderlijke natuurwetten moesten tonen hoe de kosmos werkte.

De moderne fysica, stelt Harrison vast, heeft niets anders gedaan dan het magisch universum in ere herstellen en de dode materie opnieuw tot leven brengen. Dat is dan een conclusie die voor de wetenschap opgaat, want binnen het volksgeloof heeft de materie nooit haar levenskracht verloren.

Het woord energie is afgeleid van een Indo-Europese wortel *wergon, die een werking of activiteit aanduidde. Het Griekse energeia, zoals dit door Aristoteles in zijn Rhetorica werd uitgewerkt, duidde vooral een beweging of activiteit aan. Een hiervan afgeleid woord, ůrgia, duidde religieuze handelingen aan met vaak een extatisch karakter, zoals dansen, zingen, drinken en feestvieren. Ons woord orgie is hier weer van afgeleid. Ook de woorden werk en liturgie zijn echter aan dezelfde Indo-Europese wortel ontleend.

In The tao of physics (1984) legt Fritjof Capra uit dat het begrip energie in de moderne wetenschap niet zozeer een activiteit is als wel een potentie: "We zeggen dat een lichaam energie heeft als het in staat is werk te verrichten." (p 186) Deze energie kan vele vormen aannemen. Er is een energie die warmte kan produceren, een energie die tot beweging kan leiden (kinetische energie), een energie die op de zwaartekracht werkt en als gewicht meetbaar is (gravitationele energie), er is een elektrische energie, een chemische energie en zo zijn er nog meer te noemen. Een van de basiswetten van de klassieke fysica is dat er nooit energie verloren gaat, wat er ook gebeurt. Alleen kan de energie van vorm veranderen.

Energie is net als numen een potentie die door een handeling geactiveerd kan worden. De gravitationele energie van een steen kan worden geactiveerd door de steen op te tillen en te laten vallen. Het opwekken en verplaatsen van energie is een oude magische techniek die door Wicca's en andere heidenen opnieuw gebruikt wordt. Energie is ook de levenskracht die alle voorwerpen en stoffen om ons heen doordringt, de levenskracht die door bepaalde handelingen opgewekt en overgebracht kan worden. Veel handelingen tijdens volksfeesten door de eeuwen heen ontlenen hun betekenis aan dit principe.

Het begrip heilig

De meeste heidense rituelen zijn het beste te begrijpen als het uitvoeren van handelingen die erop gericht zijn een bepaalde kracht te activeren. Het is dezelfde kracht die in PolynesiŽ mana wordt genoemd. De begrippen taboe en heilig zijn onlosmakelijk hiermee verbonden. Een voorwerp dat is geladen met mana is taboe, d.w.z. zo heilig dat bepaalde geboden en verboden in acht genomen moeten worden in de omgang met dit voorwerp.

In de Polynesische bijbelvertaling is het woord heilig als taboe vertaald. Dat is minder vreemd dan het lijkt. Bij de Grieken rustte er een taboe op het naakt zien van Artemis en haar nimfen tijdens het baden. De jager Aktaon ziet ze per ongeluk en wordt als straf veranderd in een hert dat door zijn eigen honden verscheurd wordt. In de renaissance sprak dit thema nog steeds tot de verbeelding. Zie de foto hierboven voor een uitbeelding van deze scene door Giuseppe Cesare uit 1605.

Het begrip heilig is ouder dan het christendom en gaat terug op een Germaanse wortel *khaila, die "gevuld met kracht" betekende. Dit was een neutrale kracht die, net als mana, numen en orenda, voor alles gebruikt kon worden. Hoe diep dit begrip geworteld zat in de Germaanse religie, blijkt uit het feit dat afleidingen hiervan in vrijwel alle Germaanse talen zijn opgenomen. Het Gotische heilag had, net als andere Germaanse vormen, oorspronkelijk de neutrale betekenis van "gevuld met kracht". De kracht van een toverstaf kan worden weergegeven door het Polynesische taboe en het Gotische heilag, ook als je de staf gebruikt om mensen kwaad mee te berokkenen. Onder invloed van het christendom ging men heilig later associŽren met het Goddelijke en het Goede en ging men slechte krachten als "onheilig" aanduiden.

Het werkwoord heiligen wordt door Van Dale omschreven als "wijden aan, bestemmen voor God", maar de oorspronkelijke betekenis van heiligen is dat bepaalde handelingen worden verricht die het numen, orenda of mana van het voorwerp activeren. Het voorwerp is dan machtig, gevuld met heilige kracht die voor veel doeleinden te gebruiken is. Meestal wordt voor heiligen de term consacreren gebruikt, afgeleid van het Latijnse sacrare, wat "heilig maken" betekent.

Opvallend is dat de handeling, heiligen, in het gewone spraakgebruik verdrongen is door een toestand, heilig. In het Engels is op dezelfde manier het woord sacred een toestand gaan uitdrukken, terwijl het oorspronkelijk de verleden tijd van het werkwoord sacren, heiligen, was.

De essentie van heidense rituelen

Heidense rituelen en jaarfeesten zijn een eerbetoon aan de Goden en de aarde. Met name oogstfeesten zijn een dankzegging voor de van levensbelang zijnde gaven van de natuur.

Minstens zo belangrijk, misschien nog wel belangrijker, zijn de handelingen om de vitale krachten te activeren en over te brengen naar waar ze nodig zijn.

De meeste Romeinse rituele handelingen en jaarfeesten zijn te verklaren als manieren om de numineuze krachten op te wekken of door te geven. Het numen kan schuilen in een voorwerp, plaats of persoon, maar het is de rituele handeling die deze kracht activeert.

Het numen van het graan wordt geactiveerd door bepaalde handelingen te verrichten, bijvoorbeeld met de laatste schoven die worden geoogst. Op dezelfde manier wordt het numen van een bron geactiveerd, bijvoorbeeld door jaarlijks in het voorjaar bij zonsopgang bepaalde handelingen bij de bron te verrichten. Of door een beeld van een Godin als Venus jaarlijks in een bron, meer of zee te reinigen. Dergelijke gebruiken worden cultushandelingen genoemd.

Het beeld uit 1898 op de foto rechts heet "Aan de kust", maar is duidelijk geÔnspireerd op afbeeldingen van Aphrodite/Venus die uit het bad komt.

Hoewel Merlin Stone in haar boek When God was a woman terecht stelling neemt tegen de neerbuigende manier waarop het begrip cultus door archeologen en historici wordt gebruikt, is er geen reden het begrip daarom te laten vallen. In het artikel Kult in het HandwŲrterbuch des deutschen Aberglaubens geeft filoloog en godsdienstwetenschapper Friedrich Pfister de volgende definitie: "Onder cultus versta ik dat deel van de religie waarin de verhouding van de mensen met God, de Goden, heiligen, goddelijke en orendistische krachten zich in handelingen uit." In deze zin willen we het woord cultus op het heidendom betrekken, als een deel van de religie dat met name gebaseerd is op handelingen.

Door rituele handelingen kan de numineuze kracht niet alleen worden geactiveerd, maar ook overgedragen. Een voorbeeld is het strooien van zaad afkomstig van de laatste schoof van het vorig jaar om de vruchtbaarheid van de oude oogst in het voorjaar op de akker over te brengen. Een ander voorbeeld is het slaan van de akker met de levensroede om de vruchtbaarheid van de roede op de aarde over te brengen.

Dit soort handelingen is een onderdeel van volksfeesten gebleven, zelfs toen men de heidense Goden en Godinnen al bijna vergeten was en het merendeel van de feestgangers zichzelf als een goed christen beschouwde. Veel handelingen werden niet meer begrepen en als bijgeloof beschouwd, maar toch zaten ze zo diep in het menselijk bewustzijn verankerd dat de oude gebruiken niet uit te roeien bleken en de kerk ze noodgedwongen maar in haar eigen feesten en gebruiken inpaste. In de pagina's over de verschillende feesten zullen hiervan vele voorbeelden worden gegeven.

Invloed van het heidendom op de moderne tijd

Wanneer spreken we nog van heidendom? Als iemand zijn gedrag heeft aangepast aan de christelijke voorschriften, maar nog niet de christelijke waarden en normen heeft overgenomen (de tweede fase in de indeling van Ludo Milis), is hij of zij dan nog een heiden? En als iemand zichzelf beschouwt als een goed christen, en dus in de derde fase van het bekeringsproces is aangeland, maar nog steeds heidense handelingen verricht, is hij of zij dan een christen of heiden?

In de middeleeuwen zijn christendom en heidendom zo in elkaar opgegaan dat vaak moeilijk te zeggen is waar het een ophoudt en het ander begint. Het vereren van relikwieŽn is niets anders dan gebruikmaken van het numen dat in het betreffende voorwerp is opgesloten. Als men voorwerpen "heiligt" door ze met relikwieŽn in aanraking te brengen doet men niets anders dan de macht van het voorwerp op een ander voorwerp over te brengen.

De Reformatie heeft veel in wezen heidense gebruiken uit de kerk gebannen en de steeds verdergaande automatisering heeft vele heidense landbouwgebruiken nog in de 20e eeuw verdrongen. Toch is er meer over dan op het eerste gezicht lijkt en vaak komen oude gebruiken die iedereen al had afgeschreven na vele jaren weer terug.

Heropleving van het heidendom

Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw beleeft het heidendom een ongekende opbloei. Hierin heeft de Wicca zeer zeker een voortrekkersrol vervuld. In de rituelen van deze religie zijn, zoals gezegd, veel eeuwenoude heidense gebruiken te herkennen. Met name het opwekken van krachten door het verrichten van cultushandelingen is een puur heidens element dat ook in de Wicca een belangrijke rol speelt. Het trekken van een Cirkel en het gebruikmaken van magie waren in volksfeesten en volksgebruiken niet onbekend.

Nadat de Wicca zich had ontwikkeld tot een wereldwijde religie zijn andere heidense stromingen ook meer in de openbaarheid getreden. Met name in de Verenigde Staten heeft deze ontwikkeling grote vormen aangenomen. In haar boek Drawing down the moon (1979) geeft Margot Adler hier een overzicht van. Alle groeperingen beschouwen zichzelf als paganisten, neo-paganisten of heidenen. Soms vereren ze een God en een Godin, soms meerdere Goden. Andere groepen richten zich vooral op de cyclus van de natuur zonder hier rechtstreeks een religieuze betekenis aan te geven. Een aantal van deze groepen bestond toen het boek uitkwam al meer dan 25 jaar. Soms komt een aantal mensen incidenteel samen zonder de groep een bepaalde naam toe te kennen. Het zijn dan de festivals die een zekere continuÔteit hebben en steeds uit andere deelnemers bestaan.

Wat al deze groepen gemeen hebben, is dat ze dezelfde jaarfeesten vieren die ook binnen de Wicca worden onderscheiden. Voor de grote festivals komt men vaak samen voor Midzomer of Lammas, terwijl de andere feesten met de eigen groep of individueel gevierd worden.

In Nederland is het paganisme nog bescheiden van omvang, maar ook hier is een duidelijke groei van een heidens bewustzijn merkbaar. Boeken over oude beschavingen en heidense rituelen vinden gretig aftrek. Jaarlijks terugkerende evenementen als het Ruigoordfestival bij Amsterdam trekken veel bezoekers die spelenderwijs hun heidense wortels proberen terug te vinden. Anderen geven er de voorkeur aan met een kleine kring vrienden de jaarfeesten en soms de volle manen te vieren. Voor allen geldt dat ze hun gevoel van eenheid met de natuur en met de hele kosmos ook in onze jachtige tijd een plaats in hun leven willen geven.

De pagina's over de jaarfeesten op deze site zijn gebaseerd op ons boek De acht Jaarfeesten. De tekst is waar nodig aangepast en elk jaarfeest is voorzien van tientallen door Joke gemaakte foto's.